Rechtspraak Hoge Raad 1957-04-05
ECLI:NL:HR:1957:140
Tegenwoordig de Heren: Donner, President ; Smits, Hulsmann, Dubbink en Petit, Raden; Langemeijer, Advocaat-Generaal; Reyers, Substituut-Griffier. Openbare terechtzitting van Vrijdag 5 April 1957. De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No.9056) van: De Burgerlijke Instelling van Weldadigheid De Verenigde Gast- en Proveniershuizen zijnde het Heilige Geest- en St. Geertruid- en Catharinagasthuis , gevestigd te Kampen, eiseres tot cassatie van een op 12 Juni 1956 door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arrest, incidenteel verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr.Mr. J. H.de Brauw, advocaat bij den Hogen Raad, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, tevens incidenteel eiser tot cassatie, vertegenwoordigd door Mr.G.J. Scholten, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal s'Jacob, namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie strekkende tot vernietiging van het arrest, waarvan beroep in cassatie, en tot bekrachtiging van het vonnis in eersten aanleg, met veroordeling van principaal verweerder in de kosten op het beroep gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat, voor zover thans van belang, uit het bestreden arrest blijkt: dat [verweerder] bij inleidende dagvaarding principaal eiseres tot cassatie - verder te noemen De Gasthuizen - op verkorten termijn heeft gedaagd voor de Arrondissements- Rechtbank te Zwolle, onder meer stellende: dat De Gasthuizen is een burgerlijke instelling van weldadigheid als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a der Armenwet; dat zij ten doel heeft het verzorgen van ouden van dagen; dat de bij De Gasthuizen opgenomen ouden van dagen worden onderscheiden in drie groepen, te weten: a. kostkopers, verdeeld in verschillende klassen; b. kostgevers-werkvrij; c. kostgevers; dat het verschil tussen deze groepen onder meer hierin is gelegen, dat de kostkopers meer voorrechten bezitten dat de kostgevers-werkvrij, waartoe ook [verweerder] behoort, en laatstgenoemden weer meer dan de kostgevers, terwijl verder een kostkoper wordt gehuisvest in een aparte woning, een kostgever-werkvrij in een kamer en de kostgevers slechts gezamenlijke verblijven hebben; dat blijkens de artikelen 5 en 7 van het reglement van De Gasthuizen, ex artikel 20 der Armenwet vastgesteld door den Raad der gemeente Kampen, op 1 Maart 1927, en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten der Provincie Overijssel, bij besluit van 5 April 1927, in werking getreden op 6 April 1927, de hoedanigheid van werkvrijen kostgever met de daaraan verbonden rechten wordt verkregen door betaling van een, in artikel 7 van voormeld reglement bepaalde, inkoopsom, variërend naar gelang van den leeftijd van dengenen (het echtpaar), die (dat) als werkvrije kostgever wenst te worden opgenomen; dat [verweerder] zich in Juli 1942 als kostgever-werkvrij bij De Gasthuizen heeft ingekocht; dat de regenten van De Gasthuizen bij rondschrijven van 20 September 1947 aan alle kostgevers-werkvrij (dus ook aan [verweerder]) en alle kostgevers mededeelden op 16 September 1947 te hebben besloten "ter dekking van exploitatiekosten" van De Gasthuizen verhaal op hun inkomsten toe te passen, zulks vanaf den datum van het in werking treden der Noodwet Ouderdomsvoorziening, zijnde 1 October 1947, ten bedrage van f.4,- per week voor een alleenstaande en van f. 6, - per week voor een echtpaar, alsmede op gemelden datum te hebben besloten, dat bij verpleging in de ziekenafdeling van De Gasthuizen alle inkomsten tot een maximum van f.14,- per persoon en per week moeten worden overgedragen; dat de regenten van De Gasthuizen vervolgens ten aanzien van den toeslag, welke met ingang van 1 November 1948 van regeringswege op de uitkeringen ingevolge de Noodwet Ouderdomsvoorziening werd gegeven, alsmede ten aanzien van de verhogingen van deze uitkeringen, met ingang onderscheidenlijk