Rechtspraak Hoge Raad 1959-04-29
ECLI:NL:HR:1959:AY0613
29 April 1959. No. 13.892.- L. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van den Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te van 16 October 1958 betreffende den aan Amsterdam de Landbouwmaatschappij ‘’[X]’’ N.V . te [Z] opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 1950; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende voor het boekjaar 1950 een aanslag in de vennootschapsbelasting is opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van f. 520.820.- tot een bedrag van f. 14.040.-; dat de Inspecteur dezen aanslag, nadat belanghebbende daartegen had gereclameerd, heeft verminderd tot een aanslag berekend naar hetzelfde belastbaar bedrag met inachtneming van een winst, behaald met de buitenlandse - Indonesische - vaste inrichting, van f. 497.172,45 en ten bedrage van f. 10.660.-; dat belanghebbende zich daarop heeft gewend tot het Gerechtshof; Overwegende dat het Gerechtshof heeft vastgesteld: "dat het geschil tussen partijen loopt over de vraag of de winst van het bedrijf, voorzover dit in Indonesië wordt uitgeoefend, dient te worden gesteld op f. 810.069,59, gelijk belanghebbende voorstaat, dan wel op f. 494.172,42, gelijk de Inspecteur verdedigt; dat belanghebbende welke te [Z] is gevestigd en aldaar haar hoofdkantoor houdt, in Indonesië ondernemingen exploiteert, waar diverse producten, zoals rubber, cacao, kapok, koffie en specerijen worden geteeld; dat de winst over 1950 ook uitmaakt het belastbare bedrag over dat jaar; dat tussen partijen geen geschil bestaat over de berekening van de winst van het gehele bedrijf, uitgeoefend zowel hier te lande als in Indonesië; dat deze luidt: vermogen per 1 Januari 1950 f. 1.311.667,79 vermogen per 31 December 1950 f . 1.594.996,17 toename in vermogen f. 283.328,38 bij: onttrekkingen dividenden f. 38.500.-- commissarissentantième f. 4.666,67 Indonesische vennootschapsbelasting f. 194.333,33 f. 520.828,38 dat het vermogen per 1 Januari 1950 dient te worden berekend als volgt: Fiscale balans per 31 December 1949 N.V. Landbouw Mij. ‘’[X]’’ Debet Indonesië Indonesië Nederland Totaal Onderneming Ind. f. 530.664,47 Vordering [A] Ind. f. 10.739,35 Vordering [B] Ind. f. 249.084,74 Kas Onderneming Ind. f. 4.304,86 Voorschotten Ind. f. 16.382,04 Materialen Ind. f. 82.160,80 Rubber Ind. f. 128.321,75 Cacao Ind. f. 226.136,90 Specerijen Ind. f. 46.609,09 Kapok I nd. f. 30.969,87 Ind. f. 1.325.373,87 f. 1.325.373,87 Nederland Aandelen [A] f. 1,-- Vordering [A] f. 182.193,54 Belegd reservefonds f. 209.723,74 H.G. Thieme A’dam f. 17.938,44 Kasvereniging f . 9.757,44 f. 419.614,40 f . 419.614,40 f. 1.744.988,27 Credit Indonesië Indonesië Nederland Totaal Crediteuren Ind. f. 54.455,62 Expl. Kosten f. 87.426,08 Indon. Vpb. f . 121.040,-- f. 262.921,70 f. 262.921,70 Koersreserve f. 117.000,-- Nederland Credit. f. 49.898,78 Tant. Directie f . 3.500,-- f. 53.398,78 Fiscaal vermogen Ind. f. 945.452,17 Ned. F. 366.215,62 f . 1.311.667,79 f. 1.744.988,27 Dat het vermogen per 31 December 1950 dient te worden berekend als volgt: Fiscale balans per 31 December 1950 N.V. Landbouw Mij ‘’[X]’’ Debet Indonesië Indonesië Nederland Totaal Onderneming conform 1949 f. 530.664,47 Afschr. 1950 f . 117.558,-- f. 413.106,47 Nieuwe kap. uitg. ondern. 1950 Rp. 1.045.072,35 Afschr. 1950 R p. 37.779,-- Rp. 1.007.293,35 Kas Rp. 18.596,63 Voorsch. Rp. 85.944,59 Materialen Rp. 242.449,32 Rubber Rp. 1.188.215,39 Cacao Rp. 101.259,49 Kapok Rp. 15.010,-- Spec. Rp. 21.844,-- Crone Rp. 661.339,10 [A] Rp. 89.546,64 Effecten R p. 16.188,-- Rp. 3.447.686,51 a 3 rp= f. 1.-- f . 1.149.228,84 f. 1.562.335,31 f. 1.562.335,31 Nederland Aandelen [A] f. 1,-- Belegd reservefonds f. 253.185,97 Vordering [A] f. 186.101,46 Kasvereniging f. 467,41 [B] f. 802,03 Debiteuren f . 15.555,46 f. 456.113,33 f . 