Rechtspraak Hoge Raad 1964-03-06
ECLI:NL:HR:1964:100
6 Maart 1964 Br. De Hoge Raad Der Nederlanden , in de zaak no. 9745 van de naamloze vennootschap N.V. Handel- en Vervoermaatschappij “Dorvo ”, gevestigd en kantoorhoudende te Dordrecht, eiseres tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, op 24 Mei 1963 tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij den Hogen Raad, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. S.L. Buruma, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal s’Jacob, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiseres tot cassatie in de kosten van het beroep; Gezien de stukken; Overwegende, dat uit het bestreden arrest blijkt: dat eiseres tot cassatie, hierna te noemen Dorvo, als eiseres in kort geding in eerste aanleg veroordeling van verweerder in cassatie, hierna te noemen [verweerder], heeft gevorderd, om de bij hem in gebruik zijnde stallingsruimte aan de [a-straat 1] te [woonplaats] te ontruimen; dat Dorvo daartoe onder meer heeft gesteld, dat tussen partijen een stallingsovereenkomst heeft bestaan, krachtens welke [verweerder] tegen betaling vanc ƒ 27,50 per maand een automobiel stalde in haar boxengarage te gemelder plaatse, dat Dorvo deze overeenkomst per brief tegen 1 Januari 1963 heeft opgezegd en vervolgens [verweerder] heeft gesommeerd tot ontruiming per 1 Januari 1963; dat [verweerder] echter te kennen heeft gegeven niet aan die sommatie te zullen voldoen; dat de President van de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats] bij vonnis d.d. 27 December 1962 aan Dorvo haar vordering heeft ontzegd; dat het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, na door Dorvo tegen gemeld vonnis ingesteld hoger beroep, dit vonnis bij het bestreden arrest heeft bekrachtigd en daartoe onder meer heeft overwogen: “1. De grief luidt dat de President ten onrechte Dorvo haar vordering heeft ontzegd. 2. Tussen partijen staat vast dat [verweerder] van Dorvo de beschikking heeft verkregen over een autobox, die zich bevindt in een rij van gelijke, op een niet overdekt terrein van Dorvo naast elkaar staande, boxen, dat de box is afgesloten met een jalouziedeur, waarvan de sleutel aan [verweerder] is verstrekt en dat de box alleen is bestemd en uitsluitend wordt gebruikt voor het opbergen van de auto van [verweerder]. 3. Dorvo voert ter toelichting harer grief aan dat voor de box geen aanspraak op huurbescherming bestaat, omdat deze louter voor bewaring dient. Te dezen is beslissend, of de autobox vormt een onroerend goed in de zin van artikel 18, lid 1, der Huurwet. Artikel 1, lid 2 onder c, dier wet omschrijft gebouwd onroerend goed als: een gebouw of een gedeelte daarvan, indien dit gedeelte een zelfstandige woning of een zelfstandige bedrijfsruimte vormt, een en ander met zijn normale onroerende aanhorigheden, alsmede een woonschip. Zou de box niet zijn een gebouw in evengemelde zin doch een gedeelte daarvan, in ieder geval is zij een zelfstandige “bedrijfsruimte”, nu volgens de memorie van antwoord, waar deze artikel 1 der Huurwet behandelt, in dit begrip zijn samengevat ruimten die niet als woonruimte worden gebezigd. Het betoog van Dorvo kan dus niet ertoe leiden [verweerder] van huurbescherming verstoken te achten. 4. Voorts houdt Dorvo staande dat de onderhavige overeenkomst er niet een is van huur en verhuur in de zin van artikel 18 der Huurwet. Nu echter aan de autobox als hiervoor onder 2 omschreven de hoedanigheid van zaak in de zin van artikel 1584 van het Burgerlijk Wetboek niet kan worden ontzegd en [verweerder] het genot daarvan heeft verkregen gedurende een bepaalde tijd en tegen een bepaalde prijs, draagt naar ’s Hofs oordeel der partijen overeenkomst het karakter van huur en verhuur in de zin van artikel 1584 van het Burgerlijk Wetboek, alsook in die van artikel 18 der Huurwet. 