Rechtspraak Hoge Raad 1960-04-13
ECLI:NL:HR:1960:123
13 April 1960. v.H. no. 14068 De Hoge Raad der Nederlanden Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 April 1959 betreffende hem opgelegden aanslag tot heffing van premie krachtens de Algemene Ouderdomswet voor het jaar 1957; Gehoord den advocaat van belanghebbenden; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wien voor het jaar 1957 een aanslag tot heffing van premie krachtens de Algemene Ouderdomswet ten bedrage van ƒ 465,-- is opgelegd, na vergeefse reclame zich heeft gewend tot het Gerechtshof; Overwegende dat het Hof in zijn uitspraak het standpunt van belanghebbende als volgt heeft weergegeven: “dat hij van beroep predikant is bij de Gereformeerde kerk te [Z]; dat hij zijn levensonderhoud dient te verkrijgen van de Kerk, waaraan hij als predikant verbonden is, ook als hij emeritus zal zijn; dat deze opvatting steun vindt in de Bijbel en in artikel 13 van de Dordtse kerkorde; dat de Algemene Ouderdomswet, voorzover zij daadwerkelijk ook de predikanten der gereformeerde Kerk in haar regeling betrekt, aan de financiële en geestelijke zelfstandigheid van die kerk te kort doet, aangezien de predikanten (als regel) zelf geen eigen inkomsten of verdiensten hebben, maar krachtens schriftuurlijke inzetting zonder zorg van het evangelie moeten kunnen leven, zodat alle lasten, die op de predikanten gelegd worden, noodzakelijkerwijs op de kerken komen te drukken; dat de volledige zorg voor de dienaren des Woords een integrerend onderdeel is van “den godsdienst en de uitoefening daarvan”; dat derhalve de Algemene Ouderdomswet in strijd komt met artikel1 van de wet van 10 September 1853, Staatsblad 102, tot regeling van het toezicht op de onderscheidene kerkgenootschappen; dat de Algemene Ouderdomswet hierdoor tevens in strijd komt met de artikelen 181, 812 en 183 der grondwet; dat in de Algemene Ouderdomswet niet een uitdrukkelijke bepaling voorkomt, welke aan het bepaalde in artikel 1 der wet op de kerkgenootschappen van 1853 derogeert; dat integendeel Minister Suurhoff in de tweede kamer (Handelingen 1956, bladzijde 3880) nadrukkelijk heeft betoogd, de vrijheid der kerken niet te willen aantasten; dat het Koninklijk Besluit van 20 December 1956, Staatsblad 626, dat het ter uitvoering van artikel 36 der Algemene Ouderdomswet is gegeven, niet voldoet aan het wettelijke voorschrift van dat artikel 36; dat genoemd Koninklijk Besluit een beperking geeft, die de wet niet kent, namelijk dat men overwegende gemoedsbezwaren dient te hebben tegen elke verzekering, welke ook; dat hij (belanghebbende) geen bezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, doch slechts tegen het systeem van de Algemene Ouderdomswet; dat de bezwaarden van gemoed voorts dienen te betalen, zij het onder het mom van een verhoogde aanleg in de inkomstenbelasting, waartegenover echter geen enkel ander voordeel staat; dat de wet hierdoor in strijd komt met artikel 189, en tevens met de artikelen 181 en 183, van de Grondwet; dat alle Nederlandse wetten door de rechter dienen te worden getoetst aan het verdrag van Rome tot bescherming van de rechten van den mens en de fundamentele vrijheden, welk verdrag is goedgekeurd bij de wet van 28 Juli 1954, Staatsblad 335; dat de Algemene Ouderdomswet, voorzover deze hem als predikant beoogt te binden, in strijd is met voormeld tractaat en derhalve voor hem als predikant relatief nietig is; dat de leden 3 tot en met 12 van artikel 36 Algemene Ouderdomswet absoluut nietig zijn; dat hij de berekening der premie niet betwist, maar ontkent deze premie schuldig te zijn; dat in ’s Hofs uitspraak het standpunt van den inspecteur is weergegeven als volgt” dat de verplichting tot betaling van de premie der Algemene Ouderdomswet niet rust op de kerk, doch op de predikant; dat de kerk zich moreel gebonden kan achten om het traktement van de predikant te verhogen met de door deze te betalen premie; dat hieruit echter voor Haar