456.113,33 f. 2.018.448,64 Credit Indonesië Indonesië Nederland Totaal Crediteuren Rp. 488.364,68 Expl. Kosten Rp. 109.819,65 Ind. Vpb. R p. 611.640,-- Rp. 1.209.824,33 a 3 Rp. = f. 1 2.447.270,71 Welk rupiahsaldo tenslotte nog vermeerderd dient te worden met een in 1950 ten laste van de commerciële Indonesische exploitatie rekening geboekt koersverlies op overmakingen naar Nederland, wegens voorlopige handhaving van de paritaire rupiah-guldenkoers in de commerciële administratie R p. 26.916,28 Rp. 2.474.186,99 Welke rupiahsaldo omgerekend geeft een guldenswaarde van (1 Rupiah is f. 0,33 1.3) f. 824.728,99 Te verminderen met in Nederlandse winst-en verliesrekening voorkomend saldo van lasten boven baten, welke betrekking hebben op het Indonesische bedrijf f. 14.659,40 Geeft tenslotte een Indonesische winst over 1950, omgerekend in guldens van f. 810.069,59 Dat de hierin voorkomende koersreserve betrekking hadden op de kosten te maken voor aankoop van deviezencertificaten voor overmaking van winst en afschrijvingen naar het hoofdkantoor hier te lande, uitmakende hetgeen voor de verkrijging van buitenlandse deviezen meer benodigd was dan naar de officiële omrekeningskoers; dat de Inspecteur de in Indonesië behaalde winst berekende op een bedrag van f. 494.172,45 als volgt: Indon. fiscaal zuiver vermogen per 1 Jan. 1950 f. 945.452,17 Indon. fiscaal zuiver vermogen per 31 Dec. 1950 f . 1.159.060,53 Toename f. 213.608,36 Bij: Indonesische Vpb. f. 194.333,33 Winsttransfer naar Nederland f. 46.129,04 Saldo interne overboekingen, waarvoor in Indonesië de sluitrekening Nederland werd gedebiteerd en in Nederland de sluitrekening Indonesië werd gecrediteerd f . 54.629,93 f. 508.700,66 Af: Fiscaal ingevolge met bel.pl. verkregen overeenstemming niet als Nederlandse last toelaatbare in wezen Indonesische kosten f . 14.528,21 Indonesische winst f. 494.172,45;’’ Overwegende dat het Hof vervolgens omtrent het geschil heeft overwogen: "dat de oorzaak van het verschil in uitkomst ten bedrage van f. 315.897,14 is gelegen in de omstandigheid dat de Inspecteur bij de berekening van het vermogen per 1 Januari 1950 aan de Indonesische munteenheid een waarde toekende gelijk aan de gulden en mitsdien het vlottende kapitaal van het in Indonesië uitgeoefende bedrijf verminderd met de schulden, waardeerde op f. 531.787,70, waarvan in verband met de gewijzigde omrekeningskoers 2/3 deel of f. 354.525,13 te loor ging; dat echter op dit verlies de koersreserve van f. 117.000.-- in mindering kwam, zodat resteerde f. 237.525,13; dat bovendien de Inspecteur de afschrijving op het vaste kapitaal ten bedrage van f. 530.664.-- stelde op f. 117.558.-- en belanghebbende in zijn berekening deze afschrijving slechts voor 1/3 van f. 117.558.-- of f. 39.186.-- in aanmerking nam, gevende een verschil van f. 78.372.-; dat beide posten tezamen uitmaken f. 315.897,13, zijnde gelijk aan het hiervoor genoemde verschil; dat niet tussen partijen in geschil is dat beide posten ten laste van de totale winst van belanghebbende dienen te komen, bedragende deze na aftrek f. 520.820.--, en het geschil uitsluitend loopt over de vraag of zij dienen te komen ten laste van de winst, welke in Indonesië werd behaald, bedragende deze zonder aftrek f. 810.069,69; dat de aftrek van f. 237.525,13 plaats vond uit hoofde van de bezwaren welke door het Indonesische gezag aan de transfer van ter beschikking staande middelen van Indonesië naar het hoofdkantoor in Nederland werden verbonden; dat ingevolge artikel 3, lid 2, van de beschikking van 10 September 1941, no. 136, ter voorkoming van dubbele belasting (Ned. Staatscrt. van 12 November 1941, no. 221) de bedrijfsuitoefening in het buitenland als een afzonderlijke moet worden gezien; dat de terugtrekking van ingebracht kapitaal en de daaraan toegevoegde winsten los staat van de afzonderlijke bedrijfsuitoefening in Indonesië en de berekening van de resultaten dezer bedrijfsuitoefening niet vermag te beïnvloeden; dat de aan de terugtrekking verbonden nadelen dan ook niet ten laste van de in Indonesië behaalde winst mogen worden gebracht; dat belanghebbende die op haar kapitaalverstrekking aan het Indonesische bedrijf