Rechtspraak Hoge Raad 1963-01-04
ECLI:NL:HR:1963:48
De anonimiseringsrichtlijnen gelden voor arresten die na het jaar 2000 zijn uitgesproken. Dit arrest valt hier niet onder en is derhalve niet geanonimiseerd. v.D. 4 Januari 1963 DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (nr. 9649) van: De vennootschap onder firma ‘’Nederlandsche Dok- en Scheepsbouwmaatschappij" , gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, eiseres tot cassatie van een op 9 Augustus 1962 door het Gerechtshof te Amsterdam tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij den Hogen Raad, tegen de gemeente Landsmeer , te dezen vertegenwoordigd door haar burgemeester G. G. Post, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. H. C. Visser, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het arrest, waarvan beroep en bekrachtiging van het daarbij vernietigde vonnis van den President van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam onder de veroordeling van verweerster in de kosten op het hoger beroep en de cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat eiseres tot cassatie, N.D.S.M., de verweerster, Landsmeer, heeft gedaagd voor den President van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam en heeft gesteld: ‘’dat N.D.S.M., ten gevolge van onder meer de heersende woningnood, en in verband met de slechte verbindingen tussen Amsterdam-Noord en het deel van Amsterdam, gelegen bezuiden het IJ, reeds sedert vele jaren ernstige moeilijkheden ondervindt met betrekking tot het aantrekken van voldoende en kundig personeel, noodzakelijk om aan de aan haar gegeven opdrachten voor nieuwbouw, reparatie en onderhoud van schepen uitvoering te kunnen geven; dat N.D.S.M. in haar dringende personeelsbehoefte dientengevolge reeds sedert vele jaren slechts kan voorzien door in daarvoor in aanmerking komende gevallen aan in dienst zijnde of nieuw aangetrokken personeelsleden woningen ter beschikking te stellen; dat N.D.S.M. en Landsmeer, welke laatste streefde naar uitbreiding, en daartoe wel de woningtoewijzingen en grond kon verkrijgen, respectievelijk beschikbaar had, doch niet de benodigde gelden of de mogelijkheid die te lenen — in de jaren 1951/1953 te rade zijn gegaan, op welke wijze bij de toen evenals thans heersende woningnood aan de dringende behoefte van N.D.S.M. aan woonruimte voor haar personeel zou kunnen worden tegemoetgekomen, zodanig, dat tevens de belangen van Landsmeer zouden worden gediend; dat partijen toen na langdurig en diepgaand overleg en nadat de nodige medewerking en toestemming van diverse hogere overheidsinstanties waren verkregen, met elkander overeenkomsten hebben gesloten van samengestelde aard, waarbij Landsmeer zich jegens N.D.S.M. verbond om met financiële medewerking van deze een aantal van tweemaal 89, in totaal 178, toen in aanbouw zijnde woningen af te bouwen en vervolgens aan haar te verhuren voor onbepaalde tijd, uitsluitend teneinde deze woningen als ‘’dienstwoningen" aan leden van het personeel van N.D.S.M. ter beschikking te stellen; dat tot de 89 woningen, die aldus door Landsmeer aan N.D.S.M. zijn verhuurd bij huurcontract van 1 april 1953, behoorde en behoort de woning Scholeksterstraat no. 14 te Landsmeer, welke woning dus sedertdien bij N.D.S.M. in huur is geweest; dat genoemde woning door N.D.S.M. per 13 februari 1956 middels een aanvullend arbeidscontract d.d. 1 februari 1956 is ter beschikking gesteld van de sedert 10 augustus 1954 bij haar in dienst geweest zijnde werknemer J.H.K. Kenter, welke werknemer in oktober 1960 ontslag heeft genomen uit de dienst van N.D.S.M., en die op grond van de inhoud en bepalingen zowel van het huurcontract tussen N.D.S.M. en Landsmeer, als van genoemd aanvullend arbeidscontract, verplicht was op grond van dat ontslag de betreffende woning te ontruimen; dat genoemde Kenter ondanks vele aanmaningen in gebreke is gebleven, vrijwillig aan zijn verplichting tot ontruiming te voldoen, zodat N.D.S.M. h van de gemeente Landsmeer; dat