geen enkele verplichting ten opzicht inbreuk maakt op de rechten en vrijheden, welke bij het te Rome op 4 November 1950 ondertekende verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (goedgekeurd bij de wet van 28 Juli 1954, Staatsblad 335) door de Hoge Verdragsluitende Partijen werden gewaarborgd aan een ieder, die onder Hare rechtsmacht ressorteert, zijnde de Nederlandse rechter bevoegd en verplicht Nederlandse wetten aan genoemd Verdrag van Rome te toetsen; Dat een onderzoek naar de juistheid van de hiervoren sub 1e en 2e weergegeven stellingen van belanghebbende niet aan de orde behoeft te komen, omdat door artikel 131, tweede lid, der grondwet aan de rechter de toetsing ener wet aan de grondwet is ontzegd, terwijl evenmin zulk een wet – in casu de Algemene Ouderdomswet – buiten toepassing zou mogen worden gelaten op grond van bepalingen, voorkomende in andere vroegere wetten, daar zij toch evenzeer rechtskracht heeft als deze; Dat niet hetzelfde geldt voor de hierboven sub 3e weergegeven stelling van belanghebbende; Dat immers artikel 66 der Grondwet bepaalt, dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijk voorschriften geen toepassing vinden, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten met andere Mogendheden, die hetzij vóór, hetzij na de totstandkoming der voorschriften zijn aangegaan; Dat onder een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten zijn te verstaan zelfwerkende bepalingen van overeenkomsten; Dat het Hof in overeenstemming met de bij de totstandkoming van voormelde wet van 28 Juli 1954 kenbaar gemaakte opvatting van de regering – zie memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer, zitting 1953 - 154 – 3043, no. 6 bladzijde 2 – van oordeel is, dat met nemen de artikelen 8 tot en met 11 van genoemd Verdrag, en in het bijzonder ook de bepaling van artikel 9, waarop belanghebbende zich beroept, zelfwerkende bepalingen zijn, zodat de rechter niet alleen bevoegd, doch zelfs verplicht is nationale Nederlandse wetten aan genoemd verdrag te toetsen; Dat derhalve is na te gaan of door de in Nederland op het stuk van godsdienstvrijheid bestaande wettelijk bepalingen, zoals die in de loop van enige eeuwen zijn gegroeid, in verband met de bepalingen der Algemene Ouderdomswet inbreuk wordt gemaakt op de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gewaarborgd in genoemd Verdrag )waarvan de tekst in Tractatenblad 1951 no. 154 is geplaatst), in casu in het bijzonder in artikel 9 van dat verdrag, welk artikel in de Franse authentieke tekst luidt: “1. Toute personne a droit à la liberté de pensée, de conscience et le religion; ce droit implique la liberté de changer de religion ou de conviction, ainai que la liberté de manifester sa religion ou sa conviction individuellement ou collectivemenbt, en public ou en privé, par le culte, l’enseignement, parctique et l’accomplissement des rites 2. La liberté de manifester sa religion ou ses convictions ne peut faire l’object d’autres restrictions que celles qui, prévues par la loi, constituent des mesures nécessaires, dans une société démocratique, à la securité publique, à la protection de l’ordre, de la santé ou de la morale publique, ou à la protection des droits et libertés d’autrui;” Dat bij dit onderzoek op de voorgrond dient te worden gesteld, dat in Nederland de bepaling van het eerste lid van dit artikel 9, betrekkelijk tot godsdienstvrijheid, reeds gevonden wordt in artikel XIII van de Unie van Utrecht van 23 Januari 1579, waarin “soe veel tpoinct van de religie aangaat” aan elk der provinciën vrijheid werd gelaten, een zodanige regeling te treffen, als haar zou goeddunken, waarbij slechts dit voorbehoud werd gemaakt “dat een yder particulier in zijn religie vrij sal moegen blijven ende dat men nyemant ter causu van de religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken”; Dat hier een strikt onderscheid werd gemaakt tussen “religie”, dat wil zeggen gewetensvrijheid, welk