Rechtspraak Hoge Raad 1957-11-29
ECLI:NL:HR:1957:19
De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak (No. 9128) van: [de man] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een arrest, door het Gerechtshof te Arnhem op 6 Maart 1957 tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. A. Graftdijk, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in cassatie, kosteloos procederend ingevolge beschikking van de Arrondissements-Rechtbank te Zwolle van 22 Juni 1955, vertegenwoordigd door Mr. P.J. H. Nagel, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen;Gehoord den Advocaat-Generaal s’Jacob, namens den Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het beroep in cassatie met veroordeling van eiser in de kosten op het beroep gevallen;Gezien de stukken;Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat de verweerster in cassatie – verder te noemen; [de vrouw] – tegen den eiser tot cassatie – verder [de man] te noemen -, met wien zij op [datum] 1923 te [plaats] is gehuwd, na van den President der Rechtbank te Zwolle bij diens beschikking van 31 Mei 1955 verlof te hebben bekomen, een vordering heeft ingesteld voor de Rechtbank te Zwolle, onder meer hiertoe strekkende, dat partijen verklaard zullen worden gescheiden van tafel en bed, op grond van door [de vrouw] gestelde buitensporigheden en ernstige beledigingen, welke vordering, na verweer van [de man] , de Rechtbank bij vonnis van 28 Maart 1956 heeft toegewezen; dat [de man] als appellant tegen dit vonnis heeft aangevoerd, dat de Rechtbank zelfs ambtshalve [de vrouw] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering op grond dat zij de persona standi in judicio mist, daar zij krachtens beschikking van den Kantonrechter te Harderwijk van 7 Januari 1955 ingevolge de wet van 27 April 1884 in het gesticht voor krankzinnigen “ [gesticht] ” te [plaats] is geplaatst, en de Rechtbank te Zwolle bij beschikking van 1 Juli 1955 machtiging heeft verleend om haar alsnog voor ten hoogste één jaar ingaande 7 Juli 1955 in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, terwijl zij blijkens verklaring van den geneesheer-directeur van “ [gesticht] ” inderdaad sedert 10 Januari 1955 aldaar is verpleegd en haar op haar verzoek op 31 Mei 1955 presidiaal verlof tot dagvaarden is verleend, waarna de dagvaarding op 13 Juni daaraan volgend is uitgebracht; dat het Gerechtshof te Arnhem bij het bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 28 Maart 1956 heeft bevestigd, met betrekking tot deze grief overwegende: “dat [de vrouw] tot verweer tegen de grief heeft aangevoerd, dat zij op 4 juni 1956 uit [gesticht] is ontslagen en daarmee haar bevoegdheid om in rechte op te treden heeft herkregen en dat zij de voordien verrichte proceshandelingen bij notariële akte van 7 juli 1956 uitdrukkelijk, en door voortzetting van het geding op de bestaande gedingstukken stilzwijgend, heeft bekrachtigd; “dat [de man] deze feiten niet betwist heeft, doch aan de bekrachtiging uitwerking heeft ontzegd op grond, dat absoluut nietige handelingen niet bekrachtigd kunnen worden en [de vrouw] bovendien in haar systeem de absoluut nietige beschikking van de President zou dekken, re vera zichzelf verlof gevend tot het instellen der onderhavige vorderingen, terwijl [de man] ontkend heeft, dat [de vrouw] de verklaring heeft afgelegd in de notariële akte gerelateerd;“dat deze akte het afleggen van genoemde verklaring bewijst en dat [de man] geen bewijs van het tegendeel heeft aangeboden, zodat het afleggen van de verklaring ten processe vaststaat; “dat het Hof de vraag of de handelingen, door [de vrouw] verricht gedurende de tijd, waarin zij in een krankzinnigengesticht was opgenomen, absoluut nietig waren, niet behoeft te beslissen, omdat, ook als dit het geval is, zulke door een handelingsonbekwaam persoon verrichte proceshandelingen desniettemin vatbaar zijn voor bekrachtiging en dat de in casu na het wegvallen van de toestand van onbekwaamheid verrichte bekrachtiging tot gevolg heeft, dat die handelingen, zo zij al nietig