Rechtspraak Hoge Raad 1959-04-24
ECLI:NL:HR:1959:24
De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak (no. 9287) van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een arrest, door het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 26 Juni 1958 tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n: [verweerster] , weduwe van [de echtgenoot] , wonende te [woonplaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. Kist, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal Loeff, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest, voor zover thans nog van belang, blijkt: dat de verweerster in cassatie — [verweerster] — den eiser tot cassatie — [eiser] — heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage met den eis tot betaling van f 82.168,-- met wettelijke rente sedert 26 December 1953, daartoe stellende: dat op 26 December 1953 een personen-auto waarvan [eiser] toen eigenaar was en welke door [eiser] werd bestuurd haar echtgenoot [de echtgenoot] heeft aangereden, tengevolge waarvan deze op of omstreeks 26 December 1953 is overleden; dat zij door den arbeid van [de echtgenoot] placht te worden onderhouden, en om in denzelfden stand te kunnen voortleven als vóór het ongeval 60% behoeft van het inkomen dat haar man zou hebben verdiend, ware hij niet overleden, zijnde f. 7.200,-- per jaar; dat de contante waarde van een jaarrente op het leven van haar en haar echtgenoot, recht gevende op een uitkering van f. 7.200,-- per jaar tot het tijdstip waarop [de echtgenoot] 75 jaar zou zijn geworden f. 82.168,-- beloopt; dat na verweer van [eiser] , die onder meer de gestelde schade heeft betwist, de Rechtbank te 's-Gravenhage bij tussenvonnis van 27 December 1955, na te hebben overwogen dat [eiser] geheel voor de aanrijding aansprakelijk is en aangezien hij erkend heeft dat [verweerster] door den arbeid van haar overleden man placht te worden onderhouden, tevens verplicht is tot schadevergoeding, bericht van deskundigen heeft bevolen aangaande de vraag tot welken leeftijd [de echtgenoot] zijn werkzaamheden zou hebben kunnen voortzetten alsmede of — uitgaande van het jaar voorafgaande aan zijn overlijden — zijn arbeidscapaciteit ook in de volgende jaren op 100% moet worden begroot en zo neen op hoeveel minder, voorts de verschijning van pp. heeft bevolen tot het verstrekken van inlichtingen en tot het beproeven van een vereniging; dat, nadat [verweerster] de hoofdsom van haar vordering had verminderd tot f. 55.000,--, de Rechtbank bij tussenvonnis van 14 Mei 1957 heeft overwogen: 3. ‘’ dat de deskundigen, blijkens het overgelegde rapport van oordeel zijn, dat wijlen [de echtgenoot] in staat moest worden geacht tot zijn 65e levensjaar een arbeidscapaciteit van 100% te hebben kunnen opbrengen en dat vervolgens deze arbeidscapaciteit jaarlijks met 10% zou zijn afgenomen, zodat deze met ingang van het 76e levensjaar op nihil ware te stellen, tegen welk oordeel door geen der partijen bezwaren zijn naar voren gebracht; 4. dat de Rechtbank dit oordeel als grondslag voor de schadeberekening aanvaardt; 5. dat uit de door [verweerster] overgelegde bescheiden blijkt, dat het inkomen van het slachtoffer uit arbeid (winst in zijn tuindersbedrijf) een regelmatige en ononderbroken stijging heeft vertoond, op grond waarvan de Rechtbank bij deze schatting meer gewicht toekent aan het inkomen over de latere jaren dan aan dat over de vroegere, weshalve de Rechtbank bij het berekenen van de schade zal uitgaan van een inkomen van f. 11.000,-- per jaar; 6. dat daarop in mindering dient te worden gebracht de door het slachtoffer te betalen inkomstenbelasting welke belasting door de Rechtbank ex aequo et bono wordt afgerond op 15% van het inkomen, nu enerzijds de toekomstige belastingtarieven een onzekere factor zijn, anderzijds de overledene in de periode tussen zijn 65e en 75e levensjaar door zijn verminderende inkomsten dat deze uitkeringen, nu bij de berekening daarvan is uitgegaan van het inkomen van de