Rechtspraak Hoge Raad 1971-05-07
ECLI:NL:HR:1971:AB9763
7 mei 1971 Br. De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak nr. 10.481 van [eiser] , wonende te [woonplaats] in Zwitserland, eiser tot cassatie van een tussen hem en [A], rechtsvoorganger van verweerders in cassatie, gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 april 1970 onder rolnummer 145/68, vertegenwoordigd door Mr. C.D. van Boeschoten, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n 1. [verweerster 1] , weduwe van [A], wonende te [woonplaats], en 2. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats], enige erfgenamen van [A], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Berger, namens de Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het beroep met de veroordeling van eiser tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt: dat de rechtsvoorganger van verweerders in cassatie - verder te noemen [A] - bij exploot van 10 mei 1966 de eiser tot cassatie - [eiser] - heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam en zijn veroordeling heeft gevorderd tot betaling van f 141.680,48 met de wettelijke rente ad 5% 's jaars vanaf 4 september 1959, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot die der gehele voldoening, daartoe onder meer stellende: dat in 1955 tussen [eiser] en [betrokkene] een bijzondere maatschap is aangegaan, gevestigd te Utrecht en aldaar gedreven onder de naam "[B]", ten doel hebbende de waardevermeerdering te realiseren van een meerderheidspakket in het aandelenkapitaal van de te Amsterdam gevestigde naamloze vennootschap N.V. Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken; dat voornoemde [betrokkene] 99/100ste gedeelte van zijn aandeel in deze maatschap met goedvinden en medewerking van [eiser] aan [A] heeft overgedragen en [eiser] zich als beherend vennoot van deze maatschap bij acte van 10 oktober 1955 tegenover [A] heeft verplicht om aan deze uit te keren op het moment, dat de maatschap "[B]" een einde neemt, zoals dit in de oprichtingsacte van 8 augustus 1955 is geregeld, 99/100ste gedeelte van het oorspronkelijk aandeel van [betrokkene] onder aftrek van een nader bij acte van cessie van 8 augustus 1955 gespecificeerde vordering van [eiser] op [betrokkene]; dat blijkens de oprichtingsacte de bijzondere maatschap "[B]" onder andere zou eindigen door de volbrenging der handeling(en), welke het onderwerp der maatschap uitmaakt (uitmaken), in casu het realiseren der waardevermeerdering van voornoemd meerderheidspakket in het aandelen kapitaal van de N.V. Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken voornoemd, hetgeen is geschied doordat [eiser] dit aandelenpakket heeft verkocht; dat [eiser] als beherend vennoot van de bijzondere maatschap "[B]" bij de realisering van de waardevermeerdering van het aandelenpakket de rechtmatige belangen en rechten van [A] bij deze maatschap, welke door [eiser] bij de acte van 10 oktober 1955, waarbij [A] tot voormelde maatschap is toegetreden, zijn erkend, volkomen heeft genegeerd en verwaarloosd, zulks ten eigen voordele en wel door zich met behulp van een derde (Teixeira de Mattos) zekerheid te verschaffen voor de nakoming door [betrokkene] van zijn jegens [eiser] bestaande verplichtingen, welke geheel en al buiten de maatschap "[B]" stonden en daarmede geen enkel verband hielden en aan welke verplichtingen [betrokkene], die in juni 1959 in staat van faillissement is verklaard, naar [eiser] wist, althans kon weten, althans vermoedde, niet integraal zou hebben kunnen voldoen, indien [eiser] zich niet aldus zekerheid ten koste van [A] zou hebben verschaft; dat het [eiser] uit hoofde van zijn verplichtingen jegens [A] bij acte van 10 oktober 1955 aangegaan, niet vrijstond de aandelen aan [betrokkene] te verkopen voor een veel lagere prijs dan, naar [eiser] ten tijde der verkoop wist, althans kon weten althans hem bezwaarlijk kan zijn ontgaan, [betrokkene] mede dank zij door [eiser] geg g van laatstgenoemde datum af tot aan het tijdstip der