Rechtspraak Hoge Raad 1972-03-08
ECLI:NL:HR:1972:AY4442
8 maart 1972. Nr. 16.701 Jb. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] (Westfalen) tegen de uitspraak van de Tariefcommissie van 21 juni 1971 betreffende de heffing van omzetbelasting ter zake van invoer van goederen, door belanghebbende ten invoer aangegeven op 8 april 1969; Gezien de stukken; Overwegende dat van belanghebbende omzetbelasting is geheven ten bedrage van f 57,60, naar het tarief van 12 percent, ter zake van invoer van goederen, door belanghebbende ten invoer aangegeven op 8 april 1969, omschreven als: 170 stuks Modeboeken - grondmodel - Voorjaar/Zomer en Kinderuitgave, factuurwaarde f 480, --; Overwegende dat op het bezwaar van belanghebbende de Inspecteur heeft overwogen: "dat uit ter zake uitgebrachte ambtsberichten en het overgelegde monster blijkt, dat zijn ingevoerd goederen, welke modellen bevatten van dames- en kinderkleding, met vermelding van maten en andere afmetingen; dat de onderwerpelijke uitgave "Frohne Modelle", blijkens het overgelegde monster handelende over modellen voor dames- en kinderkleding, naast genummerde afbeeldingen met tekst ook verkleinde patronen daarvan bevat; dat de uitgave erop is gericht om met behulp van een door de uitgever Gustav Frohne te leveren pantograaf knippatronen op werkelijke grootte te vervaardigen; dat deze genummerde en gedateerde uitgaven, welke halfjaarlijks verschijnen, zijn -gezien de toelichting op post 49.02 - aan te merken als tijdschriften bedoeld bij post 49.02 van het tarief van invoerrechten (invoerrecht 0%) ; dat het mapje "Frohne Grundmodelle" inhoudende losse vellen, welke met dezelfde bijzonderheden zijn bedrukt als de tijdschriften en hetwelk als uitbreiding daaraan wordt toegevoegd, de indeling van de tijdschriften dient te volgen; dat naar de tekst van post a. 30 van tabel I, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 ook voor tijdschriften de eis geldt, dat zij tenminste 3 maal per jaar periodiek verschijnen; dat de onderwerpelijke tijdschriften blijkens het opschrift tweemaal per jaar periodiek verschijnen en derhalve zijn onderworpen aan 12% omzetbelasting; dat derhalve tot het juiste bedrag belasting is geheven; "; Overwegende dat de Inspecteur op deze gronden het bezwaar van belanghebbende ongegrond heeft verklaard; Overwegende dat belanghebbende van de uitspraak van de Inspecteur in beroep is gekomen bij de Tariefcommissie; Overwegende dat de Tariefcommissie de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: "dat belanghebbende heeft aangevoerd: dat zij uitdrukkelijk ontkent, dat de onderhavige modeboeken - zijnde vakbladen - uitsluitend zouden dienen voor verwerking met de door Gustav Frohne & Co. K.G. te Schotmar/Lippe in de handel gebrachte pantograaf, zoals de Inspecteur stelt; dat zij daartoe ter oriëntatie een exemplaar van het door de Italiaanse uitgever Pieroni te Milaan uitgegeven modeblad "Elegantissima" bijvoegt, welk blad tot 1965 door C.V. [A] werd geïmporteerd en thans door N.V. [B] te [Q]; dat de patronen uit voormeld blad uitstekend geschikt zijn voor verwerking met de Frohne- of enige andere pantograaf; dat ook uit andere uitgaven als Burda, Neue Mode, Madeleine, Marion, enzovoort patronen kunnen worden verwerkt met de Frohne-pantograaf (zie handleiding C.V. [A]); dat Frohne "Grundmodelle" geen aanvulling zijn van de modebladen, maar apart worden aangeboden; dat de kwalificatie "tijdschriften" niet opgaat, daar immers tijdschriften worden gekenmerkt door redactionele tekst, advertenties, wetenswaardigheden op algemeen niveau zowel actueel als historisch, die in de Frohne-uitgaven juist geheel ontbreken; dat de Frohne- uitgaven zich uitsluitend beperken tot vakboeken en onder andere worden gebruikt door kleermakers, die géén pantograaf bezitten; dat de pantograaf, ook de Frohne-pantograaf, mede wordt gebezigd voor bijvoorbeeld reclame-ontwerpen en andere te vergroten of te verkleinen tekeningen; dat in Duitsland de Frohne-uitgaven ingedeeld worden onder post 