anderzijds Landsmeer, door de gedane vordering handelend in strijd met de overeenkomst tussen partijen, waarbij zij zelf de litigieuze woning bestemde voor personeel van N.D.S.M., immers vorderende ten behoeve van een voormalig personeelslid van N.D.S.M., die uit haar dienst vertrok om elders meer te gaan verdienen, daarbij tevens bevordert, dat andere personeelsleden van N.D.S.M. dit voorbeeld volgen, waardoor de woonruimteproblemen en woningnood in de gemeente Landsmeer nog groter zouden worden; dat Landsmeer, handelend als zij doet, bovendien haar vorderingsbevoegdheid uit genoemde Wet gebruikt voor een ander doel, dan waarvoor die haar gegeven is, immers tot het beknotten of frustreren van de rechten van N.D.S.M., welke aan deze naar burgerlijk recht toekomen en tevens door Landsmeer zelve aan N.D.S.M. zijn verleend door het als bovenomschreven aangaan van het onderhavige huurcontract, waarvan Landsmeer de voordelen, die haar destijds voor ogen stonden, en de vruchten harerzijds volledig heeft genoten; dat N.D.S.M., een en ander samenvattend, stelt, dat Landsmeer, door thans in de gegeven omstandigheden de litigieuze woning ten behoeve van een niet-werknemer van N.D.S.M. te vorderen, niet alleen zich schuldig maakt aan opzettelijke en welbewuste wanprestatie ten opzichte van het tussen partijen sedert 1953 bestaande huurcontract, doch tevens een vorderingsbeleid voert, dat in strijd is met de vereisten van behoorlijk bestuur, omdat eensdeels van de vorderingsbevoegdheid misbruik wordt gemaakt door deze te gebruiken voor een doel waarvoor zij niet is verleend, anderzijds in elk geval in de gegeven omstandigheden, waaronder onder meer de rechtsverhouding van Landsmeer tot N.D.S.M., afweging van de in aanmerking komende belangen door Landsmeer in redelijkheid niet kon voeren tot de beslissing, dat ten deze tot vordering kon of moest worden overgegaan; dat deze zaak spoedeisend is, daar N.D.S.M. recht heeft op en een dringend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, waardoor aan Landsmeer wordt verboden, uitvoering te geven aan de onderhavige vordering ex de Woonruimtewet 1947 of tot een soortgelijke vordering over te gaan;" op welke gronden N.D.S.M. heeft gevorderd Landsmeer te verbieden om uitvoering of verdere uitvoering te geven aan de vordering van de woning Scholeksterstraat 14 te Landsmeer ten behoeve van Johan Hendrik Konraad Kenter; dat de President bij vonnis van 30 Januari 1962 Landsmeer heeft verboden uitvoering te geven aan de voormelde vordering van de woning Scholeksterstraat 14 te Landsmeer ten behoeve van genoemde Kenter zulks na te hebben overwogen: ‘’dat uit het overgelegde memorandum en huurcontract en uit hetgeen ter terechtzitting is te berde gebracht blijkt: dat partijen zijn te rade gegaan hoe bij de heersende woningnood aan N.D.S.M.'s dringende behoefte aan woonruimte voor haar personeel op effectieve en tegelijk de belangen der gemeente Landsmeer dienende wijze zou kunnen worden tegemoet gekomen; dat partijen in verband daarmee het bij dagvaarding omschreven overgelegde huurcontract d.d. 25 augustus 1953, hebben gesloten, waarbij de gemeente Landsmeer zich jegens N.D.S.M. verbond met haar financiële medewerking reeds in aanbouw zijnde woningen af te bouwen en vervolgens aan N.D.S.M. voor onbepaalde tijd te verhuren, uitsluitend teneinde deze woningen als ‘’dienstwoningen" aan leden van het personeel van N.D.S.M. ter beschikking te stellen; dat voormeld huurcontract voorzover hier van belang dienaangaande inhoudt: in artikel 23: ‘’Huurder (dat is N.D.S.M.) zal werknemers de verplichting opleggen bij beëindiging van de dienstbetrekking de dienstwoningen zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst onmiddellijk te ontruimen" in artikel 22: ‘’Verhuurder (dat is Landsmeer) gaat er mede accoord, dat huurder met haar werknemers ter zake van het gebruik van de woningen een aanvullende arbeidsovereenkomst aangaat, waarin een bepaling voorkomt als vermeld en andere bedrijven dan oorspronkelijk