van 1 Januari en 1 September 1950 en 1 artikel in het algemeen voor opneming gestelde vereiste van het zijn van ingezetene der gemeente [woonplaats], en die betaling mitsdien niet is te beschouwen als een deel van de praestatie van [verweerder] staande tegenover de praestatie van De Gasthuizen; dat het bedrag van f.100,-, door [verweerder] betaald voor de kosten van zijn begrafenis, evenzeer buiten aanmerking moet worden gelaten; dat derhalve tegenover de door De Gasthuizen te leveren praestatie, bestaande in het levenslang verstrekken van verpleging en verzorging aan [verweerder], slechts stond de betaling van een bedrag van f. 800, -; dat bij gelegenheid van de comparitie namens De Gasthuizen door de comparant Don is verklaard, dat omstreeks 1940 als kosten voor de verpleging van een persoon per jaar een bedrag van f. 180, - werd gerekend; dat dit bedrag stellig niet te hoog voorkomt en door [verweerder] ook niet is bestreden, weshalve de Rechtbank van oordeel is dit bedrag als juist te kunnen aanvaarden; dat de waarde van een lijfrente van f. 180, - per jaar voor een 65-jarige, als [verweerder] ten tijde van zijn opneming in De Gasthuizen was, voor de regeling van het recht van successie, volgens de tabel van artikel 47, on- der le, sub e der Successiewet, wordt bepaald op acht maal f.180,- is f.1440, -; dat dan ook moet worden aangenomen, dat de waarde van de in 1942 door De Gasthuizen aan [verweerder] toegezegde verpleging en verzorging was te stellen op f.1440, -; dat met dit resultaat in overeenstemming is het feit, dat men, blijkens artikel 7 van het Reglement van 1927, in 1942 als vijf-en-zestigjarige een bedrag van f.1500,- moest betalen, ten einde zich als kostkoper in de vierde (laagste) klasse in te kopen en zich aldus een recht op levenslange verpleging en verzorging op de bescheidenste voet te verzekeren; dat derhalve niet kan worden aangenomen, dat door de betaling van f.800,- de door De Gasthuizen ten behoeve van [verweerder] te maken kosten geheel worden vergolden; dat hieruit volgt, dat [verweerder] ten tijde van zijn opneming in De Gasthuizen niet ten volle uit eigen middelen in zijn behoeften kon voorzien en, voorzover de kosten door De Gasthuizen gemaakt en nog te maken niet als door de betaling van het bedrag van f. 800,- vergolden kunnen worden beschouwd, die kosten als kosten van armenverzorging in de zin der wet moeten worden aangemerkt;" dat [verweerder] tegen beide vonnissen in hoger beroep is gekomen en het Hof bij het bestreden arrest - na te hebben overwogen dat [verweerder] geen enkel belang heeft bij vernietiging van het interlocutoire vonnis der Rechtbank - ten aanzien van de tweede tegen het eindvonnis aangevoerde grief, dat de Rechtbank aan [verweerder] ten onrechte zijn vordering heeft ontzegd, onder meer heeft overwogen: "dat [verweerder] zijn vorderingen hierop steunt, dat de kostgevers werkvrij evenals de kostkopers voor hun verzorging en verpleging tot de dood toe door het storten van een inkoopsom hebben betaald en daarop een recht hebben verkregen, zodat boven de voor dit recht verleende tegenpraestatie generlei verhaal op inkomsten der kostgevers werkvrij mogelijk is; dat De Gasthuizen hiertegenover heeft gesteld, dat de kostgevers werkvrij tegenover de door hen bij hun intrede betaalde geldsom, genaamd "intreegeld", slechts verkregen het recht op vrij wonen benevens enige voorrechten boven de kostgevers, die niets betaalden, doch dat hun verpleging ten laste van De Gasthuizen komt, en zij dus in zoverre als ondersteunden zijn aan te merken op wier inkomsten verhaal krachtens de Armenwet en de Noodwet Ouderdomsvoorziening mogelijk is; dat voor de vraag, of de kostgevers werkvrij evenals de kostkopers geacht moeten worden dit recht geheel onder bezwarende titel dan wel ten dele om niet te hebben gekregen, de geschiedenis der instelling, waarop partijen zich beroepen, evenmin als de tekst van de Reglementen een afdoende oplossing