5. Hieraan doet niet af dat in de tekst van het door [verweerder] getekende formulier tevens houdende Algemene Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 555, 556, 559, 560, 561, 562, 563, 564, 565, 567, 1349, 1350, 1355, 1356, 1357, 1358, 1364, 1374, 1375, 1584, 1586, 1587, 1588, 1589, 1590, 1595, 1596, 1597, 1611, 1622, 1623, 1731, 1732, 1733, 1734, 1735, 1736, 1743, 1746, 1751, 1752, 1753, 1766, 1902, 1903, 1958 en 1959 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 289, 290, 291, 292, 293, 295, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1, 6, 7, 18 en 20 van de Huurwet, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, (1) omdat het Hof in strijd met de wet niet een stallingsovereenkomst althans een overeenkomst van bewaargeving althans een gemengde overeenkomst waarin het element van huur en verhuur accessoir en ondergeschikt is, en/of wel een overeenkomst van huur en verhuur aanwezig heeft geacht, hebbende het Hof althans een met de wet strijdig begrip van huur en verhuur althans van bewaargeving gebezigd, (2) aangezien, naar tussen partijen vaststaat althans door Dorvo gesteld is, de autobox van [verweerder] zich bevindt in een rij van gelijke, op een niet overdekt terrein van Dorvo naast elkaar staande boxen en deze box alleen is bestemd en uitsluitend wordt gebruikt voor het opbergen van de auto van [verweerder] en voormelde rij en het niet overdekte terrein deel uitmaken van het garage-complex van Dorvo aan de [a-straat 1] te [woonplaats], waar stalling, autoverhuur, benzineverkoop en andere kleinere garagediensten zijn ondergebracht, (3) en voorts aangezien Dorvo, naar tussen partijen vaststaat althans door Dorvo gesteld is, aan [verweerder] het genot van een autobox heeft verschaft als een van de bedrijfsmatige diensten, welke een garagebedrijf aan zijn klanten verleent, biedende een garage deze stallingruimte zowel “open” als “gesloten”, hetgeen louter een kwestie is – voor het garagebedrijf en de klant – van prijs en hoedanigheid der dienstverlening, (4) waaraan niet afdoet, dat de overeenkomst, waarbij Dorvo aan [verweerder] het genot van een autobox heeft verleend, hem geen rechten nevens dit genot verschaft, of dat de verschaffing van het genot van een box afzonderlijk is geregeld, (5) terwijl het niet de vraag is of de litigieuze overeenkomst en de hoedanigheid van – de door het Hof vooropgestelde – huur en verhuur verliest doordat Dorvo naast de verschaffing van het door het Hof bedoelde genot andere diensten aan [verweerder] zou verlenen dan wel tot verlening dier diensten in staat zou zijn, doch of het door het Hof bedoelde genot van een autobox als gedeelte van het betreffende onroerend goed ondergeschikt is aan de stalling of het bewaren van de auto van [verweerder] en of in het kader van het totaal der door het garagebedrijf van Dorvo verleende of te verlenen diensten, onder meer die van stalling, de betreffende overeenkomst als een stallingsovereenkomst, althans een overeenkomst van bewaargeving, althans een gemengde overeenkomst, waarin het element van huur en verhuur accessoir en ondergeschikt is, dan wel als een huur en verhuur beschouwd moet worden, (6) zijnde het evenmin de vraag of aan der partijen overeenkomst de hoedanigheid van huur en verhuur wordt ontnomen, doordat [verweerder] zich niet bewust zou zijn geweest van een verschil van zijn rechtspositie jegens Dorvo met die van degene die zijn auto stalt bij Dorvo anders dan in een box en doordat aan de bepalingen der Huurwet omtrent de huurprijs ten aanzien van de onderhavige autobox geen gevolg zou zijn gegeven, doch of, gelet op deze omstandigheden, die juist niet op een huur en verhuur wijzen in de zin van het Burgerlijk Wetboek althans in de zin van de Huurwet of daartegen een vermoeden opleveren, ten deze sprake is van een stallingsovereenkomst, althans een overeenkomst van bewaargeving, althans een gemengde overeenkomst waarin het element van huur en v