werd verwacht, het in strijd met aller verwachting langer voortduren van een ernstige woningnood, althans in de omgeving van de gemeente Landsmeer, alsmede het ontbreken van woningruimte voor het gezin Kenter, welke omstandigheden de vordering van de onderhavige woning ten behoeve van het gezin Kenter rechtvaardigen; 2. dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, vervat in voormeld memorandum van 1 april 1952, ook wel aangeduid met de dagtekening 1/7 april 1952, waarbij in verband met de financiering van de bouw van een aantal woningen, waaronder de onderhavige, Landsmeer zich heeft verbonden om toestemming te geven en medewerking te verlenen aan N.D.S.M. opdat deze woningen zouden worden bewoond door personeelsleden van N.D.S.M. met hun gezinnen, aan te wijzen en voor te dragen door N.D.S.M., en de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende deze woningen, neergelegd in voormeld huurcontract van 1 april — 25 augustus 1953, in het bijzonder de daarin opgenomen artikelen 22, 23 en 24 — waarvan de tekst voor wat betreft de artikelen 22 en 23 hierboven is weergegeven en voor wat betreft artikel 24 luidt: ‘’Voorzover de bepalingen van deze overeenkomst strijdig mochten zijn met de bepalingen van het tussen partijen getekende memorandum woningbouw d.d. 1-7 april 1952 zullen de bepalingen van het genoemde memorandum woningbouw van kracht blijven" — in onderling verband de strekking hebben, dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer geen gebruik zullen maken van hun bevoegdheid tot vorderen ten aanzien van die woningen, opdat aldus voormalige personeelsleden van N.D.S.M., die op grond van en tijdens hun dienstbetrekking bij N.D.S.M. de beschikking over zulk een woning verkregen, na het einde van die dienstbetrekking niet het gebruik van die woning behouden en daardoor de bewoning door een ander personeelslid van N.D.S.M. verhinderen; 3. dat deze tussen partijen aangegane overeenkomsten echter niet uitsluiten, dat die bevoegdheid tot vorderen wordt uitgeoefend, indien juist overheidsbeleid ten aanzien van het belang, met betrekking waartoe die bevoegdheid is gegeven, zich met de nakoming van bedoelde overeenkomsten niet langer verdraagt, daargelaten de vraag, die in dit geding niet ter sprake komt, of degene, die tengevolge van de uitoefening van zulk een publiekrechtelijke bevoegdheid zijn uit een overeenkomst voortvloeiende privaatrechtelijke rechten niet kan verwerkelijken, een aanspraak op vergoeding van daardoor geleden schade jegens zijn wederpartij kan doen gelden; 4. dat derhalve onderdeel a van de grief gegrond is en het door N.D.S.M. gedaan beroep op wanprestatie van Landsmeer bij de uitvoering van voormelde overeenkomsten faalt; 5. dat tussen partijen vaststaat, dat Kenter in januari 1962, toen hij met ontruiming krachtens een door voornoemde President tussen N.D.S.M. en Kenter in kort geding gewezen vonnis werd bedreigd, niet voor zich en zijn gezin de beschikking over een andere woonruimte had en dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer aan hem wel een vergunning tot bewoning van een perceel in de Stentorstraat aldaar hadden gegeven, doch deze vergunning niet heeft kunnen bewerkstelligen, dat laatstbedoeld perceel aan Kenter ter beschikking werd gesteld; 6. dat tevens bij gebrek aan voldoende tegenspraak vaststaat, dat op gemeld tijdstip voor Kenter en zijn gezin in de gemeente Landsmeer geen woonruimte ter beschikking was; 7. dat ook gelet op de belangen van N.D.S.M., dat voormelde tussen haar en Landsmeer gesloten overeenkomsten worden nagekomen, en in het bijzonder het belang, dat het einde van de dienstbetrekking van Kenter bij haar in feite een einde maakte aan het op grond van en tijdens die dienstbetrekking aan hem verleende gebruiksrecht van de onderhavige woning en dat die woning ter beschikking zou komen van een personeelslid van N.D.S.M. in verband met haar behoefte om personeel aan te trekken en te behouden alsmede om in de vraag haar vordering op