Rechtspraak Hoge Raad 1966-01-14
ECLI:NL:HR:1966:AB4709
14 januari 1966 Br. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak nr. 9902 van de vennootschap naar Duits recht Fendel Schiffahrt A.G. , gevestigd en kantoorhoudende te Mannheim (Duitsland), eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 november 1964, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad, tegen de vennootschap naar Noors recht Knut Knutsen O.A.S ., gevestigd te Haugesund (Noorwegen), verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van eiseres in de kosten aan zijde van verweerster op het cassatie-beroep gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt: dat verweerster in cassatie - Knutsen - bij exploot van 11 augustus 1960 de eiseres tot cassatie - Fendel - heeft gedaagd voor de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam en haar veroordeling heeft gevorderd tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, op grond van een aanvaring; dat de Rechtbank bij vonnis van 14 januari 1963 aan Knutsen haar vordering heeft toegewezen, zulks na onder meer te hebben overwogen: 2. " dat de Rechtbank, op grond van hetgeen enerzijds in de gedingstukken is gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, casu quo ter gelegenheid van de pleidooien is betoogd, en/of op grond van de getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, het navolgende als vaststaande aanneemt; Knutsen is eigenares en reedster van het Noorse zeeschip Olav Bakke; Fendel is eigenares en reedster van het motortankschip Rheintank 12. In de vroege morgen van 9 september 1959 is de Olav Bakke, metende 5870 bruto registerton, lang 474 voet, breed 58 voet, beladen met 4550 ton stukgoederen onder loodsaanwijzing de Nieuwe Waterweg opgevaren met bestemming de Merwehaven te Rotterdam. Er liep vloedstroom. Toen de Olav Bakke de Merwehaven naderde kreeg zij bericht, dat haar ligplaats nog niet vrij was en er waren ook nog geen sleepboten om haar te assisteren. Er werd besloten op de rivier ten anker te komen. De Olav Bakke voer ongeveer in het midden van de rivier, welke ter plaatse circa 400 meter breed is. Er is eerst hard stuurboordroer gegeven en vervolgens met halve kracht achteruitgeslagen. De Olav Bakke heeft een rechtsdraaiende schroef. Aldus draaide de Olav Bakke naar stuurboord en kwam zij tevens vrijwel tot stilstand. Het stuurboordanker werd gepresenteerd en er werd één sluiting ketting gestoken (15 vadam); een ankerbel werd op het voorschip gehesen. De Olav Bakke bevond zich toen ter hoogte van de bovenzijde van de mond van de Merwehaven met de steven iets over het midden van de rivier in de zuidelijke helft. Teneinde de op het anker staande krachten enigszins te compenseren en de draaibeweging te bevorderen heeft de Olav Bakke bij hard stuurboordroer langzaam vooruitgeslagen en er is ook langzaam achteruitgeslagen. Het was circa 6.15 uur. Inmiddels naderden uit westelijke richting op de Nieuwe Maas twee binnenvaartuigen namelijk het bunkerschip Vulcanus 1, hetwelk in een gestrekte koers de rivier opvoer en daarbij ongeveer 80 meter afstand hield tot de zuidelijke wal, en daarachter het motortankschip Rheintank 12, metende 1344 ton, lang 80 meter, breed 9,50 meter, welk schip beladen met 850 ton olie, op reis was van de 2e Petroleumhaven naar Wezel. De Rheintank 12 voer volle kracht en op ongeveer 110 à 120 meter uit de zuidelijke oeverlijn. Het was helder weer, goed zicht, vol daglicht en er was geen wind van belang. Gelet op de verklaring van schipper Muller van de Rheintank 12, dat hij met dit schip tegenstrooms in beladen toestand 12 à 15 kilometer per uur loopt en leeg circa 20 kilometer, over de grond gerekend, en in aanmerking nemende, dat de Rheintank 12 gedeeltelijk Het was een fout van de Rheintank 12 met onverminderde snelheid te blijven doorlopen en niet kalmer aan te doen om de ontwikkeling van de situatie af te