overledene na aftrek van de inkomstenbelasting, vermeerderd moet worden met dusdanig bedrag, dat zij na aftrek van de door haar verschuldigde belasting — te berekenen naar de in het jaar 1957 geldende tarieven — de in de voorafgaande overweging bedoelde 60% zal overhouden; 20. dat de Rechtbank nu deze uitkering zich over een groot aantal jaren zal uitstrekken, termen aanwezig acht deze uitkeringen in een bedrag ineens te doen geschieden; 21. dat daartoe aan [verweerster] dient te worden toegekend de koopsom van een lijfrente op haar leven te berekenen per 1 Januari 1954, waarbij er van dient te worden uitgegaan, dat de op bovenvermelde wijze te berekenen jaarlijkse uitkeringen gedurende de vermelde periode slechts gedurende het leven van het slachtoffer en uiterlijk tot zijn 75e verjaardag zouden moeten worden uitgekeerd; 22. dat de Rechtbank daarbij niet voorbijziet, dat de winst van de assuradeur alsdan ten laste van [eiser] komt, doch deze is gehouden aan [verweerster] de geleden schade te vergoeden, waaronder is begrepen het haar verschaffen van de grootst mogelijke zekerheid, dat ook in de toekomst de door [verweerster] gederfde inkomsten — geleden schade — aan haar zullen worden uitgekeerd; 23. dat op deze koopsom in mindering dienen te komen de vermelde bedragen van f. 5.099,20 en f. 1.825,--; 24. dat de Rechtbank omtrent de berekening van het verschuldigde deskundige voorlichting noodzakelijk acht en het wenselijk oordeelt dat het bericht door drie deskundigen zal worden uitgebracht;" dat de Rechtbank bij dit tussenvonnis bericht van deskundigen heeft bevolen over de vraag welke de koopsom zou zijn van een lijfrente — per 1 Januari 1954 — die [verweerster] gedurende het leven van haar echtgenoot en ten hoogste gedurende den in het vonnis aangeduiden termijn de daar vermelde jaarlijkse uitkeringen zou verschaffen; dat op het tegen dit vonnis van 14 Mei 1957 door [eiser] en incidenteel door [verweerster] ingestelde hoger beroep het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij het bestreden arrest het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd met dien verstande dat de deskundigen te werk moeten gaan naar de gegevens van dit arrest, en de zaak ter verdere afdoening heeft verwezen naar de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, daartoe overwegende: 1 . ''dat het Hof eerst zal behandelen grief III in het principaal beroep, waarmede [eiser] bestrijdt de beslissing der Rechtbank dat de testamentaire beschikking, waarbij [de echtgenoot] aan [verweerster] heeft toegekend het levenslang vruchtgebruik zijner nalatenschap, en de uitvoering dier beschikking niet strekken ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, gelegen in [de echtgenoot] 's plicht tot verzorging van [verweerster] als overblijvende echtgenote, voorzover deze verzorging, gelet op de omstandigheden, waaronder [de echtgenoot] en [verweerster] als echtelieden samenleefden en [verweerster] achterbleef, het redelijke niet te buiten gaat, en de kinderen van [de echtgenoot] terecht bezwaar hebben gemaakt tegen het testament en [verweerster] terecht genoegen heeft genomen met 1/7 gedeelte der nalatenschap; 2. dat de Rechtbank het ontbreken van evengemelde natuurlijke verbintenis hieruit heeft afgeleid dat [verweerster] niet is achtergebleven onder omstandigheden die een verzorgingsplicht met zich brachten, nu zij na het overlijden van [de echtgenoot] door het ongeval een vordering op [eiser] heeft verkregen tot vergoeding van de geleden schade en [eiser] niet betwist genoegzaam gegoed te zijn; 3. dat de daartegen gerichte grief faalt, omdat de op [de echtgenoot] rustende verplichting van moraal en fatsoen om bij wege van een testamentaire beschikking, welke tot een feitelijke beknotting van de rechten der legitimarissen leidt, in het onderhoud van zijn echtgenote te voorzien, wordt ter zijde gesteld door de verhaalbare vordering op [eiser] , die ingevolge artikel 1406 van het Burgerlijk Wetboe dat grief IV van [eiser] luidt dat de Rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan de uit de successiememorie blijkende vermogensvermeerdering van [verweerster] en buiten beschouwing heeft gelaten de eigen inkomsten van [verweerster] ten bedrage van f . 