met de wet strijdige gronden heeft ontzegd, althans haar vonnis niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed door dienaangaande niet te beslissen, terwijl het Hof althans miskend heeft, dat Landsmeer te dien aanzien de stelplicht en/of bewijslast heeft, (b) omdat het Hof in strijd met de aangehaalde wetsartikelen heeft beslist, dat niet is gebleken, dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer bij een afweging van alle belangen niet in redelijkheid tot het besluit hebben kunnen komen om de onderhavige woning ten behoeve van Kenter en zijn gezin te vorderen en/of dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer de bevoegdheid tot vorderen met willekeur hebben gehanteerd dan wel hebben gebruikt voor een ander doel, zoals het opzettelijk frustreren van de tussen partijen bestaande overeenkomsten, dan waarvoor die bevoegdheid tot vorderen door de wet is gegeven, nu de door het Hof bedoelde, tussen partijen gesloten overeenkomsten van 1952 en 1953 in onderling verband de strekking hebben, dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer geen gebruik zullen maken van de bevoegdheid tot vorderen ten aanzien van die woningen, opdat aldus voormalige personeelsleden van N.D.S.M., die op grond van en tijdens hun dienstbetrekking bij N.D.S.M. de beschikking over zulk een woning verkregen, na het einde van die dienstbetrekking niet het gebruik van die woning behouden en daardoor de bewoning door een ander personeelslid van N.D.S.M. verhinderen, en nu in artikel 22 van der partijen huurcontract is overeengekomen: ‘’Verhuurder (sc Landsmeer) gaat er mede accoord, dat huurder (sc N.D.S.M.) met werknemers terzake van het gebruik van de woning een aanvullende arbeidsovereenkomst aangaat, waarin een bepaling voorkomt als vermeld in het hierna volgende artikel en verhuurder verbindt zich in voorkomende gevallen aan de uitvoering van deze bepaling mede te werken zowel in hare hoedanigheid als verhuurder als in hare hoedanigheid als Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer", en nu het betreffende tussen partijen gesloten huurcontract in artikel 1 bepaalt: ‘’De huur is aangegaan voor onbepaalde tijd en zal slechts eindigen wanneer de verhuurder en de huurder gezamenlijk daartoe besluiten", en nu in de jaren 1951/1953 in verband met enerzijds de dringende behoefte van N.D.S.M. aan personeel en de daaruit voortvloeiende noodzakelijkheid om personeel aan te trekken en in daarvoor in aanmerking komende gevallen woningen ter beschikking te stellen aan haar personeelsleden en anderzijds het verlangen van Landsmeer om de gemeente uit te breiden en de mogelijkheid daartoe woningtoewijzingen en grond te verkrijgen doch de voor Landsmeer bestaande onmogelijkheid over de hiervoor benodigde gelden te beschikken, besprekingen tussen partijen zijn gevoerd, die hiertoe hebben geleid, dat partijen met elkander overeenkomsten hebben gesloten, waarbij Landsmeer zich jegens N.D.S.M. heeft verbonden om met financiële medewerking van deze laatste tweemaal 89, in totaal 178 toen in aanbouw zijnde woningen af te bouwen en vervolgens aan N.D.S.M. voor onbepaalde tijd te verhuren teneinde deze woningen aan leden van het personeel van N.D.S.M. ter beschikking te stellen, terwijl tot de woningen, die aldus door Landsmeer aan N.D.S.M. zijn verhuurd, en wel bij huurcontract van 1 April 1953, ondertekend door Landsmeer op 25 Augustus 1953, behoorde de woning aan de Scholeksterstraat no. 14 te Landsmeer, welke woning sedertdien bij N.D.S.M. in huur is geweest; en nu J.H.K. Kenter, die deze woning krachtens aanvullende arbeidsovereenkomst sedert 1956 bewoonde, in October 1960 ontslag uit de dienst van N.D.S.M. heeft genomen teneinde elders meer te kunnen verdienen, tengevolge waarvan Kenter voormeld verplicht was bedoelde woning te ontruimen, nu zowel het tussen Landsmeer en N.D.S.M. gesloten huurcontract als bedoelde arbeidsovereenkomst zulks bepaalde, en gelet op de door het Hof in zijn arrest vermelde belangen van aan Landsmeer