Rechtspraak Hoge Raad 1973-11-13
ECLI:NL:HR:1973:2
13 november 1973 Nr. 67142 W.D.R. De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930, van beroep directeur, wonende te [woonplaats] , gedetineerd, rekwirant van cassatie tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 31 augustus 1973, voor zover daarbij de uitlevering van rekwirant aan Groot-Brittannië toelaatbaar is verklaard terzake van het in die uitspraak omschreven feit en de overgave van de daarin aangeduide inbeslaggenomen goederen aan de bevoegde autoriteiten van Groot-Brittannië is bevolen; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal van de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens de rekwirant voorgesteld bij schriftuur en toegelicht bij pleidooi, luidende: ‘’1. Verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven en/of schending van het recht een en ander inzonderheid met betrekking tot de rechtsregel neergelegd in artikel 29 der uitleveringswet in verband met het Wetboek van Strafvordering op grond van het navolgende: Uit het proces-verbaal van het in deze zaak voorgevallene ter terechtzitting van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, Vakantiekamer, van 31 augustus 1973 onder meer inhoudende de uitspraak dezer Rechtbank, blijkt niet, dat deze uitspraak is geschied in een openbare zitting der Rechtbank, zodat het ervoor gehouden moet worden dat zulks niet is geschied, hetgeen nietigheid ten gevolge heeft. 2. verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven en/of schending van het recht een en ander inzonderheid met betrekking tot het voorschrift van artikel 29 der Uitleveringswet en het daarbij van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 297 van het Wetboek van Strafvordering op grond van het navolgende: Krachtens het vijfde lid van laatstgenoemde bepaling, gelezen in verband met het bepaalde bij artikel 29 der Uitleveringswet, wordt ten bezware van de opgeëiste persoon op straffe van nietigheid op gene stukken acht geslagen dan voorzover zij zijn voorgelezen of hun korte inhoud overeenkomstig het vierde lid van artikel 297 van het Wetboek van Strafvordering is medegedeeld. Een en ander dient ter terechtzitting te geschieden gelijk uit voormelde wetsbepalingen volgt. Blijkens de uitspraak heeft de Rechtbank ten bezware van de opgeëiste persoon acht geslagen op de inhoud van de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken en meer in het bijzonder op de daarin vermelde beëindigde opgaven van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] , alsook op de daarbij gevoegde verklaring van de arts [betrokkene 1] . Uit het proces-verbaal van de terechtzitting der Rechtbank blijkt echter niet, dat deze door de Rechtbank bedoelde stukken aldaar zijn voorgelezen op hun korte inhoud – overeenkomstig lid 4 van artikel 297 van het Wetboek van Strafvordering – ter zitting is medegedeeld. Dit verzuim leidt tot nietigheid. 3. verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid medebrengt en/of schending van het recht inzonderheid van de rechtsregel neergelegd in de artikelen 18 lid 3 onder c en 28 van Uitleveringswet, omdat het uitleveringsverzoek niet is vergezeld van de tekst van het in deze toepasselijke rechtsvoorschrift. Weliswaar bevindt zich bij de stukken een verklaring van de deskundige G.J. Adams betreffende de inhoud van het rechtsvoorschrift van Section 18 of the offences Against the Person Act 1861, genoemd in Information 1 gevoegd bij het uitleveringsverzoek, maar het blijkt niet dat deze verklaring met de letterlijke tekst van laatstgenoemde bepaling overeenstemt. Op deze grond had de Rechtbank het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar moeten verklaren. 4. verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt en/of schending van het recht inzon De Rechtbank oordeelt verder, dat er voldoende bewijs voor uitlevering zou zijn voor verwonding met voorbedachte rade, welke omschrijving echter niet overeenstemt met de inhoud van het voormelde uitleveringsverzoek en arrestatiebevel, omdat daarin sprake is van “wounding tot intent to cause grievous bodily harm’’, waaruit volgt, dat de in de aanvang van dit middel weergegeven oordeelvelling t.w. de toelaatbaarheid der uitlevering vitieert. b. Voorts is onjuist het oordeel der Rechtbank, dat “wouding with intent to cause grievous bodily harm’’ zou overeenstemmen met de delictsomschrijving in de nederlandse tekst van artikel II sub 4 van het verdrag als verwonding met voorbedachten rade. 7. schending van het recht inzonderheid van artikel XIII van het in het vijfde middel vermelde verdrag op grond van het navolgende. De bepaling van artikel XIII van het hier toepasselijke verdrag dat de uitlevering geen plaats zal vinden tenzij er voldoende bewijs bestaat volgens de wetten van de Staat, aan welke de uitlevering is aangevraagd, om een verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen, indien het misdrijf zou zijn gepleegd binnen het grondgebied van de bedoelde staat, sluit niet uit dat in het onderhavige geval had behoren te worden onderzocht wat krachtens het engelse recht als voldoende in de zin van bovenbedoelde verdragsbepaling bewijs kan gelden, waarna vervolgens toetsing zou hebben kunnen plaatsvinden naar nederlands recht of het toegelaten bewijs, ware het in een nederlandse rechtzaakvoorhanden, voor de rechter voldoend zou zijn om tot verwijzing naar de openbare terechtzitting te besluiten. Onjuist is daarom het oordeel der Rechtbank, dat buiten beschouwing kan blijven de vraag naar de toelaatbaarheid van de door de Rechtbank aangehaalde getuigenverklaringen als bewijsmiddelen naar engels recht. 8. Verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt en/of schending van het recht bepaaldelijk van de bepaling van artikel XIII van het hierboven bedoelde verdrag, op grond van het volgende: De overweging, dat de Rechtbank aanneemt dat [getuige 1] dezelfde persoon is als de persoon die zich volgens de stukken noemde [naam] , steunt mede op de door de Rechtbank vastgestelde omstandigheid, dat ‘’zulks ter terechtzitting door de verdediging ook niet is betwist’’. Deze omstandigheid kan echter het bovenomschreven oordeel der Rechtbank niet dragen, omdat het ter terechtzitting niet betwisten door raadslieden van de identiteit van [naam] met [getuige 1] geen enkel bewijs voor deze identiteit vermag op te leveren’’; Mede gelet op het bij voormelde schriftuur namens rekwirant gedaan verzoek, dat de Hoge Raad bij zijn beslissing krachtens de bepaling van artikel 37 onder a der Uitleveringswet de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon zal beëindigen; Gehoord de Procureur-Generaal in zijn conclusie hiertoe strekkende, dat de Hoge Raad de bestreden beslissing zowel wat betreft de toelaatbaarheid van de uitlevering als wat betreft de inbeslaggenomen zaken zal vernietigen en een dag zal bepalen voor een nieuw verhoor van de opgeëiste persoon. Overwegende omtrent het eerste middel: dat blijkens het proces-verbaal der terechtzitting van de Rechtbank van 17 augustus 1973 het onderzoek in de zaak is geschied ter openbare terechtzitting; dat in de mede door na te noemen voorzitter en griffier ondertekende schriftelijke uitspraak der Rechtbank is vermeld, dat deze is gedaan door onder meer mr. J.A. Schröeder als voorzitter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 1973 in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans als griffier; dat de eerste zin van het door evengenoemden ondertekende proces-verbaal der terechtzitting van de Rechtbank van 31 augustus 1973 – uit welk proces-verbaal blijkt, dat de uitspraak inderdaad heeft plaats gehad op deze terechtzitting en in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans als griffier – luidt als volgt: ‘’Proces-verbaal van 1, door meerdere personen tezamen is mishandeld, waarbij onder meer vier met een mes toegebrachte verwondingen opliep; - dat deze mishandeling plaats vond ter uitvoering van het voornemen van de opgeëiste persoon om [getuige 1] voornoemd een afstraffing te geven omdat hij relaties onderhield of had onderhouden met de echtgenote van de opgeëiste persoon; - dat terwijl de mishandeling plaats vond de opgeëiste persoon zelf in de toiletruimte aanwezig was, tezamen met in ieder geval één en mogelijk twee of meer andere personen; - dat de andere bij de mishandeling betrokken persoon of personen in dienst zijn van, althans werken voor de opgeëiste persoon; - dat het mes is gehanteerd door [betrokkene 2] , die, naar de getuigen die hem kennen en zeggen te weten, altijd een mes bij zich pleegt te dragen en dit ook gebruikt; dat het opzettelijk verwonden met een mes bij de uitvoering van het voornemen het slachtoffer af te straffen, terwijl een van de (mede)daders een mes pleegt te dragen en ook wel te gebruiken, terwijl dat aan de andere (mede)daders bekend is, gekwalificeerd kan worden als het tezamen en in vereniging verwonden met de opzet zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; dat uit het voorgaande volgt dat voldoende bewijs in de zin van artikel XIII van genoemd verdrag bestaat van het (mede)plegen door de opgeëiste persoon van het in het bevelschrift van gevangenneming onder 1 omschreven feit’’; dat uit het proces-verbaal der terechtzitting van de Rechtbank niet blijkt, dat aldaar van de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken – meer in het bijzonder voor zover deze de door de Rechtbank vermelde beëdigde opgaven en verklaring inhouden – voorlezing is gedaan dan wel de korte inhoud is medegedeeld, zodat het ervoor moet worden gehouden, dat noch het een noch het ander is geschied; dat de Rechtbank door niettemin op grond van die stukken aan te nemen, dat voldoende bewijs in de zin van artikel XIII van hoger vermeld verdrag bestaat van het (mede)plegen door de opgeëiste persoon van het in het bevelschrift van gevangenneming onder 1 omschreven feit en vervolgens terzake van dat feit de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Groot-Brittannië toelaatbaar te verklaren, ten bezware van rekwirant op die stukken acht heeft geslagen in strijd met het bij artikel 297, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering gegeven voorschrift, dat ingevolge artikel 29 van de Uitleveringswet ten deze overeenkomstige toepassing behoort te vinden; dat derhalve het middel gegrond is en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, zodat de overige middelen geen bespreking behoeven; overwegende dat de Hoge Raad na vernietiging van de uitspraak, ingevolge het bepaalde bij artikel 31, lid 4, van de Uitleveringswet zal hebben te doen wat de Rechtbank had behoren te doen; Overwegende dat in verband daarmede de rekwirant behoort te worden opgeroepen teneinde omtrent het verzoek tot uitlevering opnieuw te worden gehoord; Overwegende tenslotte met betrekking tot het verzoek tot het doen beëindigen van de vrijheidsbeneming van rekwirant, dat de Hoge Raad tot inwilliging daarvan geen gronden aanwezig acht en integendeel op grond van gevaar voor vlucht van de hier te lande geen vaste woon- of verblijfplaat hebbende rekwirant de voortduring van diens gevangenneming geboden acht; Vernietigd de bestreden uitspraak voor zover daartegen beroep in cassatie is ingesteld; Beveelt dat rekwirant zal worden opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van dinsdag 27 november 1973 te 11.30 uur, teneinde te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering, hem medegedeeld bij de hem op 6 juli 1973 betekende vordering van de Officier van Justitie in het Arrondissement Amsterdam; Wijst het verzoek tot het doen beëindigen van de vrijheidsbeneming van rekwirant van de hand. Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Kazemier, Vice-President, Vroom, Fikkert, van der Ven en Enschedé, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arre