Rechtspraak Hoge Raad 1969-04-02
ECLI:NL:HR:1969:AX5798
2 april 1969 No. 16.101 H.C. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 augustus 1968 betreffende de hem opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1964; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1964 was opgelegd naar een zuiver inkomen van f 97.199,--, tegen deze aanslag in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof heeft overwogen, dat: "het geschil van partijen de vraag betreft of de door belanghebbende in 1964 ten laste van de winst gebrachte rente ter zake van geldleningen, hem verstrekt onder hypothecair verband op bij hem in aanbouw zijnde onroerende goederen, welke bestemd waren voor zijn bedrijf tot exploitatie van onroerend goed, al dan niet geactiveerd dient te worden bij de kostprijs dier gebouwen;"; Overwegende dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld: "dat belanghebbende, van beroep aannemer, niet alleen bouwt in opdracht van derden, doch ook voor zijn eigen bedrijf tot exploitatie van onroerend goed; dat het in 1964 met de bouw voor derden gemoeide bedrag f 2.829.774,32 en het met de bouw voor eigen bedrijf gemoeide bedrag f 391.921,57 beliep; dat belanghebbende een opslag voor algemene kosten en afschrijvingen ad 3,4% van het totaal der voormelde bedragen in aanmerking nam; dat belanghebbende nevens deze algemene kosten en afschrijvingen als bedrijfskosten over genoemd jaar onder meer in aanmerking nam f 19.224,36 wegens hypotheekrente ter zake van een hem onder hypothecair verband verleend crediet voor de bouw van 36 flats en 2 loodsen te [Q], welke bouw in 1965 werd voltooid en welke onroerende goederen bestemd waren voor zijn eigen bedrijf tot exploitatie van onroerend goed;’’; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: "dat belanghebbende heeft aangevoerd: dat de Inspecteur ten onrechte de hypotheekrente, afgerond op f 19.200,--, als te activeren bouwkosten van de onroerende goederen voor het eigen bedrijf in aanmerking wenst te nemen; dat, waar de rente van het eigen kapitaal bij zodanige bouw niet in de kostprijs wordt teruggevonden, voor de rente voor vreemd kapitaal overeenkomstig goed koopmansgebruik geen ander standpunt behoeft te worden ingenomen; dat de rente van vreemd kapitaal derhalve tot de bedrijfskosten behoort, te meer nu het hypothecair crediet in termijnen werd verstrekt telkens wanneer een deel van het bouwwerk was voltooid en eerst voor het volle bedrag werd verstrekt na het gereedkomen van het bouwwerk in juni 1965; dat de Hoge Raad weliswaar in zijn arrest van 8 mei 1946 (B.N.B. 8119) het standpunt inneemt dat bedoelde kosten geactiveerd dienen te worden, doch dit arrest werd gewezen voor het tot stand komen van de Wet Belastingherziening 1950; dat de Inspecteur heeft gesteld: dat de litigieuze financieringskosten beschouwd moeten worden als een onderdeel van de stichtingskosten van de voor het eigen bedrijf van belanghebbende gebouwde onroerende goederen; dat deze kosten niet in de kostenopslag waren verwerkt doch als bedrijfskosten op de winst in mindering waren gebracht; dat zulks bleek bij een door de Rijksaccountantsdienst ingesteld onderzoek met betrekking tot belanghebbendes inkomstenbelasting voor het jaar 1965; dat het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad juist doelt op het geval dat het hypothecaire crediet in termijnen wordt verstrekt en de rente tijdens de bouw is betaald, hetgeen ook te dezen het geval is geweest; dat niet is gebleken dat bedoeld crediet voor andere bedrijfsmiddelen dan de onderhavige onroerende goederen is verstrekt;"; Overwegende dat het Hof omtrent der partijen geschil heeft overwogen: "dat belanghebbende in 1964 een aantal flats en loodsen liet bouwen welke bestemd waren voor zijn bedrijf tot exploitatie van onroerend goed en welke bedrijfspanden in 1965 werden voltooid; dat hij deze