geeft; dat de tekst van het reglement zelfs voor de kostkopers niet buiten twijfel stelt, dat z en van het Bestuur van De Gasthuizen te zijnen aanzien nietig of onverbindend is; dat deze besluiten alle de strekking hebben, verhaal op de inkomsten der kostgevers werkvrij uit te oefenen boven het bij hun intrede betaalde bedrag; dat het laatste besluit nog verder gaat, immers strekt tot het in rekening brengen aan alle verpleegden, ook aan hen, die bij hun intrede een bedrag betaalden, van wekelijkse bedragen, waarop slechts de nog aanwezige reserves der betaalde bedragen in mindering zouden komen; dat blijkens het boven overwogene al deze besluiten in strijd zijn met de tussen partijen gesloten overeen- komst en derhalve onverbindend voor [verweerder]; dat, wat in het bijzonder het verhaal krachtens artikel 15 Noodwet Ouderdomsvoorziening betreft, de tekst van dit artikel, dat de mogelijkheid opent, voor zover hier van belang, dat aan een door het openbaar gezag erkende instelling van weldadigheid - wat De Gasthuizen onbetwist zijn -, te wier laste de kosten van verzorging of verpleging in een gesticht van iemand, aan wie een ouderdomsuitkering is toegekend, komen, binnen zekere grenzen de ouderdomsuitkering wordt uitbetaald, aanleiding zou kunnen geven tot de opvatting, dat deze bepaling ook zou kunnen worden toegepast, indien de instelling tevoren voor de te verschaffen verzorging en verpleging een tegenpraestatie heeft ontvangen, die onvoldoende blijkt, doch het Hof deze opvatting als strijdig met de zin der bepaling verwerpt; dat deze toch niet ten doel heeft, de instelling tegemoet te komen in tegenvallers, voorkomende uit een te lage schatting van het te verstrekken onderhoud, doch veeleer, om een eenvoudig verhaal mogelijk te maken op de inkomsten van hen, die van de instelling ondersteuning genieten; dat [verweerder] in de tweede plaats vordert betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85); dat De Gasthuizen dit bedrag berekenen op f. 1272,37, en het Hof, waar [verweerder] zijn stelling niet nader adstrueert, dit laatste als juist aanneemt; dat uit het boven overwogene volgt, dat het verzoek door De Gasthuizen aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling aan hen van de aan [verweerder] toekomende uitkering ten onrechte is gedaan en ingewilligd, en eveneens ten onrechte het ontvangene niet ten volle aan [verweerder] is uitgekeerd; dat hieruit echter nog niet volgt, dat [verweerder] nu van De Gasthuizen het hem onthoudene rechtstreeks kan invorderen; dat toch, indien een debiteur (in casu de Raad van Arbeid) een aan een crediteur ([verweerder]) verschuldigd bedrag ten onrechte aan een derde (De Gasthuizen) uitbetaalt, de crediteur dit bedrag alsnog van de debiteur kan vorderen en deze het als onverschuldigd betaald van de derde kan terugeisen, doch de wet een rechtstreekse actie van de crediteur tegen de derde niet kent; dat echter de stellingen van [verweerder] de elementen bevatten van een eis tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad; dat immers een verzoek aan de Raad van Arbeid tot uitbetaling van bedragen, die aan [verweerder] toekomen, buiten het in de wet voorziene geval, alsmede de inhouding van het aldus ten onrechte ontvangene, zijn onrechtmatig, en deze handelingen aan De Gasthuizen kunnen worden verweten - [verweerder] stelt bij pleidooi zelfs kwade trouw - nu zij het onrechtmatig karakter moesten kennen, terwijl in de stellingen van [verweerder] voorts voldoende ligt opgesloten, dat hij door het niet ontvangen van deze bedragen schade heeft geleden; dat echter de schade tot het gevorderde bedrag niet vaststaat;" dat het Hof vervolgens nog overweegt, dat het ter bepaling van de schade wenselijk is partijen in staat te stellen een verklaring van den Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank over te leggen; dat het Hof op deze gronden, met bekrachtiging van het interlocutoir vonnis der Rechtbank het eindvonnis