Rechtspraak Hoge Raad 1974-11-20
ECLI:NL:HR:1974:AX4161
20 november 1974. Nr. 17.420 Jb . De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 januari 1974 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1971; Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden uitspraak en uit de stukken van het geding blijkt: dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1971 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 90.448, -- , tegen de aanslag bezwaar heeft gemaakt bij de Inspecteur, die de aanslag bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift heeft gehandhaafd; dat belanghebbende van deze uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof; dat het Hof in de thans bestreden uitspraak vermeldt, dat de navolgende feiten op grond van de processtukken en de mondelinge behandeling als onbetwist of onvoldoende weersproken vaststaan: "Bij notariële akte van 27 december 1971 is - door [A] - een stichting opgericht, blijkens artikel 1 van de statuten genaamd "[B]", en gevestigd te [Z]. De statuten van deze. Stichting luiden verder als volgt: ""Artikel 2. De Stichting heeft ten doel de behartiging van de belangen van [X], geboren te [Q] op [geboortedatum] negentienhonderd negentien, en [C], geboren te [R] op [geboortedatum] negentienhonderd drie en twintig, echtgenoten, beiden ten tijde van de oprichting van de Stichting wonende te [Z], [a-straat 1] en hun afstammelingen in de rechte nederdalende linie, door het verlenen van materiële steun voor studie, opleiding of beroep en/of het verwerven van een levenspositie en/ of het verlenen van aanvullende oudedagsvoorzieningen of bijstand. De Stichting beoogt niet het maken van winst. Vermogen. Artikel 3. Het vermogen der Stichting bestaat uit haar oprichtingskapitaal, inkomsten, opbrengsten en andere baten. Bestuur. Artikel 4. 1. Het bestuur van de Stichting bestaat uit een door het bestuur te bepalen oneven aantal, doch tenminste drie leden, die uit hun midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester kiezen. 2. De penningmeester beheert de geldmiddelen der Stichting; overigens verdelen de bestuursleden onderling hun werkzaamheden. 3. Een bestuurslid defungeert door ontslag, bedanken of overlijden, indien hij onder curatele wordt gesteld, in een inrichting voor geestelijk gestoorden wordt geplaatst en voorts in het algemeen indien hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest. Jaarlijks in de maand januari treedt een van de bestuursleden volgens een door het bestuur op te maken rooster af, doch deze is steeds herbenoembaar. Een periodiek aftredend bestuurslid blijft echter in functie tot in zijn opvolging is voorzien. Een tussentijds benoemd bestuurslid neemt op het rooster van aftreding de plaats in van degene in wiens plaats hij is benoemd. 4. De bestuursleden worden benoemd en ontslagen door het bestuur met een meerderheid van twee/derde van het aantal geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin tenminste twee/derde van het aantal bestuursleden aanwezig is. 5. Indien het aantal bestuursleden beneden het in dit artikel bedoelde aantal bestuursleden mocht dalen, berust het gehele bestuur van de Stichting bij het (de) overige bestuurslid (bestuursleden), onder verplichting om binnen zes maanden in de ontstane vacature(s) te voorzien. 6. Indien binnen de gestelde termijn geen voorziening in de vacature(s) heeft plaatsgevonden, zal zulks geschieden door de Kantonrechter te 's-Gravenhage op verzoek van de meest gerede partij onverminderd de bevoegdheid van het openbaar ministerie zodanige benoeming te vorderen. 