Rechtspraak Hoge Raad 1957-12-17
ECLI:NL:HR:1957:232
17 december 1957 V. No. 59116. D E H O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N , Op het beroep van den Procureur-Generaal bij den Hogen Raad der Nederlanden , requirant van cassatie ‘’in het belang der Wet’’ tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ’ s-Gravenhage van 24 September 1957, waarbij [gerequireerde] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1903, van beroep secretaris-penningmeester van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, wonende te [woonplaats] , is vrijgesproken van het hem telastgelegde; Gehoord het verslag van den Raadsheer Dubbink; Gelet op de voordracht van den Procureur-Generaal, houdende het middel van cassatie, door hem, requirant, voorgesteld en luidende: ‘’Schending van de artikelen 348, 350, 352, 358, 359 van het Wetboek van Strafvordering, 1 en 2 der Loterijwet, 254 bis van het Wetboek van Strafrecht en 1, 2 en 3 der Totalisatorwet;’’, welk middel is toegelicht en gestaafd met beschouwingen van welke de navolgende hier worden overgenomen: ‘’Tegen voormeld vonnis staat enig gewoon rechtsmiddel niet meer open, daar dit voor [gerequireerde] nimmer heeft opengestaan en de Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te ’s-Gravenhage hoger beroep niet heeft ingesteld. De onderhavige vordering tot cassatie in het belang der wet beperkt zich tot de beslissing der Rechtbank omtrent het primair ten laste gelegde. Ik kom thans tot de eigenlijke voordracht van het onderhavige beroep. I. Blijkens het slot van de overwegingen van het vonnis heeft de Rechtbank [gerequireerde] vrijgesproken, omdat zij niet bewezen acht dat in casu van ‘’hazardspel’’ sprake is. Deze in de telastelegging gebezigde term is daarin kennelijk in dezelfde betekenis gebruikt als in artikel 254 bis lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, waar een omschrijving van het begrip ‘’hazardspel’’ wordt gegeven. Het slot van die omschrijving beperkt de eerder in de eerste volzin gegeven definitie van hazardspel door te bepalen, dat daaronder niet worden begrepen loterijen naar de daarvan bij het eerste lid van artikel 1 der Loterijwet 1905 gegeven omschrijving. De vraag, of de Rechtbank van een juiste betekenis van de in de telastelegging gebruikte term ‘’hazardspel’’ is uitgegaan, hangt dus mede af van de vraag, of zij een juiste opvatting van het wettelijk begrip ‘’loterij’’ heeft gehad. Ik meen, dat zulks voor twijfel vatbaar is. a. In de eerste plaats kan worden aangevoerd, dat het woord ‘’loterijen’’ aan het slot van het vorenbedoelde derde lid van artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht niet alle loterijen omvat. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van dit in 1911 wet geworden voorschrift wordt immers het navolgende medegedeeld: ‘’Volgens de laatste zinsnede van het laatste lid wordt onder ‘’hazardspel’’ in dit artikel niet begrepen eene loterij ‘’naar de daarvan bij het eerste lid van artikel 1 der Loterijwet 1905 gegeven omschrijving’’; deze redactie is gekozen met het oog op de in genoemd artikel 1 sub 1e, 2e en 3e bedoelde overeenkomsten. Voorzover deze namelijk aan de wettelijke omschrijving van het begrip ‘’loterij’’ voldoen, zullen de bepalingen van het nieuw voorgestelde artikel 254bis op die overeenkomsten niet van toepassing zijn’’. (Bijl. IIe Kamer, 1909, 293, M.v.T. blz. 8 l.k. voorlaatste alinea). De in artikel 1 sub 1e, 2e en 3e der Loterijwet 1905, bedoelde overeenkomsten waren, zoals blijkt uit de oorspronkelijke in 1911 geldende tekst van dit artikel, de overeenkomst van levensverzekering en twee modaliteiten van premieleningen. Blijkens de voormelde toelichting bedoelde de Regering blijkbaar uitsluitend deze overeenkomsten, voorzover zij overigens naar de wettelijke omschrijving van loterijen als zodanig zouden kunnen worden aangemerkt, van het wettelijk begrip ‘’hazardspel’’ uit te zonderen. Bij een zo duidelijke van de beginne af door de Regering gestelde en door de Staten-Generaal blijkbaar stilzwijgend erkende