Rechtspraak Hoge Raad 1958-03-28
ECLI:NL:HR:1958:70
Openbare terechtzitting van Vrijdag 28 Maart 1958. De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: De Hoge Raad der Nederlanden, in de zaak (No. 9180) van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een arrest, door het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage op 24 October 1957 tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. K. van Rijckevorsel, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n den Staat der Nederlanden, wiens zetel is gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E. Droogleever Fortuyn, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal Loeff namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — den Staat voor de Rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft gedagvaard tot betaling van f. 19.600,- met rente en kosten, daartoe stellende, dat hij als eerste luitenant van het Koninklijk Nederlands Indische Leger gedurende zijn verblijf in Japanse krijgsgevangenschap over het tijdvak van 1 April 1942 tot 1 Augustus 1945, dus over veertig maanden, zijn bezoldiging ten bedrage van f. 490,- per maand niet heeft ontvangen; dat de Staat bij de Garantiewet Militairen K.N.I.L. van 22 Juni 1951 (Staatsblad nummer 239) aan hem heeft gegarandeerd de voldoening van alle rechten en aanspraken, die hem gedurende zijn dienst bij het voormalige Koninklijk Nederlands-Indische Leger toekwamen volgens de op 26 December 1949 geldende regelingen; dat voormelde bezoldiging ten bedrage van f. 490,- per maand ofwel over voormeld tijdvak in totaal f. 19.600,- aan hem toekwam krachtens de op 26 December geldende bezoldigingsregeling, doch de Staat aan deze verplichting niet voldoet; dat de Staat deze vordering heeft bestreden op grond dat de Garantiewet Militairen K.N.I.L. alleen garandeert voldoening van alle rechten en aanspraken, welke aan de militairen bij het voormalige Koninklijk Nederlands-Indische Leger toekwamen gedurende hun dienst in de liquidatieperiode van het K.N.I.L. derhalve tussen 27 December 1949 en 26 Juli 1950, en in geval van ontslag overeenkomstig artikel 38 van de Regelingen betreffende Militaire aangelegenheden II, hoofdstuk V, gehecht aan de Overgangsovereenkomst behorende bij de Mantelresolutie der Ronde Tafel Conferentie, de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke zijn vervat in genoemd hoofdstuk V, dat zijn voor [eiser], die gewezen beroepsofficier van het K.N.I.L. is, zijn pensioenrechten; dat de Staat ontkent, dat [eiser] jegens de voormalige rechtspersoon Nederlands-Indië, thans de Republiek Indonesië, rechtens aanspraak kan maken op betaling van salaris over de door hem genoemde periode; dat aan de K.N.I.L.-militairen krachtens ordonnanties van het Nederlands Indische Gouvernement rehabilitatie-uitkeringen zijn gegeven, juist omdat de K.N.I.L.-militairen salarissen gedurende hun krijgsgevangenschap hebben moeten derven; dat ook [eiser] de rehabilitatie-uitkeringen ontvangen heeft; dat de Rechtbank bij vonnis van 26 Maart 1956, na te hebben overwogen dat partijen van mening verschillen over twee punten, te weten, 1) of [eiser] over den tijd, dat hij in Japanse krijgsgevangenschap verkeerde, aanspraak op salaris had, en 2) zo ja, of de Staat dan voor de betaling van dit salaris aansprakelijk is krachtens de Garantiewet Militairen K.N.I.L., op beide punten in bevestigenden zin heeft beslist en uit dezen hoofde den Staat heeft veroordeeld om aan [eiser] te betalen f. 19.600,- met rente, met betrekking tot het tweede punt overwegende: ‘’[eiser] stelt dat de Staat de nakoming van de op het voormalige gebiedsdeel Indonesië jegens hem rustende verplichting in artikel 2 van de Garantiewet Militairen K.N.I.L. heeft gegarandeerd. Tegenover [eiser]’s standpunt heeft de Staat aangevoerd, dat hij d het Rijk aan de daarbedoelde militairen garandeert ‘’de voldoening van alle rechten en