7. Tot uitbreiding van het aantal bestuursleden kan slechts worden besloten met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig zijn. 8. Een besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurslid behoeft gedurende het leven van de heer en/of mevrouw [X], voornoemd, om van kracht te zijn de goedkeuring van [X], voornoemde, of bij diens belet of ontstentenis In alle gevallen, waarin deze statuten of het huishoudelijk reglement niet voorzien, beslist het bestuur. Ten slotte verklaarde de comparant, dat in afwijking van artikel 4, wat de wijze van benoeming betreft, voor de eerste maal tot bestuursleden worden benoemd: 1. [A], voornoemd, als voorzitter van het bestuur; 2. [D], verfdeskundige, wonende te [S], [b-straat 1], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd veertien, als secretaris van het bestuur; 3. [E], accountant, wonende te [T], [c-straat 1], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd zes, als penningmeester van het bestuur "". Bij onderhandse akte van 27 december 1971 is voorts tussen belanghebbende enerzijds en de stichting anderzijds een overeenkomst gesloten, waarvan de inhoud, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt: overwegende : dat de Stichting ten doel heeft de behartiging van de belangen van de Familie [X]; dat [X] zijn bestaande oudedags- en weduwenvoorzieningen voor zich, zijn echtgenote en eventueel zijn kinderen wenst uit te breiden en aan te passen aan de zich steeds wijzigende maatschappelijke opvattingen rond oudedagsvoorzieningen enerzijds en voortdurende inflatie anderzijds; verklaren te zijn overeengekomen als volgt: Artikel 1. Partijen sluiten een overeenkomst van lijfrente, krachtens welke de Stichting zich verplicht te zullen voldoen een lijfrente per jaar ad vierhonderd acht gulden (f 408, --) aan de begunstigden, vervallende in kwartaaltermijnen op de eerste dag van ieder kwartaal, voor het eerst op de eerste dag van het kwartaal volgende op het bereiken van de acht en vijftig jarige leeftijd van [X], mits de begunstigde(n) de vervaldatum beleeft (beleven) en eindigende bij het overlijden van de begunstigde(n) en welke lijfrente bij deze door de begunstigde onherroepelijk wordt aanvaard, tegen betaling per de ondertekening van deze akte van een premie ineens ad vijfduizend gulden (f 5.000, -- ). Artikel 2. De Stichting verplicht zich de uit te keren lijfrente te zullen voldoen in kwartaal-termijnen bij vooruitbetaling, op de eerste dag van ieder kwartaal, voor het eerst op de dag volgende op het moment waarop het recht op de uitkering ontstaat. Artikel 3. De begunstigden zijn, respectievelijk de begunstiging luidt: a) ingeval van overlijden van [X] voor het bereiken van de acht en vijftig jarige leeftijd, verbindt de Stichting zich aan een lijfrente ad vierhonderd acht gulden per jaar te zullen betalen aan mevrouw [X], geboren op [geboortedatum] negentienhonderd drie en twintig gedurende haar leven en mitsdien eindigende bij haar overlijden en ingaande per de eerste dag van het kwartaal volgende op het moment waarop [X] de acht en vijftig jarige leeftijd zou hebben bereikt; b) ingeval [X] op zijn acht en vijftigste jaar in leven mocht zijn, verbindt de Stichting zich hem en na zijn overlijden zijn echtgenote mevrouw [X] voornoemd, zo die alsdan nog in leven mocht zijn, een lijfrente te betalen ad vierhonderd acht gulden per jaar en eindigende aldus bij het overlijden van de langstlevende van de heer en mevrouw [X]; c) ingeval de heer en mevrouw [X] op het moment waarop [X] acht en vijftig jaar zou zijn geworden beiden zijn voor-overleden verbindt de Stichting zich een lijfrente te betalen ad éénhonderd twee gulden per jaar aan elk van de uit hun huwelijk geboren kinderen tot het moment waarop zij vijf en twintig jaar zijn geworden, een en ander voor zover de financiële middelen van de Stichting toereikend zijn. Artikel 4. De Stichting is gerechtigd en verbindt zich de hiervoor genoemde lijfrente-uitkering te verhogen bij wijze van winstdeling ten gunste van de lijfrente-genieter(s) indien de met de gestorte premies behaalde beleggingsresultaten of het vermogen van de Stichting daartoe ruimte bieden, waarbij rekening kan worden gehouden met de omstandigheid, dat de Stichting geen winst beoogt te maken. De mate van verhoging wordt uitsluitend bepaald door het bestuur van de Stichting. Artikel 5. De rechten uit deze overeenkomst