beginsel werd aanvaard, en “exercitie van de religie het ouderdomspensioen, waarop zij alsdan volgens deze wet recht hebben, aan te vragen dan wel een ambtshalve toegekend ouderdomspensioen in te vorderen, zodat belanghebbende ook na het bereiken van de vijf en zestigjarige leeftijd vrij blijft om datgene, wat hij voor zijn levensonderhoud nodig heeft, uitsluitend en volledig te ontvangen van de Kerk, welke hij dient; dat de verplichting tot het betalen der premie, die in principe voor een ieder geldt, ongeacht welke godsdienst hij belijdt, dus geen inbreuk maakt op zijn recht op vrijheid van gedachte, geweten of godsdienst; dat dit te meer klemt, nu belanghebbende niet heeft aangevoerd en uit zijn stellingen ook niet voortvloeit, dat hij bezwaar heeft tegen het verzekeren tegen geldelijke gevolgen van ouderdom in het algemeen; dat een belijder van een bepaalde godsdienst het wel als onbillijk kan aanvoelen, dat hij van een algemeen werkende, voor een ieder geldende regeling op grond van zijn godsdienstige overtuiging niet de voordelen kan genieten, maar wel de lasten moet dragen, docht dit gevoel geen beperking medebrengt in zijn recht om zijn godsdienstige overtuiging te belijden; dat alzo de Algemene Ouderdomswet reeds op deze grond geen inbreuk maakt op het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals omschreven in het eerste lid van artikel 9 van het Verdrag, en hierom evenmin bevat een beperking van de vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden, zoals bedoeld in het tweede lid van gemeld artikel 9; dat nu, zoals hiervoren overwogen, de verplichting tot het betalen der premie in principe voor een ieder geldt, van strijd met artikel 189 der grondwet om deze reden alleen reeds geen sprake is; dat in de stellingen van belanghebbende ook ligt opgesloten, dat hij zelf gemoedsbezwaren heeft tegen de algemeen in de Algemene Ouderdomswet geregelde verzekering; dat de wet voor diegene, die gemoedsbezwaren heeft, een vrijstellingsmogelijkheid kent in artikel 36 van de Algemene Ouderdomswet; dat nu het Hof in de wet deze mogelijkheid aantreft, het Hof belanghebbendes beroep op gemoedsbezwaren niet kan en mag onderzoeken en het aan belanghebbendes geweten moet worden overgelaten of hij van de wettelijke mogelijkheid gebruik wil maken; dat ook de bewering, dat ter uitvoering van gemeld artikel 36 vastgestelde algemene maatregel van bestuur in strijd is met de wet, omdat deze een beperking zou inhouden, die de wet niet kent, niet nader onderzocht behoeft te worden, nu gemeld artikel 36 bepaalt, dat de vrijstelling van de wettelijke verplichtingen geschiedt met inachtneming van bij deze algemene maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden;” Overwegende dat het Hof op deze gronden de bezwaren van belanghebbendes heeft verworpen en de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende het navolgende middel van cassatie voorstelt: “Schending of verkeerde toepassing van: artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1 van de Wet op de Kerkgenootschappen van 1853, de artikelen 4, 57, 60, 61, 63, 65, 66, 181, 182, 183, 189 van de grondwet (tekst 1956) de artikelen 1, 8, 9, 13, 14, 18 van het Verdrag van Rome, Tractatenblad 1951, nummer 154, juncto de wet van 28 juli 1954, Staatsblad 1954/335, de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 22, 23, 26, 30, 33, 35, 36, 40, 41, 42 van de Algemene Ouderdomswet 1956, de artikelen 1, 2 en 17 van het Koninklijk Besluit van 20 December 1956, Staatsblad 626, artikel 5 van de Aanpassingswet van 20 December 1956, Staatsblad 616, artikel 5 van de wet houdende algemene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, doordat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld: 1. dat een wettelijke verplichting, die voor een ieder geldt, ongeacht welke godsdienst hij belijdt, geen enkele inbreuk kan maken op de vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst. In die opvatting zou dus