een beleid verwijt, dat Landsmeer in andere zin geen behoorlijk bestuursbeleid heeft gevoerd dan dat Landsmeer in strijd met bedoelde overeenkomsten heeft gehandeld of de vordering zou berusten op willekeur of misbruik van bevoegdheid als voormeld dan wel de vordering strijdig zou zijn met de daaraan te stellen eisen van redelijkheid de rechter in verband met artikel 32 van de Woonruimtewet 1947 de bevoegdheid mist dit beleid aan doelmatigheid te toetsen en mede op grond daarvan recht te doen, de aangehaalde wetsartikelen heeft miskend, aangezien iedere toetsing van overheidsbeleid, ook die volgens de door het Hof zelf aangegeven richtlijn, onder omstandigheden kan medebrengen, dat de burgerlijke rechter dit beleid beoordeelt, en de mede door Landsmeer voorgedragen maatstaf slechts dan ondeugdelijk zou zijn, indien de toepassing daarvan tot noodzakelijk gevolg zou moeten hebben, dat bedoelde rechter in alle gevallen het overheidsbeleid beoordeelt, waaraan niet afdoet en kan afdoen, dat woonruimtevorderingen met inachtneming van artikel 32 van de Woonruimtewet 1947 gedaan geacht worden een doelmatige verdeling van woonruimte in de gemeente te bevorderen en dat tegenbewijs voor de rechter in burgerlijke zaken niet is toegelaten, omdat de vraag, of het vorderingsbeleid beantwoordt aan de eisen van behoorlijk bestuur, daarmede niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onttrokken;" Aangaande dit middel: Overwegende dat voorop worde gesteld dat een overheidsorgaan dat gebruik maakt van een in hoofdzaak discretionaire bevoegdheid, als in artikel 7 van de Woonruimtewet aan Burgemeester en Wethouders is gegeven, bij de afweging van de daarbij in aanmerking komende belangen in beginsel vrij is naar eigen inzicht de rangorde dier belangen te bepalen en overeenkomstig dat inzicht te beslissen; dat de burgerlijke rechter die op grond van artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek tot de beoordeling van een op grond van een dergelijke bevoegdheid verrichte bestuurshandeling wordt geroepen, aangenomen dat aan de wettelijke voorschriften die het gebruik van die bevoegdheid beheersen, overigens is voldaan, daarbij in het algemeen slechts zal mogen ingrijpen, indien het desbetreffende orgaan hetzij van zijn bevoegdheden een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waartoe die bevoegdheid is gegeven, hetzij bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen; dat de beperking die de burgerlijke rechter zich in zijn beoordeling heeft op te leggen, bij woonruimtevorderingen daarbij nog in het bijzonder voortvloeit uit artikel 32 van de Woonruimtewet dat de doelmatigheid van de verdeling van de woongelegenheid in de gemeente uitdrukkelijk aan het oordeel van den rechter onttrekt; dat een rechtstreeks toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals artikel 5 van de Wet Administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie deze ten aanzien van de daarin bedoelde handelingen en besluiten opdraagt aan den daar aangewezen administratieve rechter, op welke beginselen in het middel onder c wordt gedoeld, daarom in het bijzonder ten aanzien van de belangenafweging waarop een woonruimtevordering berust, buiten de te dezen aanzien voor den burgerlijken rechter bestaande taak valt, al is niet uitgesloten dat die beginselen binnen het kader van de beoordeling van de vraag of de vorderende autoriteit in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, onder omstandigheden in het oordeel van den rechter zullen kunnen worden betrokken; dat, voor zover het middel onder c een verdergaande toetsing aan die beginselen bedoelt te verdedigen, het ongegrond is; Overwegende dat het middel zowel in zijn onderdeel a, als in zijn onderdeel b het verwijt bevat dat het Hof bij zijn beslissing dat niet is gebleken dat Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landsmeer bij de afweging van alle belangen in redelijkheid niet tot de beslissing hadden kunnen komen om de onderhavige woning ten beh