een verlie Schending of verkeerde toepassing van de onder 1 vermelde artikelen, doordat het Gerechtshof, uitgaande van zijn onder 1 en 2 bestreden beslissing dat belanghebbende tengevolge van de op 11 Maart 1950 in Indonesië getroffen maatregelen met betrekking tot het overmaken van gelden naar het buitenland een verlies heeft geleden, heeft beslist dat dit verlies los staat van de bedrijfsuitoefening in Indonesië en aan Nederland moet worden toegerekend, zulks ten onrechte, omdat het moeten dragen van deze door de Indonesische regering op het bedrijf aldaar gelegde last, behoort tot het risico van de bedrijfsuitoefening in Indonesië en derhalve slechts ten laste van het Indonesische bedrijfsdeel kan worden gebracht;" Overwegende aangaande den primair voorgedragen grond van het eerste middel en het derde middel: dat blijkens de uitspraak en de gedingstukken tussen belanghebbende en den Inspecteur buiten geschil was, dat met het oog op de in Maart 1950 in Indonesië getroffen monetaire maatregelen, welke ten slotte in Februari 1952 hebben geleid tot een officiële devaluatie van de Indonesische rupiah tot f. 0,33 1/3, goed koopmansgebruik toeliet om bij de bepaling van de fiscale winst over het jaar 1950 met deze waardeverandering van de rupiah rekening te houden, en der partijen strijd betrof de vragen welk koersverlies als gevolg daarvan in het belastbaar bedrag was begrepen, en aan welk bedrijfsonderdeel dit verlies moest worden toegerekend; dat het eerste middel in zijn primairen grondslag en het derde middel ervan uitgaan, dat het Hof het door belanghebbende gestelde - en door het Hof althans voor een bedrag van f. 237.525,13 aanvaarde - koersverlies niet als een devaluatie-verlies, doch als een transfer-verlies heeft beschouwd; dat echter, al stelde het Hof vast, dat in 1950 geen officiële devaluatie van de Indonesische munteenheid plaats vond, doch op 11 Maart 1950 door het Indonesische gezag een regeling werd getroffen, waardoor voor de verkrijging van buitenlandse deviezen het drievoud werd benodigd van het aantal rupiah's, dat volgens de officiële omrekeningskoers was vereist, en al overwoog het Hof vervolgens met betrekking tot het door het Hof aanvaarde verlies van f. 237.525,13, dat de aftrek van dit bedrag plaats vond "uit hoofde van de bezwaren, welke door het Indonesische gezag aan de transfer van ter beschikking staande middelen van Indonesië naar het Hoofdkantoor in Nederland werden verbonden", niettemin voldoende aanleiding voor de veronderstelling, dat het Hof met betrekking tot den aard van het gestelde verlies een andere zienswijze heeft gehad dan die, waarvan partijen zelf bij de formulering van haar geschil zijn uitgegaan, niet bestaat, zodat moet worden aangenomen, dat het Hof met partijen het omstreden verlies heeft beschouwd als een devaluatie-verlies, dat wil zeggen een verlies, ontstaan als gevolg van een lagere waardering van de Indonesische munteenheid, zij het dat deze lagere waardering haar grond vond niet in een officiële devaluatie, doch in een maatregel van deviezenrechtelijken aard; dat deze middelen derhalve in zoverre feitelijken grondslag missen; Overwegende aangaande het eerste middel in zijn subsidiairen grondslag en het tweede middel, alsmede ambtshalve: dat blijkens 's Hofs uitspraak het door belanghebbende gestelde koersverlies uitmaakt het verschil tussen de Indonesische winst, zoals deze door belanghebbende is berekend op den grondslag van een in rupiah's luidende verlies- en winstrekening, waarvan het saldo vervolgens is omgerekend in Nederlandse guldens in een verhouding van de rupiah tot de gulden van f. 0,33 1/3 tot 1, en de Indonesische winst, zoals deze door den Inspecteur was berekend op den grondslag van een vergelijking van het vermogen van het Indonesische bedrijfsonderdeel per 1 Januari 1950, berekend in guldens en met inachtneming van een verhouding van gulden tot rupiah van 1 tot 1, met dat vermogen per 31 December 1950 eveneens in guldens met inachtneming van een verhouding tussen