wachten, en/of om haar koers te behouden en deze niet zodanig naar stuurboord te verleggen, dat zij een ruime en veilige afstand behield tot de Olav Bakke. De 50 à 60 meter die schipper Muller van de Rheintank 12 als de oorspronkelijke afstand tussen de Olav Bakke en de koerslijn van de Rheintank 12 heeft opgegeven moge hem wellicht als veilig zijn voorgekomen, hij was dit echter niet. Hier was een zeeschip met een lengte van circa 146 meter zonder sleepbootassistentie op haar anker aan het zwaaien en de Rheintank 12 moest dit zeeschip voor de steven langs passeren. De schipper van de Rheintank 12 heeft blijkbaar de moeilijkheden voor de Olav Bakke en de voor hem bestaande gevaren niet of onvoldoende beseft. Blijkens hetgeen bij de pleidooien naar voren is gebracht, is er tussen partijen overeenstemming ten aanzien van het feit, dat normaal is en dus ook in dit geval te voorzien was, dat de Olav Bakke niet stil zou blijven liggen terwijl zij aan het zwaaien was, doch nu eens vooruit en dan weer achteruit zou slaan teneinde het anker te ontlasten en de draaibeweging te bespoedigen, zodat het feit, dat de tussenruimte tussen de Olav Bakke en de zuiderwal kleiner is geworden op zichzelf niets bijzonders is. Het verwijt zijdens de Rheintank 12 aan de Olav Bakke is bij pleidooi nader gepreciseerd, aldus, dat de Olav Bakke, meer dan de lengte van de ankerketting (bijna 30 meter) deed vermoeden, zich heeft verplaatst en dat dan ook in feite het anker niet goed heeft gehouden, waardoor het geschiedde, dat de Olav Bakke naar de koerslijn van de Rheintank 12 toekwam en dit motortankschip voor een niet te voorziene situatie kwam te staan. Dit betoog kan aan de schuld van de Rheintank 12 niet afdoen. De lengte van de ankerketting liet ruimte voor een verplaatsing over een afstand van circa 40 à 50 meter, en nu aan de schipper van de Rheintank 12 niet bekend was hoeveel ketting de Olav Bakke had gestoken heeft hij onnodig een aanmerkelijk risico genomen. Het met onverminderde snelheid doorvaren in de oorspronkelijke koers was in ieder geval onverantwoord. Ten aanzien van de vraag of er medeschuld is aan de zijde van de Olav Bakke moet allereerst worden opgemerkt, dat uit niets is gebleken, dat dit zeeschip de zwaaimanoeuvre niet voorzichtig en met beleid heeft uitgevoerd. Weliswaar hebben enkele getuigen verklaard, dat de ankerketting aan stuurboord naar achteren stond, doch dit betekent nog niet dat de ankerketting aan de Olav Bakke geen ruimte verleende om nog iets meer naar voren te komen. Alleen de 1ste stuurman vermeldt, dat de ketting strak stond, doch deze getuige heeft ook gemotiveerd verklaard dat het zeeschip geheel stil lag. Ofschoon aangenomen moet worden, dat de Olav Bakke ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen, dat het anker niet heeft gehouden. Een slippen van het vooranker waardoor de Olav Bakke een voor de Rheintank 12 niet te verwachten plotselinge en gevaarlijke beweging heeft gemaakt is niet komen vast te staan. Schuld aan de zijde van de Olav Bakke is derhalve niet bewezen."; dat, na door Fendel tegen deze uitspraak ingesteld hoger beroep, het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij het streden arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd; dat het Hof daartoe heeft overwogen: 1. dat Fendel als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte overweegt, dat de Rheintank 12 had moeten vaart minderen en/of haar koers naar stuurboord verleggen en dat zij schuld heeft aan de aanvaring met de Olav Bakke; 2. " dat in hoger beroep voor zover thans van belang de volgende feiten als onbestreden vaststaan, nu tegen de vaststelling van deze feiten in het vonnis a quo geen grieven zijn aangevoerd : a) dat de Rheintank 12, waarvan de schipper op ruime afstand - 1,5 à 2 kilometer - had w " dat deze grief geen steun vindt in de ten processe vaststaande feiten; dat toch de verklaring