aanspraken, welke hun gedurende hun dienst bij het voormalige Koninklijk Nederlands-Indonesische Leger toekwamen volgens de op 26 December 1949 geldende regelingen;’’ ‘’dat op het stuk van bezoldiging van de hierbedoelde militairen op 26 December 1949 onder meer gold het Besluit van den Hogen Vertegenwoordiger van de Kroon van 6 Januari 1949, no. 2, hetwelk onder meer bevat een nadere vaststelling en verhoging van de bezoldigingen en lonen, gebaseerd op de Militaire Bezoldigingsregeling 1938, met vaststelling van nieuwe bezoldigings- en loonstaten, alsmede de vaststelling van de als Bijlage aan het besluit gehechte ‘’Betalingsregeling Ambtenaren en Gepensionneerden 1949’’, verkort ‘’B.A.G. 1949’’, welke een herziening bevat van de duurte- en gezinstoelage-regelingen; ‘’dat tengevolge van dit Besluit, hetwelk geacht werd met ingang van 1 Januari 1949 in werking te zijn getreden, ophielden te gelden de tot dien datum van kracht zijnde voorschriften van de Militaire Bezoldigingsregeling 1938, voor zover die afweken van de nieuwe regeling; dat echter de rechten van [eiser] ten aanzien van zijn bezoldiging tijdens zijn verblijf in Japanse krijgsgevangenschap beheerst werden door de bezoldigingsregeling, zoals deze destijds gold en hij aan de later getroffen regeling geen rechten of aanspraken kan ontlenen; ‘’dat derhalve ook de onderwerpelijke garantiebepaling, nu zij uitsluitend verwijst naar de op 26 December 1949 geldende regelingen, naar den wetstekst niet dekt de salarisaanspraken van [eiser] over het tijdvak zijner Japanse krijgsgevangenschap, en de Rechtbank ten onrechte het voorschrift heeft opgevat als duidelijk in den door de Rechtbank bedoelden zin; ‘’dat anderzijds de betekenis van bedoelde tijdsbepaling voor den omvang van de wettelijke garantieverplichting niet langs den weg van een uitsluitend grammaticale uitlegging is vast te stellen, zodat aanleiding bestaat tot een nader onderzoek dienaangaande, met name aan de hand van de parlementaire geschiedenis der bepaling, doch het Hof te dien aanzien kan volstaan met vast te stellen dat zodanig onderzoek niet kan leiden tot een voor [eiser] gunstig resultaat, aangezien vaststaat — zulks is ook door [eiser] in de stukken en bij pleidooi in appèl erkend — dat de wetgever niet heeft beoogd de garantie uit te strekken tot de voldoening aan salarisrechten van het voormalige K.N.I.L.-personeel over den tijd der Japanse krijgsgevangenschap, terwijl wat meer in het bijzonder het standpunt der Regering betreft, deze onder andere in de memorie van toelichting tot het ontwerp-Garantiewet Militairen K.N.I.L. duidelijk en onweersproken heeft te kennen gegeven, dat de garantie alleen betrof de nakoming van de verplichtingen gedurende den tijd dat na de souvereiniteitsoverdracht nog een dienstverhouding bij het K.N.I.L. zou bestaan, zulks in verband met het feit, dat volgens artikel 54 onder II van de ter Ronde Tafel Conferentie getroffen Regelingen betreffende militaire aangelegenheden de kosten van het Koninklijk Nederlands-Indonesische Leger gedurende de periode na de souvereiniteitsoverdracht tot aan het einde van de reorganisatie zouden worden betaald door de Republiek van de Verenigde Staten van Indonesië; ‘’dat uit het voorgaande volgt, dat de tweede grief van den Staat gegrond is; ‘’dat [eiser] bij pleidooi in appèl nog als zelfstandige rechtsgronden voor de toewijzing der vordering een beroep deed op (1) de Garantieverklaring der Regering van 2 Augustus 1947 en (2) de Koninklijke Besluiten van 20 Juli 1950 (Staatsbladen nos. K 309 en K 310) tot opheffing van het K.N.I.L. en tot collectieve ontslagverlening aan het militaire personeel van het K.N.I.L. en de daarmede verband houdende ministeriële beschikking van 19/20 Juli 1950 betreffende den overgang van militairen bij het opgeheven K.N.I.L. naar de Koninklijke Landmacht; ‘’dat de beide beroepen niet opgaan; ‘’dat onder (1) niet, omdat deze g