49.02, waarbij , als uitbreiding aan de tijdschriften wordt toegevoegd; dat blijkens een Avis de classement van de Internationale Douaneraad (aangehaald in tarifering 3 op post 49.02), afzonderlijk ingevoerde pagina's, welke zijn bedrukt met tekst en illustraties en welke kennelijk delen zijn van tijdschriften, eveneens onder post 49.02 moeten worden gerangschikt, indien de tekst en de illustraties hoofdzakelijk niet zijn bedoeld voor het maken van reclame; dat derhalve de onderhavige mapjes eveneens onder post 49.02 zijn ingedeeld; dat belanghebbende hiertegen in haar beroepschrift aanvoert, dat deze mapjes geen aanvulling zijn, doch apart worden aangeboden; dat gezien het feit, dat de mapjes dezelfde naam - Frohne - dragen als de modetijdschriften en daarmede tegelijkertijd worden ingevoerd, aangenomen moet worden, dat zij in het algemeen als aanvulling van de tijdschriften dienen, doch zelfs als dat niet het geval zou zijn, dan zulks toch niet zou leiden tot een indeling als "boeken" onder post 49.01 en post 30 van tabel I, onderdeel a, doch tot een aanmerken als "ander drukwerk" in de zin van post 49.11, hetgeen een heffing van de normale twaalf procent omzetbelasting bij invoer ten gevolge zou hebben, tenzij de verschijning tenminste driemaal per jaar zou geschieden, hetgeen blijkens het hierna vermelde niet het geval is; dat uitgaande van het standpunt, dat de ingevoerde goederen als tijdschriften moeten worden aangemerkt, nog dient te worden bezien, of zij onder het tweede deel van post 30 van onderdeel a van tabel I, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 vallen; dat dit onderdeel luidt: ""dagbladen, weekbladen, tijdschriften en andere tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnende uitgaven""; dat uit het woord "en" tussen de woorden "tijdschriften". en "andere" wel blijkt, dat de eis van het tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnen mede betrekking heeft op tijdschriften, hetgeen door belanghebbende ook niet wordt bestreden; dat belanghebbende in haar bezwaarschrift wel stelt, dat de ingevoerde artikelen tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnen; dat zij overigens daarbij erkent, dat op die tijdschriften is vermeld, dat zij halfjaarlijks verschijnen met een nadere aanduiding: voorjaar/zomer en herfst/winter, doch stelt, dat daardoor geen verandering zou worden gebracht in het driemaal per jaar verschijnen; dat enigerlei motivering van dit standpunt in het bezwaar- en beroepschrift niet is gegeven; dat bij een mondeling onderhoud met een van de ambtenaren van de belastingdienst belanghebbende heeft gesteld, dat zendingen van de onderhavige goederen tenminste driemaal per jaar worden ingevoerd, hetgeen naar haar mening zou betekenen, dat zij tenminste driemaal per jaar verschijnen; dat uiteraard hier slechts het aantal malen, dat de uitgave in verschillende vormen door de uitgever op de markt wordt gebracht, van belang is en niet het aantal malen, dat die goederen ten behoeve van de distributie in Nederland worden ingevoerd; dat om misverstand te vermijden hij van mening is dat de modebladen zowel voor de indeling in het tarief als voor de toepassing van de omzetbelasting als "tijdschriften" moeten worden aangemerkt; dat echter, om voor de verlaagde omzetbelasting van vier ten honderd in aanmerking te komen, zij tenminste driemaal per jaar periodiek moeten verschijnen; dat hij ten slotte nog wil ingaan op de tweede stelling in het beroepschrift van belanghebbende, waarin zij ontkent, dat, zoals dezerzijds gesteld zou zijn, de tijdschriften uitsluitend zouden dienen voor verwerking met de door Frohne in de handel gebruikte pantograaf; dat in de uitspraak op het bezwaarschrift echter geenszins is gesteld, dat de uitgaven uitsluitend (dat wil zeggen met uitsluiting van andere uitgaven) voor verwerking met de pantograaf dienen, doch dat zij erop gericht zijn om met de pantograaf knippatronen te vervaardigen; dat de stelling dat ook met andere uitgaven patronen kunnen worden verwerkt met