van de schipper van de Rheintank 12, de getuige Muller, inhoudt, dat hij, varende in de richting van de Olav Bakke, eerst geen verandering in de positie van de Olav Bakke heeft bemerkt, maar toen hij dit zeeschip dicht genaderd was, dat wil zeggen toen zijn steven ter hoogte van de steven van de Olav Bakke was gekomen, bemerkte, dat de dwarsafstand was verminderd tot 30 meter en hij ook zag, dat de ankerketting sterk naar achteren stond en de Olav Bakke plotseling snel naar voren kwam; dat uit deze verklaring zou zijn af te leiden, dat de positie van de Olav Bakke ten opzichte van de koerslijn van de Rheintank 12 dezelfde is geweest als die, waarin de schipper van de Rheintank 12 de Olav Bakke voor het eerst had waargenomen, doch dit zeeschip eerst kort voor de aanvaring snel naar voren is gekomen; dat deze voorstelling van zaken echter geen bevestiging vindt in de verklaringen van de gehoorde getuigen, daar weliswaar de getuige van der Hoeven spreekt van een vrij snel vooruitkomen van de Olav Bakke, doch deze getuige ook verklaart, dat het er om zal houden of de Olav Bakke op het moment van de aanvaring nog een vooruitgaande beweging had, terwijl ook uit de verklaringen der getuigen Akkerman, van der Linden, Johnson, Klok en Dubbeldam blijkt, dat de Olav Bakke op het moment van de aanvaring geen of hoogstens een geringe vooruitgaande beweging had en de Rechtbank in het vonnis a quo dan ook terecht heeft overwogen, dat aangenomen moet worden, dat de Olav Bakke ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had; dat daaruit volgt, dat, indien de Rheintank 12 een koers heeft gehad, waarbij zij de steven van de Olav Bakke op een afstand van 50 à 60 meter zou passeren in de positie, waarin de schipper van de Rheintank 12 de Olav Bakke voor het eerst had waargenomen, de Olav Bakke reeds enige tijd voor de aanvaring met een vooruitgaande beweging een aanvang moet hebben gemaakt, welke beweging door de schipper van de Rheintank 12 niet is opgemerkt; dat in dat geval Fendel echter niet met vrucht een beroep kan doen op de omstandigheid, dat tot kort voor de aanvaring de afstand tot de steven van de Olav Bakke in de door de Rheintank 12 gevolgde koers voldoende was, tenzij daarbij rekening zou zijn gehouden met de vooruitgaande beweging van de Olav Bakke, dan wel de schipper van de Rheintank 12 redelijkerwijze kon aannemen, dat een eventuele vooruitgaande beweging van de Olav Bakke zich nimmer zo ver zou uitstrekken, dat het met onverminderde snelheid behouden van de oorspronkelijke koers door de Rheintank 12 gevaar voor aanvaring zou opleveren; dat - zoals bij de behandeling van de vierde grief zal blijken - de schipper van de Rheintank 12 te dien aanzien geen enkele zekerheid had en voorts niet is gebleken, dat deze schipper, anders dan zeer kort voor de aanvaring op de vooruitgaande beweging van de Olav Bakke heeft gereageerd op een tijdstip, dat een aanvaring niet meer viel te vermijden; dat Fendel in dit verband tevergeefs een beroep doet op de omstandigheid, dat de ankerketting van de Olav Bakke kort voor de aanvaring naar achteren stond, daar zulks geenszins reden geeft voor de veronderstelling, dat de vooruitkomende Olav Bakke niet nog verder naar voren zou komen, terwijl uit de verklaring van de schipper van de Rheintank 12 niet blijkt, dat hij na het tijdstip waarop hij de Olav Bakke voor het eerst waarnam tot op het moment waarop hij kort voor de aanvaring met de steven ter hoogte van de steven van de Olav Bakke was, heeft gelet op de stand van de ankerketting van de Olav Bakke waaruit deze schipper had kunnen afleiden, dat de Olav Bakke zich in de richting van de door de Rheintank 12 gevolgde koers verplaatste; 7. " dat hieruit volgt, dat de derde grief faalt; 8. " dat Fendel als vierde grief heeft aangevoerd, dat de overweging van de Rechtbank, dat de schipper van de Rheintank 12 onnodig een aanmerkelijk risico