Rechtspraak Hoge Raad 1973-02-07
ECLI:NL:HR:1973:4
7 februari 1973. Nr. 16.886 Jb. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof aldaar van 29 februari 1972 betreffende een hem voor het jaar 1970 opgelegde aanslag ter zake van precariorechten van de gemeente 's-Gravenhage; Gehoord de advocaten van partijen; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende blijkens op 15 april 1971 gedagtekend aanslagbiljet voor het jaar 1970 is aangeslagen ter zake van door de gemeente 's-Gravenhage geheven precariorechten naar een afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof van 154.627 liter met vaststelling van het bedrag der belasting op f 773,50; Overwegende dat belanghebbende hiertegen bezwaar heeft gemaakt bij de directeur der Gemeentebelastingen te 's-Gravenhage, die het bezwaar heeft verworpen, waarna belanghebbende in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat de Verordening op de heffing en invordering van retributies en precariorechten (Precario-verordening 1962) van de gemeente 's-Gravenhage, zoals deze luidde voor het jaar 1970, voor zover te dezen van belang, de volgende bepalingen bevat: "Artikel 1. Onder de naam van retributies en precariorechten worden rechten geheven, overeenkomstig hetgeen in die volgende artikelen is bepaald, voor: a. enzovoorts c. het hebben van voorwerpen of werken onder, op of boven gemeentegrond of -water, voor de openbare dienst bestemd. Artikel 2. 1. De rechten zijn verschuldigd door degene: a. enzovoorts c. van wie, dan wel ten behoeve van wie, voorwerpen of werken worden aangetroffen, onder, op of boven gemeentegrond of -water, voor de openbare dienst bestemd. 2. enzovoorts. Artikel 17. Voor een installatie voor de levering van benzine of andere motorbrandstoffen, olie, lucht of water is verschuldigd: 1. voor elke afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof van 100 liter f 0,50, vermeerderd met een bedrag van f 100, -- per vast aftappunt (met toebehoren) voor motorbrandstof per jaar. 2. enzovoorts."; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangenomen: "De belanghebbende had gedurende het gehele belastingjaar op openbare gemeentegrond gelegen voor het perceel Juliana van Stolberglaan 220/226 - een voor het openbaar verkeer openstaande straat - een installatie voor de aflevering van motorbrandstoffen. De aanslag is opgelegd in overeenstemming met de door de belanghebbende gedane aangifte en omtrent de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof, naar welke de aanslag is geregeld, bestaat tussen de partijen dan ook geen geschil, Ter zake van het vaste bedrag per vast aftappunt is een afzonderlijke aanslag opgelegd, die thans niet aan de orde is."; Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende als volgt heeft weergegeven: "De belanghebbende is van mening, dat de onderwerpelijke aanslag hem niet had mogen zijn opgelegd, omdat de bepalingen waarop zij berust niet verbindend zouden zijn wegens strijd met de gemeentewet, terwijl bovendien de Koninklijke goedkeuring van de verordening rechtsgeldigheid zou ontberen. Ter adstructie van deze zienswijze heeft de belanghebbende primair doen aanvoeren dat de Gemeente - door het opnemen van de ter zake betrekkelijke voorzieningen in haar Precarioverordening 1962 - weliswaar de schijn heeft gewekt dat zij ter zake van het hebben van een installatie voor het leveren van motorbrandstoffen onder, op of boven openbare gemeentegrond een precariorecht, een heffing dus als bedoeld in artikel 275, derde lid, van de gemeentewet (zoals deze luidde vóór de Wet van 24 december 1970, Staatsblad nummer 608), heft, doch dat in werkelijkheid deze belasting een geheel ander karakter bezit, namelijk dat van een accijns, zijnde een belasting welke een gemeente niet mag heffen. Subsidiair heeft belanghebbendes gemachtigde betoogd dat de maatstaf waarnaar het recht wordt geheven niet met de bepalingen van de gemeentewet in overeenstemming te brengen zou zijn en meer subsidiair dat de ter zake betrekkelijke bepalingen van de