van 2 Maart 1955 heeft vernietigd en de in de dagvaarding genoemde De door het Hof vermelde omstandigheden, waaronder niet voorkomt, dat De Gasthuizen, een instelling van weldadigheid in de zin der Armenwet, wist of had behoren te weten of te begrijpen, dat [verweerder] een van de hare afwijkende opvatting had, noch dat aan [verweerder] onbekend was, dat De Gasthuizen reeds vóór zijn intrede verhaal op de inkomsten van de kostgevers werkvrij toepaste en evenmin, dat aan De Gasthuizen te verwijten is, dat [verweerder] een verkeerde indruk had van de transactie, kunnen het oordeel van het Hof niet rechtvaardigen, dat, ofschoon de door [verweerder] geleverde prestatie die van De Gasthuizen slechts ten dele dekte en De Gasthuizen het verschil als ondersteuning verstrekte, desondanks de overeenkomst als geheel onder bezwarende titel moet worden beschouwd. Ten onrechte heeft het Hof zich niet door de objectief aanwezige bevoordeling en de bedoeling van De Gasthuizen, die de bevoordeling verstrekte laten leiden, en geoordeeld, dat voor toekenning aan de overeenkomst van het karakter van bevoordeling om niet nodig was, dat [verweerder] begreep of redelijkerwijze heeft moeten begrijpen, dat De Gasthuizen daarbij de bedoeling had hem te ondersteunen. Bovendien heeft het Hof uit het oog verloren, dat, onder de door het Hof aangenomen omstandigheden, de overeenkomst behoorde te worden uitgelegd ten nadele van [verweerder], die zich de praestaties van De Gasthuizen had bedongen en ten voordele van De Gasthuizen, die zich tot het verschaffen van verzorging en verpleging had verbonden. II Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen aangehaald onder I en voorts van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, 1, 5, 59, 103, 104, 134, 199, 200, 347, 348, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, 1388, 1390, 1391, 1392, 1393, 1394, 1395, 1396, 1397, 1398, 1401, 1402, 1417, 1418, 1421, 1422, 1837, 1838, 1839, 1842, 1849, 1902, 1903 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het Hof met betrekking tot de door [verweerder] in de tweede plaats gevorderde betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85) heeft overwogen gelijk hierboven is weergegeven en vervolgens tot bepaling van de schade overlegging van een in het arrest omschreven verklaring van de Raad van Arbeid te Zwolle of van de Rijksverzekeringsbank heeft verzocht. a. Waar naar het Hof terecht stelt [verweerder] een aan hem verschuldigd bedrag dat de Raad van Arbeid ten onrechte aan een derde - De Gasthuizen - zou hebben uitbetaald, alsnog van zijn debiteur - de Raad van Arbeid - kan vorderen is onbegrijpelijk en daarmede in strijd, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, en bovendien onjuist, dat tegenover [verweerder] De Gasthuizen dat ten onrechte door de Raad van Arbeid aan haar uitgekeerde bedrag zou behoren uit te keren aan [verweerder], en dat zij dat ontvangen bedrag tegenover [verweerder] ten onrechte niet aan deze heeft uitgekeerd. b. Evenzeer komt het Hof met zichzelf in tegenspraak en is het arrest onbegrijpelijk, waardoor het niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, en bovendien onjuist, wanneer het in beginsel aanneemt, dat [verweerder] door het niet ontvangen van de door de Gasthuizen ontvangen bedragen schade heeft geleden tot het door hem gevorderde door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, zij het dat daarop een aftrek zou dienen te worden toegepast als door het Hof aangeduid, die naar het Hof mogelijk oordeelt die gevorderde bedragen zelfs wellicht zal kunnen overtreffen. Bij behoud van de actie tegen de Raad van Arbeid heeft [verweerder] geen schade geleden, doordat De Gasthuizen ten onrechte van de Raad van Arbeid betalingen heeft gekregen, en kan hij ook geen aanspraak maken op vergoeding van zulke schade, nu een toe te wijzen schadevergoeding ook niet in minde Ten onrechte oordeelde het Hof, dat de in dit middel onder