uiteindelijke betaling; dat [A] ter toelichting van zijn eerste grief heeft betoogd, samengevat, dat de Rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd geen beslissing heeft gegeven aangaande de door [A] aan zijn vordering mede ten grondslag gelegde stelling dat [eiser] door te handelen gelijk hij heeft gedaan jegens [A] niet alleen wanprestatie, doch tevens een onrechtmatige daad heeft gepleegd; dat [A] ter toelichting van zijn tweede grief deze stelling nader heeft ontwikkeld, hebbende [eiser] die stelling evenwel gemotiveerd bestreden; dat de Rechtbank ter zake van de door [A] gevorderde compensatoire interessen heeft overwogen: "De Rechtbank acht deze vordering niet toewijsbaar. De door [A] gevorderde hoofdsom der schadevergoeding komt in de plaats van het bedrag, hetwelk [A] volgens zijn gedachtengang terstond bij de afrekening door [eiser] had moeten ontvangen. Het gaat hier dus om een vertraging in de uitvoering der verbintenis, waarvoor slechts moratoire interest geldt."; dat de op [eiser] rustende verbintenis, bij de uitvoering waarvan hij jegens [A] wanprestatie heeft gepleegd, niet in de zin van artikel 1286, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek alleen betrekkelijk was tot de betaling van een zekere geldsom, doch strekte tot het realiseren van de waardevermeerdering van het litigieuze aandelenpakket, en dat bedoelde wanprestatie van [eiser] bestond uit het niet behoorlijk nakomen van die verbintenis - te weten doordat [eiser] niet op genoegzame wijze de te realiseren waardevermeerdering heeft bewerkstelligd - en niet uit vertraging in de uitvoering dier verbintenis; dat ter zake van de vergoeding der door [eiser]'s wanprestatie ten laste van [A] veroorzaakte renteschade evengenoemd wetsartikel mitsdien toepassing mist; dat voor toewijzing aan [A] van de door deze gevorderde compensatoire interessen grond bestaat indien [eiser] als gevolg van zijn wanprestatie ten laste van [A] rechtens schade heeft veroorzaakt, niet alleen bestaande in het voormelde bedrag van f 141.680,48, doch tevens in het ontgaan aan [A] van een vruchtdragend vermogensdeel, onderscheidenlijk in de noodzaak voor [A] tot vervanging van het hem ontgane met opoffering van andere vermogensdelen, waarvan hij dientengevolge de vruchten heeft gemist; dat het Hof het door [A] dienaangaande zo in prima als in deze instantie gestelde aldus opvat dat bedoelde wanprestatie hem gedurende het tijdvak van 4 september 1959 tot 10 mei 1966, terwijl hij alstoen bankier was en een vermogend man, metterdaad - onder meer - zodanige schade heeft veroorzaakt en wel ten belope van 54% per jaar over een vermogensdeel ter grootte van de door hem ten gevolge van die wanprestatie daarnevens geleden schade ad f 141.680,48, mitsdien tot een bedrag van f 51.949,33; dat [eiser] ter gelegenheid van de gehouden pleidooien heeft doen verklaren de juistheid van deze stelling op zichzelf niet langer te betwisten; dat de Rechtbank de door [A] gevorderde compensatoire interessen mitsdien ten onrechte niet aan deze heeft toegewezen, weshalve toewijzing alsnog, met vernietiging in zoverre van het vonnis waarvan beroep, behoort te geschieden, en wel in dier voege dat [eiser] dient te worden veroordeeld tot betaling aan [A] van f 141.680,48 vermeerderd met f 51.949,33, ofwel in totaal van f 193.629,81 alsmede van de wettelijke interessen over dit laatste bedrag; dat, nu beide grieven op de vorenuiteengezette gronden doel treffen, buiten beschouwing kan blijven de bij de toelichting op die grieven aan de orde gestelde vraag, of [eiser]'s gewraakte gedragingen jegens [A] niet alleen wanprestatie, doch tevens een onrechtmatige daad opleveren, en het door [eiser] gedane bewijsaanbod niet meer aan de orde kan komen en mitsdien behoort te worden gepasseerd;” dat [A] op 17 februari 1969 is overleden, als enige erfgenamen achterlatende de beide verweerders in cassatie; Overwegende dat [eiser] de uitspraak van het Hof bestrijdt met het volgende midd Teixeira de Mattos, aan [betrokkene] of