verordening zouden leiden tot e Dat artikel 17 junctis de artikelen 1 en 2 zou leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing, vermag het Hof niet in te zien. Dat in de heffing van het precariorecht een zekere mate van progressie is gebracht naar gelang van de hoeveelheid brandstof, welke door middel van een installatie wordt geleverd, acht het Hof geenszins onredelijk en willekeurig is het evenmin. Volledigheidshalve wil het Hof nog opmerken, dat de onderwerpelijke heffing ook niet in strijd is met het bepaalde in het eerste lid van artikel 20 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, vermits te dezen geen belasting wordt geheven ter zake van het gebruik van de openbare weg met motorrijtuigen, doch ter zake van iets anders. Belanghebbendes grieven kunnen hem derhalve niet baten."; Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de directeur der Gemeentebelastingen heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende in cassatie klaagt over schending dan wel verkeerde toepassing van de artikelen 274 (oud), 275, eerste lid (oud), dan wel artikel 275, derde lid (oud), artikel 277 (oud), artikel 287, eerste lid (oud), dan wel artikel 287, tweede lid (oud) der gemeentewet, en artikel 277 (1), letter b, ten eerste, dan wel artikel 277 (1), letter b, ten derde, en artikel 279 der gemeentewet, artikel 2 van de Wet van 7 juli 1865 (Stb.79), alsmede van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, waartoe hij aanvoert: "Ten eerste: Het Hof heeft op onjuiste respectievelijk onbegrijpelijke gronden beslist dat de primaire stelling van belanghebbende dat materieel sprake is van de heffing van accijns moet worden verworpen door te beslissen dat een kenmerk van accijns, te weten dat de heffing tot de kostprijsverhogende belastingen behoort, ontbreekt en dat geen goederen onderworpen zijn maar personen. De onderhavige precariorechten zowel als accijnzen, waaronder de accijnzen en minerale oliën (waaronder benzine is begrepen; Wet van 25 juni 1964, Stb.207), worden beide echter geheven op feiten en goederen. De personen, die de heffing moeten afdragen respectievelijk worden aangeslagen, zijn slechts om belastingtechnische redenen als belastingplichtige voor deze zakelijke heffingen aangemerkt. Het Hof had moeten onderzoeken of materieel inderdaad van een accijns sprake is, daar onbetwist het belangrijkste feit van accijnsheffing, te weten proportionele heffing over goederenomzet, vaststond en er geen formele accijnsdefinitie bestaat. Ook in de literatuur en jurisprudentie komt niet duidelijk naar voren wat een accijns is (zie onder andere Treub: ""Ontwikkeling en verband van de Rijks-, Provinciale en Gemeentebelastingen in Nederland"", 1885; "Over accijnzen", J. v.d. Poel, 1927; "Over accijnzen", J. Reugenbrink, 1967, in de Smeetsbundel; Hoge Raad 14 juni 1926, Weekblad voor het Recht, nummer 11556). Niettemin kan worden gesteld dat een accijns een kostprijsverhogende belasting op specifieke verbruiksgoederen is die zakelijk moet werken en in de verkoopprijs van het goed, waar mogelijk, zal worden doorberekend. De onderhavige heffing vertoont alle kenmerken hiervan. Het Hof had bij zijn oordeel onder meer in aanmerking moeten nemen dat de heffing geschiedt naar dezelfde maatstaf als de accijns op minerale oliën, namelijk per 100 liter, en dat de hoogte van de heffing reeds een zodanige is dat van een doorberekening aan de afnemer sprake zal zijn indien de omstandigheden zulks mogelijk zouden hebben gemaakt. Bij een gemeentelijke accijnsheffing is, zoals in het beroepschrift is betoogd, zulks, gezien de landelijke verhoudingen, veelal niet mogelijk. Dit was een omstandigheid die reeds in 1865 aanleiding gaf tot een verbod van gemeentelijke accijnsheffing (zie artikel 2 van de Wet van 7 juli 1865, Stb.79). Ook het Rijk gaat een speciale belasting heffen die doorberekend mag worden voor een bepaald doel, te weten de maatregelen tegen luchtverontreiniging. Deze heffing, die slechts 60% van de litigieuze heffing zal bedragen, namelijk 30