Rechtspraak Hoge Raad 1961-03-17
ECLI:NL:HR:1961:111
17 Maart 1961 MO. De Hoge Raad Der Nederlanden , in de zaak (no. 9456) van: [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank aldaar op 17 Juni 1960 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. G.J. Scholten, advocaat bij den Hoge Raad, tegen De Naamloze Vennootschap Zuivelfabriek en Melkinrichting “De Verenigde Melkbedrijven” (V.M.), gevestigd te Utrecht, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal Eijssen in zijn conclusie namens den Procureur-Generaal strekkende tot verwerping van het beroep en veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat verweerster, nader te noemen de N.V., aan den Kantonrechter te Utrecht bij inleidend verzoekschrift heeft gevraagd om eiser, nader te noemen [eiser], te veroordelen tot ontruiming van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats] op een door dien Kantonrechter te bepalen datum uiterlijk vallende op 31 December 1959, daartoe stellende: “dat van 1 Juni 1957 tot 17 September 1959 bij de N.V. in dienstbetrekking heeft gearbeid [eiser], wonende [a-straat 1] te [woonplaats], zulks tegen een arbeidsloon laatstelijk groot ƒ 69.88 per week bruto plus vrije bewoning van de aan verzoekster in eigendom toebehorende dienstwoning [a-straat 1] te [woonplaats], waarvan de huurwaarde tussen partijen – zulks ter berekening van loonbelasting en sociale lasten – laatstelijk werd vastgesteld op ƒ 9,-- per week; dat voormelde dienstbetrekking op 17 September 1959 is geëindigd, met welke beëindiging [eiser] akkoord is gegaan; dat [eiser] zich verbonden heeft bij beëindiging der dienstbetrekking de dienstwoning [a-straat 1] te [woonplaats] direkt te ontruimen en verlaten met al de zijnen en het zijne en onder overgifte der sleutels ter vrije beschikking van verzoekster te stellen; dat [eiser] met ontruiming in gebreke is gebleven ondanks aanmaning; dat de N.V. derhalve een vordering tot ontruiming tegen [eiser] wenst in te stellen;” dat [eiser] deze vordering heeft bestreden en zich op huurbescherming heeft beroepen; dat de Kantonrechter daarop bij vonnis d.d. 28 December 1959 aan de N.V. haar vordering heeft ontzegd, daartoe overwegende: “dat de N.V. heeft gevorderd, dat [eiser] de woning [a-straat 1] te [woonplaats] zal ontruimen en wel, omdat [eiser] deze woning in gebruik had als sequeel van zijn dienstbetrekking bij eiseres en deze dienstbetrekking per 17 September 1959 is beëindigd; dat [eiser] heeft gesteld, dat hij zich beroept op huurbescherming, omdat hij getrouwd is, een kind heeft en niet zou weten hoe hij andere huisvesting zou kunnen krijgen; dat de Directeur van het Gemeentelijk Huisvestingbureau ons bij schrijven d.d. 24 November 1959 – welk schrijven aan het procesdossier ter inzage van partijen is toegevoegd – heeft bericht, dat de litigieuze woning niet als dienstwoning wordt aangemerkt en dat voor [eiser] géén andere woning beschikbaar is; dat – zakelijk – het standpunt van de N.V. is, dat in casu geen beroep op huurbescherming kan worden gedaan, omdat er geen sprake is van een zelfstandige huurovereenkomst, dat de Huurwet de huurbescherming vastkoppelt aan “het einde van de huur en verhuur” – artikel 18 lid 1 – en niet onderscheidt tussen zelfstandige en onzelfstandige huur en verhuur; dat de ratio van de huurbescherming gezocht moet worden in de schaarste aan gebouwd onroerend goed, waardoor de “huurder” bij het einde van de huur niet zonder meer andere woongelegenheid kan vinden; dat in verband met deze ratio het er weinig toe doet of een huurder het genot van een woning heeft ingevolge een zelfstandige dan wel ingevolge een onzelfstandige overeenkomst van huur en verhuur; dat naar Ons oordeel bij alle vragen van deze aard het er, gezien de bedoeling van de wetgever, om gaat, of van de verhuurder al dan niet kan worden gevergd de huurder of gewez als eerste grief tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd dat de