beperking valt het moeilijk ondanks het feit, dat de wettekst algemener 333, 20 October 1953, N.J. 1954, no. 51) doch in de aldaar behandelde gevallen was duidelijk loterij telastegelegd. IV. De door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen – aangenomen, dat in casu van loterij in de zin der wet geen sprake is – als hazardspel in de zin der wet worden aangemerkt. a. Artikel 254bis lid 3 van het Wetboek van Strafrecht eist, dat sprake zij van een ‘’spel’’. Dit begrip wordt ruimer opgevat dan in het spraakgebruik. Voor de aanwezigheid van ‘’spel’’ wordt reeds kenmerkend geacht, dat de deelnemer, na voldoening van de voorwaarde van deelneming, nog enige verdere handeling heeft te verrichten (vgl. H.R. 13 April 1931, N.J. 1931, blz. 1162; 18 Mei 1932, N.J. 1932, blz. 855; 19 November 1934, N.J. 1935, blz. 542 met noot Pompe; en vooral 24 Juni 1935, N.J. 1935, blz. 1452 met noot Pompe en 22 Juni 1942, N.J. 1942, no. 624). Bij de onderhavige voetbaltoto bestaat de bedoelde nadere activiteit van de deelnemer in het voorspellen van uitslagen van voetbalwedstrijden en het daarvan aantekening doen op een toto-formulier (vgl. de door de Rechtbank bewezenverklaarde feiten en omstandigheden, speciaal sub 3 en 7). Deze activiteit vertoont gelijkenis met het zetten van een nummer op de roulette-tafel. Het raden van de uitslagen van voetbalwedstrijden in poolverband d.w.z. in onderlinge concurrentie met andere deelnemers komt ook overeen met vele andere spelletjes, waarbij het ten slotte gaat om iets te raden. Wel is het zeer twijfelachtig of het element ‘’spelgemeenschap tussen de deelnemers’’ hier aanwezig is (vgl. H.R. 11 December 1951, N.J. 1952, no. 368, met noot Röling, alsmede de aan het arrest voorafgaande conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer). Opgemerkt worde echter, dat dit kenmerk enkel vereist wordt voor het eigenlijke hazardspel en uiteraard niet voor de wettelijke uitbreiding tot weddenschappen en kansovereenkomsten. b. Verder kan de vraag worden gesteld, of het bewezen verklaarde niet valt onder de ‘’weddenschappen’’ bedoeld in de meervermelde omschrijving van hazardspel in artikel 254 bis van het Wetboek van Strafrecht; echter al spreekt de wet van ‘’ alle weddenschappen’’ zo houdt dit begrip mogelijk in een weddenschap tussen bepaalde personen en tegen een bepaalde tevoren vastgestelde prijs, waarvan in casu moeilijk kan worden gesproken; daar staat weer tegenover dat een andere opvatting van ‘’wedden’’ blijkbaar wordt gehuldigd door de wetgever in artikel 1 sub 2e der Totalisatorwet, (Sch. En J. no. 69, blz. 211) waar van wedden en van verdeling van het totaal der inzetten onder de winnaars wordt gesproken. c. In ieder geval zal de onderhavige pool m.i. vallen onder de ‘’kansovereenkomsten over den uitslag van wedstrijden’’ bedoeld in voormelde omschrijving van hazardspel; de organisatoren van de pool geven blijkens de deelnemingsvoorwaarden gelegenheid tot het aangaan van kansovereenkomsten, waarbij de kans wezenlijk bestaat in het op goed geluk raden van de uitslagen van voetbalwedstrijden (vgl. Noyon-Langemeijer, D1. II, ad artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht, aant. 7). V. Ten slotte dient nog te worden besproken, welke rol de zo juist genoemde Totalisatorwet ter oplossing van de onderhavige rechtsvragen kan spelen. Het valt in de eerste plaats op, dat artikel 1 sub 2e dezer wet een omschrijving van de ‘’totalisator’’ geeft, welke volledig past op de onderhavige pool, te weten ‘’elke gelegenheid, opengesteld om tegen voldoening aan zekere voorwaarden op de uitslag van een wedstrijd te wedden, met dien verstande, dat het totaal van de inleg, behoudens bij of krachtens de wet toegestane aftrek, verdeeld zal worden onder degenen, die op de winner, of op één der prijswinnaars van de wedstrijd hebben gewed’’; in het onderhavige geval wordt weliswaar niet het totaal van de inleg onder de winnaars verdeeld, doch naar de zo even aangehaalde omschrijving kan bij of krachtens de wet aftrek worden toegestaan, waaruit volgt dat verdeling van het totaal geen wezensvere één exemplaar door de deelnemer behouden werd. 2. Het aantal kolommen per formulier bedroeg acht. De prijs bedroeg f. 0,25 per kolom met een minimum per formulier van twee kolommen (f. 0,50) en een maximum van acht kolommen (f. 2,=). 