met de opvattingen van minderheden en (of) individuen in het Het of wil deze tegenover elkander staande factoren, die tezamen behoren tot het verzekeringssysteem van de wet, van elkander scheiden. Door dit te doen wordt de wet geweld aangedaan. In deze gedachtengang zou ook artikel 36 Algemene Ouderdomswet geen enkele zin hebben. Waarom immers dan nog rekening gehouden met de gemoedsbezwaren tegen de in deze wet geregelde verzekering, indien het er slechts om ging om een bedrag te betalen, dat men heft onder de naam “premie”? De wet beoogt wel om ieder onder te brengen in een verzekeringssysteem, waarin belanghebbende krachtens zijn geestelijke ambt niet mag participeren. Door hem te verplichten tot het betalen van premie wordt met dit alles geen rekening gehouden. 6. dat de stelling, dat de teer uitvoering van artikel 36 Algemene Ouderdomswet vastgestelde algemene maatregel van bestuur in strijd is met de wet, omdat deze een beperking zou inhouden, die de wet niet kent, niet nader onderzocht behoeft te worden, nu gemeld artikel bepaalt, dat de vrijstelling van de wettelijke verplichtingen geschiedt met inachtneming van bij deze algemene maatregel van bestuur te stellen maatregelen en voorwaarden. De te stellen maatregelen en voorwaarden kunnen nooit zover gaan, dat zij aan degene, die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet geregelde verzekering, de door artikel 36 geboden mogelijkheid van vrijstelling ontneemt, gelijk in casu geschiedt. Aanvullende voorschriften door een lager orgaan kunnen volgens arrest van de Hoge raad van 16 februari 1948 (B 8508) immers slechts gegeven worden op grond van de wet en binnen de grenzen door de wet getrokken. Belanghebbende hefet geen bezwareb tegen iedere vorm van verzekering, doch slechts tegen de in de wet geregelde verzekering. Als de wetgever een recht op vrijstelling toekent, mag dit recht door een lager orgaan niet worden beperkt (vergelijk ook arrest van de Hoge raad van 1 februari 1952 N.J. 1953 no. 130). 7. Dat het voor een belijder van een bepaalde godsdienst geen beperking mede brengt in zijn recht om zijn godsdienstige overtuiging te belijden, indien hij wel voor deze regeling moet betalen, doch niet de voordelen daarvan kan genieten. Ook hier wederom de onjuiste opvatting, dat slechts gelet behoeft te worden op de vrijheid zijn godsdienst te belijden en niet op het beleven daarvan in de practijk des levens. Nu de wet een verzekeringssysteem heeft aanvaard, komt de vrijstellingsregeling van artikel 36 neer op het heffen van belasting ten laste van diegenen, die gemoedsbezwaren hebben.” Ten aanzien van het middel: Overwegende dat de eerste drie grieven zijn gericht tegen de verwerping door het Hof van het beroep op artikel 9 van het op 30 November 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van den mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de Wet van 28 Juli 1954, Staatsblad 335, waarmede belanghebbende zich tegen den hem opgelegden aanslag tot heffing van premie krachtens de Algemene Ouderdomswet heeft verweerd, terwijl ook de vijfde en de zevende grief daarmede verband houden; dat belanghebbende blijkens ’s Hofs uitspraak als grond van dit beroep heeft aangevoerd dat hij naar zijn opvatting, ontleend aan den Bijbel en aan de kerkorde die voor hem geldt, zijn levensonderhoud dient te verkrijgen van de kerk waaraan hij als predikant verbonden is, ook als hij emeritus zal zijn, en dat derhalve de Algemene Ouderdomswet, voorzover deze hem ondanks die opvatting beoogt te binden, wegens strijd met het Verdrag voor hem niet kan gelden; dat belanghebbende hierbij blijkens de eerste grief uitgaat van de opvatting dat het eerste lid van artikel 9 van het Verdrag tot doel en strekking heeft minderheden en individuen te beschermen in hun vrijheid onder meer van het belijden en beleven van hun godsdienst en dat de Algemene Ouderdomswet die hem stempelt tot verzekerde in den zin dier wet en hem onderwerpt aan