Rechtspraak Hoge Raad 1962-06-12
ECLI:NL:HR:1962:AG2057
12 Juni 1962 Nr .: 61431 Br. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Op het beroep van den Officier van Justitie in het arrondissement Breda , requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Breda van 25 Januari 1962, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een schriftelijk vonnis van den Kantonrechter te Bergen op Zoom van 15 Juni 1961, [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1899, van beroep kapper, wonende te [plaats] , ter zake van het te zijnen laste bewezenverklaarde werd ontslagen van alle rechtsvervolging; Gehoord het verslag van den Raadsheer Eijssen; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur- Generaal aan den gerequireerde uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij schriftuur en luidende: "Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 351, 352, 423 en 425 van het Wetboek van Strafvordering in verband met artikel 102 van de Algemene Politieverordening voor de Gemeente Bergen op Zoom door met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter waarbij het telastegelegde werd bewezen verklaard en verdachte werd veroordeeld, te verklaren dat zowel hetgeen verdachte primair als subsidiair is telastegelegd niet is een strafbaar feit en de verdachte terzake van het primair en terzake van het subsidiair telastegelegde te ontslaan van rechtsvervolging, zulks in stede van het vonnis, waarvan beroep te bevestigen. " ; Gehoord den Advocaat-Generaal s'Jacob, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het vonnis, waarvan beroep in cassatie zal vernietigen, doch alleen voorzover daarbij de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar zijn geoordeeld en gerequireerde te dier zake van alle rechtsvervolging is ontslagen, alsmede voorzover daarbij het subsidiair telastegelegde is bewezenverklaard, en, ten principale rechtdoende ingevolge artikel 105 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, het bewezenverklaarde zal qualificeren als "in de gemeente Bergen op Zoom enig middel tot voorkoming of verstoring van zwangerschap ten verkoop of ter verspreiding voorhanden hebben", gerequireerde te dier zake strafbaar zal verklaren en hem met toepassing van de artikelen 5, 102 en 124 van de Algemene Politieverordening Bergen op Zoom en de artikelen 23, 33, 33a en 91 van het Wetboek van Strafrecht zal veroordelen tot een geldboete van zestig gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor den tijd van twaalf dagen, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen preservatiefs en met last tot teruggave aan gerequireerde van de overige inbeslaggenomen voorwerpen; Overwegende dat aan gerequireerde bij inleidende dagvaarding is tenlastegelegd: "dat hij op of omstreeks 8 maart 1961 onder de gemeente Bergen op Zoom in perceel [a-straat 1] , een aantal preservatiefs - zijnde middelen ter voorkoming van zwangerschap - ten verkoop, althans ter verspreiding voorhanden heeft gehad, zulks terwijl het bepaalde in een der artikelen 240 bis, 451 ter of 451 quater van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing was; althans ter zake dat hij in de periode van 1 januari 1961 tot en met 8 maart 1961 onder de gemeente Bergen op Zoom , aan een persoon, genaamd [betrokkene 1] , welke persoon geen huisgenoot van hem-verdachte- was, een aantal preservatiefs-zijnde middelen ter voorkoming van zwangerschap, blijvend althans tijdelijk, heeft afgestaan, zulks terwijl het bepaalde in een der artikelen 240 bis, 451 ter of 451 quater van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing was."; Overwegende dat de Rechtbank bij het bestreden vonnis heeft bewezenverklaard, dat gerequireerde "het primair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 8 maart 1961 onder de gemeente Bergen op Zoom in perceel [a-straat 1] , een aantal preservatiefs-zijnde middelen ter voorkoming van zwangerschap- ten verkoop voorhanden heeft gehad, zulks terwijl enig middel tot voorkoming of verstoring van zwangerschap ten verkoop of ter verspreiding voorhanden te hebben"; dat het in deze bepaling, aanhef juncto sub b, onder meer gestelde verbod enig middel ter voorkoming van zwangerschap ten verkoop voorhanden te hebben, ook gevallen bestrijkt, waarin dat voorhanden hebben van zodanig middel elk karakter van openbaarheid mist en de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of enig ander huishoudelijk gemeentebelang in geen enkel opzicht zijn betrokken, zoals bijvoorbeeld het ten verkoop voorhanden hebben van zodanig middel in een tas of kast weggesloten, voor het publiek onzichtbaar op een voor het publiek niet toegankelijke plaats, of als zodanig onherkenbaar verpakt op particulier van de openbare weg afgesloten terrein, en zulks met als enige bedoeling van de voorraadhouder deze middelen bij zich thuis te verkopen aan een of enkele huisgenoten, aan een of enkele particulieren, die hem voor zich privé daarom vragen, zonder dat anderen dat kunnen waarnemen; dat derhalve bedoeld verbod, in zijn algemeenheid niet meer gerekend kan worden uitsluitend te strekken in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of te betreffen het huishouden der gemeente, en in artikel 102, aanhef juncto sub b, van de Algemene Politieverordening derhalve de door artikel 168 der Gemeentewet aan de verordeningsbevoegdheid der gemeente gestelde grenzen worden overschreden, zodat artikel 102 aanhef juncto sub b van de Algemene Politieverordening in zoverre verbindende kracht mist, waaruit volgt, dat de terzake van dat artikel uitgesproken veroordeling niet in stand kan blijven, en verdachte, nu het bewezenverklaarde ook niet bij enige andere wettelijke bepaling is strafbaar gesteld, moet worden ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot dit bewezenverklaarde punt der telastelegging; dat mitsdien niet onderzocht behoeft te worden of bedoeld artikel 102, aanhef juncto sub b van de Algemene Politieverordening voor zover dat verbod inhoudende, ook nog op anderen grond verbindende kracht mist;"; Overwegende dat de Rechtbank bij het bestreden vonnis voorts heeft bewezenverklaard, dat gerequireerde "het 102 subsidiair telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 januari 1961 tot en met 8 maart 1961 onder de gemeente Bergen op Zoom , aan een persoon, genaamd [betrokkene 1] , welke persoon geen huisgenoot van hem-verdachte- was, een aantal preservatiefs- zijnde middelen ter voorkoming van zwangerschap- blijvend heeft afgestaan, zulks terwijl het bepaalde in een der artikelen 240 bis, 451 ter of 451 quater van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing was", en dat de Rechtbank dienomtrent heeft overwogen als volgt: "dat dit bewezenverklaarde, hoewel voorzien en strafbaar gesteld bij de artikelen 102 aanhef juncto sub a, hierboven geciteerd, en 5 van de Algemene Politieverordening naar het oordeel van de Rechtbank niet oplevert een strafbaar feit; dat het in deze bepaling van artikel 102 van de Algemene Politieverordening onder meer gestelde verbod enig middel ter voorkoming van zwangerschap blijvend aan een niet-huisgenoot af te staan, ook gevallen bestrijkt, waarin de verboden handeling elk karakter van openbaarheid mist, en de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, of enig ander huishoudelijk gemeentebelang daarbij in geen enkel opzicht zijn betrokken, zoals het blijvend afstaan van zodanig middel zonder publiciteit in een particuliere woning, of op dat particulier terrein, afgesloten van de openbare weg; dat derhalve ook dit verbod in zijn algemeenheid, niet meer gerekend kan worden uitsluitend te strekken in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of te betreffen het huishouden der gemeente, en in artikel 102, le aanhef juncto sub a derhalve de door artikel 168 der Gemeentewet aan de verordeningsbevoegdheid der gemeente gestelde grenzen worden overschreden, zodat artikel 102, aanhef juncto sub a in zoverre verbindende kracht mist; waaruit v