Kantonrechter het begrip dienstwoning heeft miskend, waardoor ten onrechte aan [eiser] een beroep op huurbescherming is toegekend; dat de Rechtbank deze grief gegrond acht en met de N.V. van oordeel is dat de onderhavige woning wel degelijk als dienstwoning moet worden aangemerkt; dat toch als gesteld en erkend, althans niet betwist, alsmede door het contract d.d. 1 Juni 1958, dat door de N.V. is overgelegd en door [eiser] is erkend, ten processe vaststaat: dat [eiser] van 1 Juni 1957 tot 17 September 1959 bij de N.V. in dienst is geweest, dat de N.V. op 17 Augustus 1959 de litigieuze, haar in eigendom toebehorende woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] ter beschikking van [eiser], die deze thans nog bewoont, heeft gesteld, nadat partijen te dier zake op of omstreeks 1 Juli 1958 schriftelijk nader waren overeengekomen als volgt 1. De N.V. zal ingaande 17 Augustus 1958 aan partij ter andere ter beschikking stellen voor bewoning een dienstwoning, staande en gelegen in de Gemeente [woonplaats] aan de [a-straat 1], zulks gedurende de tijd, dat de dienstbetrekking van partijen ter andere bij de N.V. voortduurt, 2. Bij beëindiging der dienstbetrekking, op welke wijze deze ook geschiedt, is de werknemer zonder enige aanmaning of ingebrekestelling verplicht, onmiddellijk de hem door de N.V. ter beschikking gestelde dienstwoning te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijnen onder afgifte van de sleutels, onder verbeurte ener direct opvorderbare dwangsom, groot ƒ 25.-- per dag, aan de N.V. te betalen voor elke dag, dat hij in gebreke blijft aan bovenomschreven verplichting te voldoen. 3. De werknemer verplicht zich geen andere personen dan zijn gezinsleden in het onderhavige perceel te huisvesten, tenzij met schriftelijke toestemming der N.V. 4. De beloning van de arbeidsprestatie van de werknemer, verricht in dienstbetrekking der N.V. zal in afwijking van de tot op heden bestaande regeling als volgt geregeld worden en bestaan uit: a. Gratis gebruik van de hiervorengenoemde dienstwoning. b. Een bedrag in geld, groot ƒ 1.35 per arbeidsuur, vermeerderd met eventuele vergoedingen voor waarderingspremie, huurcompensatie en extra werkzaamheden, één en ander overeenkomstig de op dit terrein geldende wettelijke bepalingen, wekelijks verminderd met een bedrag van ƒ 9.50, of zoveel meer of minder als de huurwaarde van het onderhavige perceel, berekend naar de wettelijke geoorloofde huurprijs daarvan, inclusief straatbelasting zal bedragen. dat blijkens de inhoud van vorenstaande overeenkomst bedoelde, aan de N.V. toebehorende woning door haar in overbrekelijk verband met de onderhavige arbeidsovereenkomst ter beschikking van [eiser] is gesteld, volgende uit deze overeenkomst o.m., dat de N.V. het genot van de woning niet tegen de wil van [eiser] met instandhouding van het dienstverband kon doen eindigen, terwijl anderzijds het recht op dat genot gelijktijdig met de dienstbetrekking een einde nam; dat derhalve – ook al zou artikel 4 van het contract aldus moeten worden verstaan dat de huurwaarde van de woning op het loon van [eiser] werd ingehouden – te dezen geen sprake is van huur en verhuur in de zin van artikel 1584 van het Burgerlijk Wetboek en evenmin in de zin van de Huurwet, zodat aan [eiser] een beroep op huurbescherming niet toekomt, terwijl ook artikel 29 der Huurwet toepassing mist; dat nu tussen partijen vaststaat dat de dienstbetrekking op 17 September 1959 geëindigd is en de N.V. slechts aan [eiser] tot 31 December 1959 de tijd heeft gegeven om andere woonruimte te zoeken, [eiser] mitsdien krachtens der partijen overeenkomst gehouden is de litigieuze woning te ontruimen; dat derhalve de vordering van de N.V. met vernietiging van het vonnis a quo, alsnog dient te worden toegewezen, met dien verstande dat de Rechtbank in verband met de heersende woningnood termen vindt de ontruimingstermijn op twee maanden te stellen;” Overwegende dat [eiser] als midd