premieheffing, zijn vrijheid, zoals deze in het verdrag is gewaarborgd, beperkt, weshalve het Hof had behoren La liberté de manisfester sa religion ou ses convictions ne peut faire lóbjet dáutres restrictions que celles qui, prévues par le roi, constituent des mesures nécessaires, dans une sociétédémocratique à la securité publique, à laprotection de l’ordre, de la santé ou de la morale publique, ou à la protection des droits et liberté d’autrui,; Overwegende dat volgens het eerste lid het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst met zich brengt, naast vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, eens ieders vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, in het openbaar en in het particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door eredienst, onderricht, beoefening en inachtneming van godsdienstige gebruiken, terwijl volgens het tweede lid de vrijheid van een ieder om zijn godsdienst of zijn overtuiging tot uiting te brengen aan geen andere beperkingen onderworpen kan zijn dan die welke bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; dat de aldus aan een ieder gewaarborgde vrijheid om zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen niet samenvalt met eens ieders vrijheid om wettelijke voorschriften aan zijn godsdienstige opvattingen of aan zijn overtuiging te toetsen en de bepaling van het Verdrag mitsdien niet betekent dat het een ieder zou vrijstaan zich te onttrekken aan een wettelijke regeling, ook indien deze op het tot uiting brengen van godsdienst of overtuiging in enigerlei vorm geen betrekking heeft, door op grond van aan zijn godsdienstige opvattingen of overtuiging ontleende bezwaren de nietigheid of ongeldigheid daarvan te zijn aanzien in te roepen; dat belanghebbende voor een uitlegging van de Verdragsbepaling in dezen laatsten zin in zijn tweede grief tevergeefs steun zoekt in de uitdrukking "practice" in den Engelsen ,"les pratiques" in den Fransen tekst, vermits daaraan niet de betekenis toekomt van "de opvolging van kerkelijke voorschriften in de practijk des levens", zoals belanghebbende meent, maar die blijkens het zinsverband en het in den Fransen tekst gebezigde meervoud ziet op handelingen die naar haar aard in enigerlei vorm uitdrukking geven aan godsdienst of overtuiging; Overwegende dat de derde grief, voorzover daarin wordt gesteld dat artikel 9 van het Verdrag verder gaat dan een ieder toe te staan ongestraft zijn eigen religie te kiezen, zich keert tegen een beperkte opvatting, waarvan het Hof in zijn uitspraak niet heeft blijk gegeven, en mitsdien in zover feitdijken grondslag mist; dat voor het overige ook deze grief berust op de onjuiste stelling dat de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid om te geloven wat men verkiest, medebrengt de vrijheid om zijn godsdienstige overtuiging te beleven in de practijk des levens in dezen zin, dat het een ieder in het algemeen zou vrijstaan aan een wettelijk voorschrift verbindende kracht te zijnen aanzien te ontzeggen op grond van een daartegen bij hem bestaand bezwaar ontleend aan zijn godsdienstige overtuiging; Overwegende dat, vermits de in de Algemene Ouderdomswet vervatte regeling van een de gehele bevolking omvattende verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom ligt buiten het gebied dat door artikel 9 van het Verdrag wordt bestreken, de door belanghebbende in de eerste grief verlangde toetsing van deze regeling aan het tweede lid der verdragsbepaling niet aan de orde behoeft te komen; dat om dezelfde reden de in artikel 36 der Algemene Ouderdomswet geopende mogelijkheid van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren tegen de in deze wet geregelde verzekering niet oplevert nakoming door den wetgever van de in artikel 9 van het Verdrag nedergelegde verplichtingen, maar een daarboven uitgaande tegemoetkoming aan hen die zich op grond van gemoedsbezwaren met het aangaan of aanvaarden van een verzekering niet kunnen veren