d vermelde, door het Hof onrechtmatig geachte handelingen aan De Gasthuizen kunnen worden verweten, nu zij het onrechtmatig karakter moet kennen, waaraan het toevoegt, dat [verweerder] bij pleidooi zelfs kwade trouw stelde, Daarbij ziet het Hof over het hoofd dat om aldus schuld bij De Gasthuizen aan te nemen gesteld en behoorlijk bewezen zou moeten zijn, dat De Gasthuizen wist dat [verweerder] bij het aangaan van de transactie bij zijn intrede niet heeft begrepen en niet wist, dat De Gasthuizen hem het daarbij verschafte voordeel verstrekte met de bedoeling om hem te ondersteunen, maar dacht, dat hij - in strijd met haar gemanifesteerde bedoeling ten aanzien van kostgevers werkvrij - zijn levenslange verzorging kocht, al hetgeen noch gesteld noch bewezen is, terwijl het oordeel dat De Gasthuizen het onrechtmatig karakter moest kennen ten onrechte iedere motivering ontbeert, waardoor het arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."; Overwegende dat [verweerder] zijnerzijds tegen het arrest incidenteel als middel van cassatie heeft voorgedragen: "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 48, 59, 103, 104, 199, 200, 347, 348, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1395, 1396, 1397, 1398, 1399, 1400, 1902, 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 12, 15, 19, 21 van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 175 der Grondwet; doordat het Hof met betrekking tot de door [verweerder] in de tweede plaats gevorderde betaling aan hem van door De Gasthuizen op de aan deze uitbetaalde ouderdomsuitkering te zijnen name ingehouden bedragen, tezamen f.1394,85 (ten rechte f.1334,85) heeft overwogen, als hierboven nader weergegeven, dat [verweerder] het hem onthoudene niet rechtstreeks kan invorderen, zulks ten onrechte omdat 1) het Hof niet mocht aannemen dat [verweerder] nog een vordering heeft op de Raad van Arbeid tot een bedrag van f.1.272,37 of althans tot een lager bedrag dat hem ten onrechte niet is uitgekeerd, nu a) de feitelijke grondslag daarvoor niet door een der partijen was gesteld en bewezen of anderszins ten processe was gebleken, waarbij nog komt dat voor het nog bestaan van zulk een vordering onder meer vereist is dat de termijnen zijn ingevorderd binnen een jaar na afloop van de kalendermaand waarin zij voor het eerst betaalbaar waren (hetgeen niet is geschied), en [verweerder] niet op straffe van verlies van zijn recht gehouden was dit in de dingtalen te stellen nu door De Gasthuizen niet was gesteld dat die vordering van [verweerder] op de Raad van Arbeid nog bestond; b) althans het Hof een en ander had behoren te onderzoeken en in zoverre het arrest niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd; 2) De Gasthuizen ongegrond is verrijkt ten koste van [verweerder] en deze daarom een vordering heeft op De Gasthuizen voor het bedrag dat aan [verweerder] door de Raad van Arbeid had moeten zijn uitgekeerd maar dat nu (met eventueel nog meer) is uitgekeerd aan De Gasthuizen, waarbij aangetekend wordt: primair, dat zulk een vorderingsrecht bestaat onafhankelijk van de vraag of [verweerder] alsnog een vordering terzake op de Raad van Arbeid heeft, subsidiair, dat althans [verweerder] een vordering op het hem door de Raad van Arbeid oorspronkelijk verschuldigde bedrag niet meer heeft, althans het Hof daarvan niet als tussen partijen vaststaande had mogen uitgaan. "; Overwegende dat het Hof - na te hebben vastgesteld, dat tegenover de door De Gasthuizen jegens [verweerder] als kostgever-werkvrij aanvaarde verplichting tot levenslange verzorging en verpleging slechts staat de betaling door [verweerder] van een som van f. 800, - ineens en dat dit bedrag, uitgaande van de kosten der verpleging en verzorging ten tijde van de opneming, de door De Gasthuizen te verrichten praestatie slechts ten dele dekte - ter beantwoording van de vraag of [verweerder] desniettemin geacht moet worden het recht op de gehele praestatie van D