de Frohne-pantograaf, d losse vellen""; dat post 49.01 blijkens de toelichting in algemene zin omvat alle artikelen van de boekhandel en andere gedrukte, al dan niet geïllustreerde artikelen, welke bestemd zijn om te worden gelezen en welke niet onder een andere post van hoofdstuk 49 meer specifiek zijn omschreven; dat volgens de toelichting de in post 49.02 onder meer genoemde tijdschriften, artikelen zijn, welke worden uitgegeven in een doorlopende reeks, onder éénzelfde titel en op regelmatige tijdstippen, en waarvan elk exemplaar is genummerd en gedateerd (ook door een eenvoudige vermelding van een periode van het jaar bijvoorbeeld "Lente 1959"); dat gelet op de hiervoren geciteerde toelichtingen de onderhavige bladen als modetijdschriften in post 49.02 meer specifiek zijn omschreven dan in post 49.01, zodat laatstgenoemde post toepassing mist; dat voorts in geschil is of de modetijdschriften behoren te delen in het verlaagde tarief van vier ten honderd van de waarde, vervat in post 30 van tabel I-a, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968; dat genoemde post luidt: ""boeken; dagbladen, weekbladen, tijdschriften en andere tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnende uitgaven""; dat alle onder genoemde post vallende geschriften, andere dan boeken, periodiek verschijnende uitgaven zijn, waarbij voor dag- en weekbladen geen nadere verschijningsaanduiding nodig is; dat echter voor de andere uitgaven, waaronder tijdschriften, welke als zodanig geen weekbladen zijn, de eis wordt gesteld dat zij tenminste driemaal per jaar moeten verschijnen; dat de Tariefcommissie derhalve de opvatting van de belanghebbende, dat tijdschriften te allen tijde onder post 30 van vorengenoemde tabel I-a zouden vallen en het tenminste driemaal per jaar verschijnen zou doelen op "andere uitgaven" niet kan volgen, aangezien de tijdschriften tot de andere uitgaven dan dag- en weekbladen dienen te worden gerekend; dat uitlegging van de tekst van de post in deze zin aansluit bij de geschiedenis van de omzetbelasting op boeken, tijdschriften en drukwerk, sedert het Besluit op de Omzetbelasting 1940; dat de wet de indeling onder voornoemde post 30 beperkt tot tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnende uitgaven, zodat de indeling onder deze post van de onderhavige modebladen, welke hieraan niet voldoen, terecht door de Inspecteur is geweigerd, waardoor is verschuldigd een omzetbelasting bij invoer van twaalf ten honderd van de waarde; dat de mapjes, bevattende losse vellen, welke op dezelfde wijze zijn uitgevoerd als de modebladen, geen delen van vorenbedoelde tijdschriften maar afzonderlijke artikelen zijn en als zodanig worden verhandeld; dat dergelijke mapjes als "ander drukwerk" onder post 49.11 dienen te worden ingedeeld, en mitsdien moeten worden belast met een omzetbelasting bij invoer van twaalf ten honderd van de waarde; dat in casu daargelaten kan worden dat zij door de Inspecteur als delen van minder dan driemaal per jaar verschijnende tijdschriften zijn aangemerkt, daar in beide gevallen een omzetbelasting bij invoer van twaalf ten honderd van de waarde is verschuldigd; dat, daar niet teveel is geheven, de uitspraak van de Inspecteur in stand dient te blijven en het beroep ongegrond is;"; Overwegende dat de Tariefcommissie op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende in cassatie als grieven aanvoert: "I. De Tariefcommissie is voorbijgegaan, althans heeft onvoldoende gemotiveerd, dat de onderhavige uitgaven geen boeken zouden zijn, blijkbaar de stelling van de Inspecteur overnemende, dat de bevestiging der bladen met hechtnietjes onvoldoende zou zijn om de onderhavige uitgaven als boeken aan te merken. Het periodiek verschijnen der uitgaven is vergelijkbaar met vervolg-romans, die krachtens de toelichting op post 30 van tabel I, letter a, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 onder het 4%-tarief worden gerangschikt; II. dat ingeval de onderhavige uitgaven als modetijdschriften moeten worden a