zijn niet Voor het geval geoordeeld moet worden dat voormelde overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst van lijfrente, als bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet en dat de overeenkomst, om wel als zodanig te worden beschouwd, op bepaalde punten wijziging behoeft, bepaalt artikel 5 dat deze wijzigingen dan vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst een onderdeel van deze overeenkomst vormen."; dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: dat de door [A] - kennelijk op verzoek van belanghebbende - in het leven geroepen stichting ten doel heeft de behartiging van de belangen van belanghebbende, zijn echtgenote en hun afstammelingen in de rechte nederdalende linie; dat belanghebbende op de dag van oprichting der stichting met deze een overeenkomst heeft gesloten, waarbij de stichting zich verplichtte om als tegenprestatie tegen de betaling door belanghebbende van een bedrag van f 5.000, -- te zullen voldoen een - op 1 april 1977 ingaande - lijfrente aan belanghebbende, casu quo zijn echtgenote, respectievelijk zijn kinderen, tot bedragen en op de wijze als in de - onder de feiten geciteerde - overeenkomst is omschreven; dat bij de oprichting der stichting tot haar bestuursleden zijn benoemd een drietal kennissen van belanghebbende - waaronder de oprichter -, die voor de door hen als zodanig te verrichten werkzaamheden geen beloning genieten; dat blijkens de statuten voor besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders, alsmede tot wijziging van de statuten en opheffing van de stichting de goedkeuring van belanghebbende of, bij diens belet of ontstentenis, van diens echtgenote vereist is; dat bij opheffing der stichting een eventueel batig saldo zal worden aangewend voor een doel in Nederland, zoveel mogelijk overeenkomende met dat van de stichting; dat het Hof uit het samenstel van deze bepalingen waaruit onder meer blijkt dat in de stichting geen aan belanghebbende onwelgevallige bestuursleden kunnen worden benoemd, tezamen met het feit, dat de bij de oprichting benoemde bestuursleden kennissen van belanghebbende zijn, die bereid blijken hun werkzaamheden ongehonoreerd te verrichten en die geen enkel reëel belang hebben de hun door belanghebbende te verstrekken aanwijzingen niet uit te voeren, alsmede dat de stichting uitsluitend de behartiging van de belangen van belanghebbende en zijn naaste familie ten doel heeft, tot de overtuiging is gekomen dat belanghebbende in feite de macht in de stichting heeft; dat hieruit voortvloeit dat het geheel van de bepalingen van de statuten en van de door belanghebbende met de stichting gesloten overeenkomst niet in voldoende mate waarborgt, dat lijfrenten aan belanghebbende of zijn echtgenote zullen worden uitgekeerd in de gevallen waarin daarop recht zou bestaan; dat het bij de aanwezige verhoudingen in werkelijkheid van de wil van belanghebbende en na diens overlijden, van de wil van zijn echtgenote, afhankelijk zal zijn of uitkeringen van lijfrente-termijnen of afkoopsommen zullen geschieden; dat onder deze omstandigheden het door belanghebbende aan de stichting betaalde bedrag van f 5.000, -- niet kan worden aangemerkt als een premie voor lijfrente als bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet; dat derhalve het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond is; "; dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende tegen 's Hofs uitspraak de volgende middelen van cassatie aanvoert: "schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, daar de overwegingen in strijd zijn met de vastgestelde feiten; subsidiair a. schending van artikel 45, lid 1, letter d, in verband met artikel 25, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, daar aftrek van de koopsom als persoonlijke verplichting geweigerd is terwijl vaststond dat voor de koopsom aanspraken op een of meer jaarlijkse uitkeringen verkregen werden, b. schending van artikel 25, lid 5, in verband met artikel 32,