190,-- per jaar; 19. dat deze grief waarmede [eiser] aan de orde stelt de eigen inkomsten van [verweerster] , gegrond is; 20. dat blijkens de in hoger beroep overgelegde akte van scheiding en deling der nalatenschap van [de echtgenoot] bij de berekening van het aan [verweerster] toekomende te haren gunste is rekening gehouden met een som van f . 1600,-- als door haar ten huwelijk aangebracht en met een bedrag van f. 961,29 wegens de helft der vermogensvermeerdering staande huwelijk; 21. dat het inkomen dat [verweerster] van gemelde bedragen kan verkrijgen evenals de inkomsten van f . 190,-- per jaar, welke de Rechtbank buiten beschouwing heeft gelaten, een en ander tezamen te stellen op f . 250,-- per jaar, haar behoeftigheid verminderen en hiermede rekening behoort te worden gehouden bij de bepaling van het door [eiser] te verstrekken onderhoud en wel door vermindering met f . 250,-- telkens van het bedrag overeenkomstig de 19e alinea van het vonnis waarvan beroep te vinden door vermeerdering van 60% van het belastingvrij-inkomen van [de echtgenoot] met een zodanige som dat [verweerster] na aftrek der inkomstenbelasting, welke zij volgens het tarief voor 1957 verschuldigd is over het na gemelde vermeerdering verkregen bedrag, de evenbedoelde 60% overhoudt; 22. dat grief V in het principaal beroep, zoals deze blijkens de toelichting kan worden weergegeven, inhoudt dat in plaats van de koopsom ener lijfrente dient te worden toegekend niet meer dan de contante waarde der jaarlijkse uitkeringen, zulks omdat de winst van de verzekeraar bij aankoop van een lijfrente niet ten laste van [eiser] dient te komen; 23. dat een vergoeding gelijk aan de contante waarde der jaarlijkse uitkeringen [verweerster] niet waarborgt dat zij gedurende haar leven en uiterlijk tot de dag waarop [de echtgenoot] 75 jaar oud zou zijn geworden, de uitkeringen ontvangt waarop zij jegens [eiser] aanspraak heeft, reeds omdat de rentevoet die aan de gemelde berekening ten grondslag wordt gelegd, zich in voor haar ongunstige zin kan wijzigen; 24. dat niet valt in te zien dat dit risico, hetwelk niet voor rekening van [verweerster] zou komen indien [eiser] werd veroordeeld tot jaarlijkse uitkeringen gedurende haar leven en uiterlijk tot de 75ste verjaardag van [de echtgenoot] , te haren laste zou moeten worden gebracht bij een veroordeling van [eiser] tot betaling van een som ineens; 25. dat naar 's Hofs oordeel alleen aankoop van een lijfrente [verweerster] de haar in gemeld opzicht toekomende zekerheid biedt en de Rechtbank op juiste gronden, welke het Hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft beslist dat aan [verweerster] dient te worden toegekend de koopsom ener lijfrente; 26. dat hieraan niet afdoet dat, zoals [eiser] opmerkt, [verweerster] niet kan worden gedwongen met de haar toe te kennen som een lijfrente te kopen, aangezien de omvang der vergoeding, waartoe [eiser] jegens zijn wederpartij is gehouden, niet wordt bepaald door de wijze waarop zij die vergoeding besteedt; 27. dat [verweerster] in haar tweede grief in het incidenteel beroep zich er tegen verzet dat de Rechtbank op de koopsom der lijfrente in mindering heeft gebracht onder meer de uitkering uit levensverzekering van f . 