he " dat Fendel voorts betoogt, dat kennelijk het vooranker van de Olav Bakke niet heeft gehouden; dat Fendel deze stelling heeft geadstrueerd met het betoog, dat het anker in het midden van de rivier is gezet en de aanvaring heeft plaatsgevonden op 100 à 120 meter uit de zuidelijke oever van de ter plaatse 400 meter brede rivier, terwijl 30 meter ketting was gestoken, dat voorts de ketting strak naar achteren stond, tegen de huid van het zeeschip aanschuurde en dit schip een niet te verwachten en gevaarlijke beweging naar voren heeft gemaakt en dat uit het schadebeeld blijkt, dat de Olav Bakke met kracht in de zijde van de Rheintank 12 is gelopen; 16. " hieromtrent, dat uit de verklaringen van de gehoorde getuigen echter niet blijkt, dat de aanvaring op zo korte afstand van de zuidelijke oever heeft plaats gevonden, dat daaruit zou moeten worden afgeleid, dat het anker niet heeft gehouden, dat een niet te verwachten plotselinge beweging naar voren van de Olav Bakke evenmin is komen vast te staan, terwijl evenmin uit het schadebeeld valt af te leiden, dat de Rheintank 12 ge- troffen is door de met kracht plotseling vooruitkomende steven van de Olav Bakke; dat toch de op dit punt gehoorde getuigen zulks niet hebben verklaard en met name de getuige Touw niet verder is gegaan dan de verklaring, dat het uitgesloten is uit de schade te concluderen van welke kant de meeste druk is gekomen, dat wil zeggen of het binnendringen van de steven van het zeeschip in het tankschip een gevolg is van een vooruitgaande beweging van het zeeschip dan wel van een zijdelingse beweging van het tankschip, dan wel van beide; 17. " dat, gelet op hetgeen ten processe als hierboven overwogen vaststaat, het Hof geen grond aanwezig acht om een onderzoek door deskundigen te bevelen omtrent de vraag of de zwaaimanoeuvre van de Olav Bakke naar goed zeemanschap is uitgevoerd en of het mogelijk is, dat het anker heeft gekrabd dan wel de ankerketting heeft geslipt in voege als Fendel in hoger beroep heeft verzocht; 18. " dat derhalve ook de vijfde grief dient te worden verworpen en het vonnis a quo dient te worden bekrachtigd;" Overwegende dat Fendel deze uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie: "Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of uit welker aard de nietigheid voortvloeit, in het bijzonder schending van de artikelen 1401, 1402, 1403, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wet- boek, 1, 309, 310, 320, 321, 534, 535, 536, 536 a, 537, 539, 541, 748, 780, 781, 936, 941, 944 en 947 van het Wetboek van Koophandel, 1, 2 en 3 van de Wet van 15 april 1891, Staatsblad 91, houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, 1, 2, 4, 5, 7, 8, 9, 17, 18, 19, 28, 29, 30, 31, 33, 35, 36, 37, 41, 42, 43, 45, 47, 49, 50, 51, 52 en 53 van het Binnen-aanvaringsreglement, 1, 5, 48, 59, 343, 347, 348 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, door te overwegen als in voormeld arrest omschreven en op grond daarvan recht te doen, ten onrechte, (1) aangezien het Hof het verweer van Fendel, dat de Olav Bakke meer dan normaal en te verwachten was naar voren is gekomen, alsmede haar verweer dat de Olav Bakke gezien de zwaaimanoeuvre op het vooranker, onnodig en onverwacht ver naar voren is gekomen, heeft verworpen met miskenning en/of onjuiste toepassing van de voorrangsregels van het Binnenaanvaringsreglement, in het bijzonder de artikelen 33 en 36, lid 3, mede in verband met artikel 50 van dat reglement, alsmede met miskenning en/of onjuiste toepassing van de artikelen 47, lid 1, en 51 van het Binnenaanvaringsreglement en/of van de regels betreffende stelplicht, bewijslast, en bewijslevering; immers ten tijde van de aanvaring had de Olav Bakke een geringe vooruitgaande beweging, waarbij het Knutsen als oorspronkelijk eiseres stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot feiten en omstandigheden, die - de door Fendel ontkende - schuld van de Rheintank 12 aan de aanvaring opleveren, immers het Hof in stede van te oordelen omtrent de vraag of de Olav Bakke meer dan normaal en voor de schipper van de Rheintank 12 te verwachten was naar voren is gekomen, had moeten oordelen - althans naar aanleiding van de hiervoor onder 1, eerste alinea, bedoelde weren van Fendel - omtrent de vraag of de Olav Bakke niet verder dan normaal en voor de schipper van de Rheintank 12 te verwachten was naar voren is gekomen, waarbij het Hof tevens had dienen te betrekken de vraag of het wel nodig was, dat de Olav Bakke zo ver naar voren kwam als in feite is geschied bij de zwaaimanoeuvre, ( 6 ) hebbende het Hof de wettelijke regels van stelplicht en/of bewijslast en/of bewijslevering mede in verband met de hiervoor onder (1) bedoelde voorrangsregels eveneens miskend en/of geschonden, door van Fendel als oorspronkelijk gedaagde te verlangen in hoger beroep aannemelijk te maken, dat de breedte, waarover de lengte van de ankerketting de Olav Bakke toeliet zich te verplaatsen zo gering was dat de Rheintank 12 er van mocht uitgaan, dat zij met onverminderde snelheid in haar oorspronkelijke koers doorvarende in ieder geval veilig de steven van het zeeschip kon passeren, (7) aangezien het Hof in strijd met de sub 1 bedoelde rechtsregels - naar uit het hiervoor onder (1) tot en met (6) gestelde volgt - heeft geoordeeld, dat de Olav Bakke, zelfs indien de ankerketting een verplaatsing over een breedte van 50 meter toeliet, er niet op bedacht behoefde te zijn dat de van verre naderende Rheintank 12, voor welk schip geen beletsel bestond om de vaart te minderen en/of naar stuurboord van haar oorspronkelijke koers af te wijken, in strijd met goed zeemanschap bij haar oorspronkelijke koers welke haar tot dicht bij de steven van de manoeuvrerende Olav Bakke zou brengen, met onverminderde snelheid zou volharden, alsmede dat niet is komen vast te staan dat de Olav Bakke geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de naderende Rheintank 12, (8) aangezien de Rheintank 12 artikel 29 van het Binnen- aanvaringsreglement niet heeft overtreden, omdat voor haar niet te verwachten was, dat de Olav Bakke de voorrangsregels van het Binnenaanvaringsreglement (artikelen 36, lid 3, en/of artikel 33) zou schenden, door welke schending het gevaar voor aanvaring is ontstaan, terwijl, toen het gevaar voor aanvaring voor Rheintank 12 waarneembaar werd, een aanvaring niet meer viel te vermijden, (9) aangezien het Hof blijkens het hiervoor onder (1) tot en met (8) gestelde in strijd met het recht heeft geoordeeld, dat de Rheintank 12 wel en de Olav Bakke niet schuld heeft aan de aanvaring van de Olav Bakke met de Rheintank 12, in plaats van te oordelen, dat aan de aanvaring de Olav Bakke alleen althans mede schuldig is en de Rheintank 12 niet althans slechts mede schuldig is, althans in plaats van de schuldvraag te beoordelen met inachtneming van de hiervoor onder (1) bedoelde rechtsregels," ; Met betrekking tot het middel: Overwegende dat het Hof, er van uitgaande dat de Olav Bakke bij haar zwaaimanoeuvre ten tijde van de aanvaring een geringe vooruitgaande beweging had, heeft geoordeeld dat de schipper van de Rheintank 12 tijdens die, door hem op ruime afstand waargenomen en zonder sleepboot-assistentie uitgevoerde, zwaaimanoeuvre bij voortduring op een mogelijk vooruitgaande beweging van de Olav Bakke bedacht diende te zijn, en dat in de gegeven omstandigheden het met onverminderde snelheid in de oorspronkelijke koers doorvaren van de Rheintank 12 aan deze als een fout en een gedraging in strijd met goed zeemanschap moet worden aangerekend; Overwegende dat het middel in zijn onderdelen 1 - 3 en 5 - 9 het Hof verwijt bij deze beslissing te hebben miskend, dat de Rheintank 12 had mogen verwachten dat de Olav Bakke ten opzichte van de Rheintank 12 de voorrangsregels va