3. De inleg moest bij de inlevering van het formulier contant worden betaald; het copieformulier moest van een zegel per ingevulde kolom en van een nummer worden voorzien. De formulieren moesten op Vrijdag vóór de wedstrijddatum vóór 20.- uur worden ingeleverd bij het door de vereniging, waarvan de deelnemer lid was (c.q. de afdeling), aangegeven adres. De deelnemer moest op het formulier zijn naam en adres invullen, benevens de vereniging waarvan hij lid was. 4. Per formulier bracht de vereniging (afdeling) f. 0,10 administratiekosten aan de deelnemer in rekening. 5. Naast voldoening aan de voorwaarde van deelneming bestond de activiteit van de deelnemers in het voorspellen van uitslagen van wedstrijden. Het wedstrijdprogramma bevatte twaalf wedstrijden. De deelnemer gaf door plaatsing van een kruis in de daarvoor bestemde vakjes aan, of hij een overwinning thuisclub (1), een overwinning bezoekers (2), of een gelijk spel (3) voorspelde. Doorhaling en/of wijzigingen maakten de betreffende kolom ongeldig. 6. Elke juiste uitslag werd met één punt gewaardeerd. Voor de bepaling van het aantal punten golden alleen de wedstrijden, welke reglementair geheel werden uitgespeeld en welke werden gespeeld op de op het formulier aangegeven wedstrijddatum. De uitslagen werden door de uitkomsten van ingediende protesten niet gewijzigd. 7. Degene, die het hoogste aantal punten in een kolom verwierf, verkreeg de eerste prijs. De daarop volgende de tweede prijs. Indien meerdere deelnemers het hoogste aantal punten hadden behaald, werd de eerste prijs onder hen verdeeld. Voor de tweede prijs werd dezelfde gedragslijn gevolgd. 8. Het vaststellen van de prijswinnaars geschiedde op Zondagavond aan de hand van het exemplaar van het formulier genoemd onder 1b; de eindcontrole geschiedde te ’s-Gravenhage aan de hand van het exemplaar genoemd onder 1a. 9. Van de gelden, die beschikbaar waren voor de deelnemers, zijnde, na aftrek van veertig procent voor de vereniging, en van twintig procent voor de K.N.V.B., veertig procent, werd zeventig procent gereserveerd voor de eerste prijswinnaar(s) en dertig procent voor de tweede Prijswinnaar(s). De eventuele winst van ieder dezer winnaars bestond uit een tevoren onzeker bedrag. De eventuele winst dezer prijswinnaars bestond niet in enige aan de deelnemers uitgeloofde tegenprestatie, maar in een aandeel van de gezamenlijke inleg van die deelnemers. In geval (omtrent) veertig procent of meer van het aantal deelnemers winnaars zouden zijn, zouden zij materieel niets winnen, maar hun inleg gedeeltelijk verliezen aan de vereniging en aan de K.N.V.B. In geval de aan de deelnemers uit te keren tweede prijs minder dan twee gulden vijftig cents per deelnemer zou bedragen, zou het totale bedrag van de tweede prijs bij de eerste prijs gevoegd worden. 10. De uitbetaling geschiedde uiterlijk tien dagen na de wedstrijddatum. Indien zich een geschil zou voordoen omtrent de juistheid van de aanwijzing der voorlopige winnaars, zou de uitbetaling van de prijzen worden opgeschort tot twee dagen na de datum, waarop dat geschil zou zijn beslecht. subsidiair: voor geval terzake het primair gestelde misdrijf van artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht geen veroordeling mocht volgen, in hoedanigheid van bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond of anderszins opdracht heeft gegeven tot en/of feitelijk leiding heeft gehad bij het door of vanwege deze rechtspersoon alstoen aldaar openstellen van een gelegenheid, om, tegen geldelijke betaling althans tegen voldoening aan zekere voorwaarde, mede te dingen naar prijzen of premiën in geld, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers aan een zogenaamde ‘’K.N.V.B.