niet is gebleken dat Burgemeester en Wethouders van Landsmeer niet in redelijkheid tot het besluit hebben kunnen komen om de onderhavige woning ten behoeve van Kenter en zijn gezin te vorderen; Overwegende dat het middel deze beslissing terecht bestrijdt; dat immers, al sluit inderdaad een overeenkomst, als waarvan hier sprake is, een daarvan afwijkend gebruik van de vorderingsbevoegdheid niet uit zulk een afwijking haar rechtvaardiging slechts zal kunnen vinden in omstandigheden welke door het gemeentebestuur bij de overeenkomst niet waren voorzien en de vorderende autoriteit in redelijkheid hebben kunnen leiden tot het oordeel dat de bij een doelmatige verdeling van woongelegenheid in de Gemeente betrokken belangen zich met inachtneming van de overeenkomst niet langer verdragen en tot afwijking daarvan noodzaken; dat toch de vrijheid van de administratie, welke uit de artikelen 7 en 32 der Woonruimtewet in onderling verband valt af te leiden, om te beoordelen of in een bepaald geval, gelet op de rechtspositie van partijen en alle overige in aanmerking te nemen belangen, de voorwaarden aanwezig zijn voor het gebruikmaken van de in de Woonruimtewet gegeven vorderingsbevoegdheid niet zover gaat, dat de administratie die zichzelf met betrekking tot de uitoefening van haar vorderingsbeleid zekere grenzen heeft gesteld — bij voorbeeld door, gelijk te dezen, bij overeenkomst door haar in de vervulling van haar taak om een doelmatige verdeling van de woongelegenheid in de Gemeente te bevorderen gesloten met een aldaar gevestigd groot bedrijf, haar gedragslijn ten opzichte van de beschikking over de met behulp van deze overeenkomst verkregen meerdere woonruimte vast te leggen — van de aldus zichzelf gestelde richtlijn naar willekeur mag afwijken, dat wil zeggen zonder dat er aanwezig zijn onvoorziene omstandigheden als bovenbedoeld die haar tot deze afwijking in redelijkheid noodzaken; dat de rechter die geroepen wordt in zodanig geval de rechtmatigheid van de woonruimtevordering te beoordelen, indien de administratie, die bij haar vordering is afgeweken van de gedragslijn waaraan zij zichzelf heeft gebonden, niet op onvoorziene omstandigheden als bedoeld beroep kan doen, zal moeten aannemen dat zij haar bevoegdheid heeft overschreden en derhalve de vordering die inhoudt een aantasting van burgerlijke rechten, is onrechtmatig; dat indien de administratie op omstandigheden, als bovenbedoeld, die naar haar oordeel in redelijkheid een afwijking van datgene waartoe zij zich gebonden had wèl een beroep doet, de rechter voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de vordering niet zijn waardering van deze omstandigheden voor die van de administratie in de plaats mag stellen; dat voor tussenkomst van den rechter in zodanig geval echter weer wèl reden is indien moet worden aangenomen, gelet op alle in aanmerking komende belangen, dat de vorderende autoriteit in redelijkheid niet kon oordelen dat er sprake was van onvoorziene omstandigheden van zodanige betekenis dat daarvoor de gebondenheid der administratie aan de betreffende gedragslijn moest wijken; dat ten aanzien van de onderhavige woonruimtevordering — waarvan vaststaat dat zij ten doel had een voormaligen werknemer van N.D.S.M. die zelf zijn dienstbetrekking bij N.D.S.M. reeds geruimen tijd tevoren had verbroken, daarom de hem voor den duur van zijn dienstbetrekking verhuurde woning had moeten ontruimen en daartoe ook bij rechterlijk vonnis was veroordeeld, en dat zij in strijd was met hetgeen het gemeentebestuur van Landsmeer tegenover N.D.S.M. op zich had genomen, terwijl zij werd gedaan in dier voege dat N.D.S.M. voor onbepaalden tijd van de beschikking over die woning werd verstoken — omstandigheden als bovenbedoeld door het Hof niet zijn vastgesteld; dat het arrest dus niet in stand kan blijven en het Hof nader zal moeten onderzoeken of omstandigheden als hierboven bedoeld gesteld en aanwezig zijn; Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam; Verwijst het g