1.852,--; 28. dat [verweerster] aanvoert dat deze uitkering dient tot dekking van bijzondere kosten die niet uit hoofde van artikel 1406 van het Burgerlijk Wetboek worden vergoed, als hoedanig zij noemt: directe kosten na het overlijden in verband daarmede, notaris- en proceskosten; 29 . dat — wat er zij van de door [verweerster] aan gemelde uitkering toegeschreven bestemming — de stellingen van [verweerster] , die aard en omvang van bedoelde bijzondere kosten niet nader heeft aangeduid, te vaag zijn om de slots niet, althans niet met enige uit het arrest blijkende begrijpelijke motivering, heeft beslist, en 's Hofs arrest op dit punt mitsdien niet naar den eis der Wet met redenen is omkleed, althans en in elk geval op de voornoemde door [eiser] in appèl naar voren gebrachte gronden onjuist, althans niet zonder meer juist, is de (door het Hof stilzwijgend onderschreven, althans als grondslag voor zijn beslissing aanvaarde) opvatting der Rechtbank, dat de weduwe terecht met slechts 1/7 gedeelte der nalatenschap genoegen heeft genomen. III. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen opgesomd in middel I en middel II, alsmede van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikelen 1811 t/m 1824 van het Burgerlijk Wetboek, doordien het Hof onder meer heeft overwogen en beslist gelijk hiervoren onder 22, 23, 24, 25, 26 is vermeld (terwijl de Rechtbank ten aanzien van het onderhavige punt, had overwogen en beslist, voor zover hier van belang, gelijk hiervoren onder 20, 21 en 22 uit het vonnis der Rechtbank van 14 Mei 1957 is vermeld), zulks ten onrechte, omdat [eiser] slechts gehouden is tot vergoeding van de werkelijke schade van de weduwe [de echtgenoot] (binnen de grenzen van artikel 1406 van het Burgerlijk Wetboek), voorzover deze door zijn onrechtmatige daad (en de dood van [de echtgenoot] ) is veroorzaakt; en de weduwe rechtens geenszins verplicht is deze vergoeding te vorderen, noch ook de rechter verplicht is deze vergoeding toe te wijzen in de vorm van een bedrag ineens, doch zulks evenzeer kan geschieden in de vorm van jaarlijkse uitkeringen gedurende het levert van de weduwe (en tot uiterlijk den dag waarop [de echtgenoot] 75 jaar oud zou zijn geworden), en indien vergoeding wordt gevorderd respectievelijk toegewezen in de vorm van een bedrag ineens, bij de berekening van bedoeld bedrag rekening zal moeten worden gehouden met de relevante factoren als sterftekansen, rentepercentages en dergelijke, gelijk die op het tijdstip van berechting (of op enig eerder tijdstip) zijn te beoordelen, met het daaraan voor elk van beide partijen inhaerente risico, dat de werkelijkheid kan blijken af te wijken van voornoemde bij de berekening in aanmerking genomen factoren, en aldus onder meer de mogelijkheid bestaat, dat de rentevoet, die aan gemelde berekening ten grondslag wordt gelegd, zich naderhand wijzigt, het zij in voor de weduwe [de echtgenoot] , het zij in voor [eiser] ongunstige zin, maar er — indien eenmaal gekozen is een schadevergoeding in de vorm van een som ineens — rechtens geen basis, althans rechtens niet zonder meer enige basis, is om eenzijdig het risico van een wijziging in voor de weduwe ongunstige zin te dekken ten koste van [eiser] en hem mede te belasten met de in de kosten van aankoop ener lijfrente begrepen winst van de verzekeringsmaatschappij, immers, respectievelijk: althans, vorenbedoeld bedrag niet, althans niet zonder meer, kan gelden als (vergoeding van) schade door [eiser] onrechtmatige daad veroorzaakt, terwijl ook het (enkele) feit, dat voormeld risico niet voor rekening van de weduwe zou komen, indien [eiser] werd veroordeeld tot jaarlijkse uitkeringen gedurende haar leven en uiterlijk tot den 75sten verjaardag van [de echtgenoot] , geenszins medebrengt dat — steeds en onder alle omstandigheden, respectievelijk: normaliter — meergenoemd risico niet te haren laste zou moeten worden gebracht (althans: te haren laste zou moeten worden gelaten) bij een veroordeling van [eiser] tot betaling van een som ineens, en ook geenszins, althans geenszins steeds en onder alle omstandigheden respectievelijk normaliter, de gehoudenheid tot vergoeding van schade ex artikel 1406 van het Burgerlijk Wetboek, mede omvat het verschaffen van de (grootst mogelijke) zekerheid, dat ook in de toekomst de door [verweerster] gederfde (althans: te derven) inkomsten — geleden schade — aan haar zullen worden uitgekeerd, respectievelijk (onder alle omstandigheden) uit de haar toegekende som ineens zullen kunnen