een andere gegadigde had verkocht, een vordering heeft geldend gemaakt die alleenlijk betrekkelijk was tot de betaling van een zekere geldsom te weten van f 141.680,48, gelijk evenzeer, ware [eiser] zijn door het Hof aangenomen verbintenis tot verkoop tegen hogere prijs dan de van [betrokkene] bedongene nagekomen, ook daaruit slechts een verbintenis tot betaling van een zekere geldsom aan [A] zou zijn voortgekomen, waarvan niet is vastgesteld of mag worden aangenomen dat daarover krachtens de wet of contractueel beding aan [A] rente verschuldigd zou zijn geweest, immers in beide gevallen de aanspraak van [A] slechts strekte tot het verkrijgen van zijn aandeel in geld in de gerealiseerde of realiseerbare waardevermeerdering van de aandelen M.B.F., en het dus voor de vraag of [A] slechts de in artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde wettelijke (moratoire) interessen dan wel daarboven ook compensatoire interessen kon vorderen geen verschil maakt of behoort te maken of hij het omstreden bedrag vorderde als zijn aandeel in de door [eiser] op de verkoop van de aandelen gemaakte winst (gelijk hij in een eerdere procedure tot rekening en verantwoording deed), dan wel als schadevergoeding wegens wanprestatie (of onrechtmatige daad) op grond dat [eiser] ten onrechte had nagelaten die aandelen voor de hoogste mogelijke prijs te verkopen, zodat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het rechtens verschil maakt dat de verbintenis van [eiser] jegens [A] (mede) strekte tot het realiseren van de waardevermeerdering van het litigieuze aandelenpakket en op die grond artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek toepassing zou missen, nu immers de stellingen van [A] niet hebben ingehouden dat hem een vruchtdragend vermogensdeel is ontnomen of dat hij het hem ontnomene heeft moeten vervangen met opoffering van andere vermogensdelen waarvan hij dientengevolge de vruchten heeft gemist, doch alleen dat, had hij de hem toekomende geldsom eerder ontvangen hij daarvan (meer) rente zou hebben kunnen maken, welke bewering echter niet meer of anders is dan de stelling dat hij schade heeft geleden door vertraging in de uitvoering ener verbintenis die alleenlijk betrekkelijk is tot de betaling van een geldsom, en voorts het Hof, door anders te oordelen, heeft voorbijgezien dat [A] zowel aan de primaire verbintenis van [eiser] als aan diens verplichting tot betaling van een vervangende schadevergoeding bij wanprestatie slechts een geldvordering ontleende, en vorderingen tot betaling van een geldsom, zolang daarvan niet is vastgesteld dat zij rentedragend zijn, wel vermogensbestanddelen doch niet vruchtdragende vermogensbestanddelen zijn, zodat het niet betalen van een verschuldigde geldsom niet oplevert het aan de benadeelde onthouden of ontnemen van een vruchtdragend vermogensbestanddeel dat aanleiding kan geven tot toekenning buiten de grenzen van artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek van een in compensatoire interessen bestaande schadevergoeding, terwijl verder het Hof, indien en voor zover het heeft aangenomen dat [A] aanspraak op compensatoire interessen kon maken omdat hem een vruchtdragend vermogensbestanddeel is ontnomen of ontgaan of omdat hij tot vervanging van het hem ontgane of ontnomene andere vermogensdelen heeft moeten opofferen waarvan hij de vruchten heeft gemist, dit oordeel vooreerst op de hiervoor bestreden onjuiste rechtsopvatting doet steunen, en bovendien het Hof heeft verzuimd vast te stellen waarin de aan [A] ontgane of ontnomen, beweerdelijk vruchtdragende, vermogensbestanddelen zouden hebben bestaan, althans en in ieder geval niet heeft vastgesteld dat deze zouden hebben bestaan in iets anders dan de geldsom op betaling waarvan [A] aanspraak maakte, en tenslotte het Hof door te oordelen als hiervoor vermeld zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed doch onduidelijk, tegenstrijdig en onbegrijpelijk, zonder voldoende vaststelling van de feiten, heeft gemotiveerd, we