-voetbaltoto’’, die als winnaars werden aangewezen door het lot of enige andere ka naar de uitgeloofde prijzen mogen mededingen, geen steun geeft aan de opvatting dat in casu slechts sprake zou zijn van het verschaffen van gelegenheid tot mededinging naar prijzen, aan een groep van personen, die uit hoofde harer beperktheid en in verband met de bijzondere betrekkingen, bestaande tussen hen, die de groep vormen, naar spraakgebruik als een besloten kring kan worden aangemerkt, en dat derhalve het openstellen ener zodanige gelegenheid in casu niet zou hebben plaats gehad; dat immers de groep der personen, die tot deelneming konden worden toegelaten, op zijn minst 270.000 leden telt, tussen welke geen andere betrekking bestaat dan dat zij lid zijn van een voetbalbond, waarvan practisch iedere mannelijke Nederlander boven 18 jaar lid kan worden; dat een groep van 270.000 personen, door een zo losse band verbonden, naar het oordeel der Rechtbank, naar spraakgebruik niet beschouwd mag worden als een besloten kring, waarbij nog komt dat die groep voor vrijwel onbeperkte uitbreiding vatbaar is nu, gelijk gezegd, practisch iedere mannelijke Nederlander boven 18 jaar zich daarbij kan voegen, terwijl bovendien nog is komen vast te staan dat niet alleen leden van vorenbedoelde groep, doch ook niet-leden zonder bezwaar naar de uitgeloofde prijzen konden mededingen; Overwegende dat de Officier van Justitie nog heeft gesteld, dat de in casu opengestelde gelegenheid geheel valt onder de in de Totalisatorwet gegeven omschrijving van ‘’totalisator’’ en dat uit het feit dat artikel 3 dier wet het wedden bij een totalisator, welke wordt georganiseerd met vergunning van de betrokken Ministers, uitdrukkelijk niet beschouwt als hazardspel in de zin van artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht, volgt dat het wedden bij een niet geautoriseerde ‘’totalisator’’ wel is hazardspel in de zin van laatstvermeld artikel; Overwegende dat voormelde stelling van de Officier van Justitie wellicht juist is, doch dat daaruit niet behoeft te volgen, dat de in casu door de K.N.V.B. of door verdachte opengestelde gelegenheid niet zou zijn een loterij in de zin der Loterijwet; Overwegende toch, dat artikel 3 lid 1 van de Totalisatorwet, blijkens artikel 2 lid 1 dier wet, uitsluitend betrekking heeft op het wedden bij harddraverijen en paardenrennen, welk wedden in het algemeen onder hazardspel valt, zoals bedoeld in artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de tot dit wedden gegeven gelegenheid niet is een loterij zoals bedoeld in de Loterijwet, daar immers bij het wedden op de uitslag van harddraverijen en paardenrennen de deelnemers hun kans op winst aanmerkelijk kunnen vergroten door hun keuze te bepalen op een door hen aangewezen paard, jockey of stal, waarvan de goede hoedanigheden in vergelijking met de andere mededingende paarden, jockey’s of stallen hun bekend kunnen zijn; Overwegende dat, nu naar het oordeel van de Rechtbank de in de dagvaarding omschreven gelegenheid is te beschouwen als een loterij, naar de daarvan in het eerste lid van artikel 1 der Loterijwet 1905 gegeven omschrijving, en nu blijkens de slotzin van artikel 254bis van het Wetboek van Strafrecht een dergelijke loterij niet valt onder het begrip ‘’hazardspel’’ bedoeld in evengenoemd artikel van het Strafwetboek, het aan verdachte telastegelegde aanbieden of geven van gelegenheid tot hazardspel niet is bewezen, weshalve verdachte van het hem telastegelegde moet worden vrijgesproken;’’ Overwegende ten aanzien van het middel: dat de Hoge Raad termen vindt in de eerste plaats te onderzoeken hetgeen in de vordering onder I, letter b, en III wordt aangevoerd tegen het oordeel van de Rechtbank, dat de in de dagvaarding omschreven ‘’voetbaltoto’s’’ zijn te beschouwen als een loterij in den zin van artikel 1, lid 1, der Loterijwet; dat de Procureur-Generaal tegen dit oordeel aanvoert, dat de Rechtbank heeft miskend, dat van loterij slechts dan kan worden gesproken, indien de winners in ieder geval een prijs of premie in geld of goed zullen ontvangen – hetgeen niet h