Rechtspraak Hoge Raad 1956-12-05
ECLI:NL:HR:1956:AY1922
5 December 1956. F. No. 13000. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van de naamloze vennootschap [X] , gevestigd te [Z] , tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te Groningen van 3 Mei 1956 betreffende den haar opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1954; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1954 werd opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van f.205.043,51, daartegen tevergeefs bezwaar heeft gemaakt bij den Inspecteur, waarna zij zich heeft gewend tot den Raad van Beroep; Overwegende dat de Raad van Beroep echter de beschikking van den Inspecteur heeft bevestigd, na te hebben overwogen: "dat het enige punt van geschil, dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of krachtens artikel 6, lid 2, van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 juncto artikel 8a van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 4% van de kosten van een nieuw plaveisel ten bedrage van f. 22090,- ten laste van de winst mag worden gebracht; dat als onbetwist tussen partijen vaststaat, dat het plaveisel is aangebracht op het bedrijfsemplacement van belanghebbende; dat dit bedrijfsemplacement een ongebouwd eigendom in de zin van artikel 8a, lid 3, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is; dat het plaveisel - zoals ter zitting is gebleken - bestaat uit losse betontegels, te vergelijken met normale trottoirtegels en op dezelfde wijze aaneengelegd; dat belanghebbende als grond voor haar beroep aanvoert: dat hier geen sprake is van grondverbetering en deze betegeling niet aan de ongebouwde eigendommen, in dit geval de grond, kan worden toegerekend; dat de betontegels zijn vervaardigd uit bouwstoffen, welke ook benodigd zijn voor gebouwde eigendommen; dat blijkens paragraaf 5 van de Leidraad bij de toepassing van de investeringsaftrek o.m. buizen-kabel- en geleidingnetten niet tot de ongebouwde eigendommen, maar overeenkomstig paragraaf 17, lid 9, van de Leidraad bij de wet belastingherziening 1950 tot de roerende bedrijfsmiddelen worden gerekend; dat het niet van belang is of de ondergrond en de daarop aangebrachte losse betontegels samen één bedrijfsmiddel vormen, maar wel of de tegels als roerende bedrijfsmiddelen moeten worden aangemerkt; dat de Inspecteur aanvoert: dat niet kan worden gezegd, dat het plaveisel een zelfstandig bedrijfsmiddel vormt; dat plaveisel en ondergrond daarentegen tezamen één bedrijfsmiddel vormen; dat dit bedrijfsmiddel is een ongebouwd eigendom; dat er in casu dus verbetering van een ongebouwd eigendom is, waarop de investeringsaftrek krachtens de uitdrukkelijke bewoordingen van het Besluit niet toepasselijk is; dat krachtens het derde lid van artikel 8a van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 terzake van verwerving of verbetering van ongebouwde eigendommen de investeringsaftrek niet toepasselijk is; dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming der wettelijke regelen betreffende de investeringsaftrek de wetgever het begrip "ongebouwde eigendom" ontleend heeft aan de praktijk van de Wet op de Grondbelasting, volgens welke praktijk zelfstandige betontegels, ook al kunnen ze tot een plaveisel aaneengelegd worden, ongetwijfeld niet tot de daar bedoelde eigendommen, laat staan tot de ongebouwde eigendommen worden gerekend, aangezien ze roerende zaken zijn; dat dus eerst de vraag moet worden beantwoord of de betontegels, ondanks hun aaneenvoeging als plaveisel, roerende zaken, niet vallende onder het derde lid van artikel 8a, zijn gebleven; dat naar de mening van de Raad deze eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord; dat de tegels immers aard-vast met de grond verbonden worden - evenals tegels, die als trottoirbedekking worden gebruikt - en daardoor krachtens artikel 562 van het Burgerlijk Wetboek onroerend worden; dat vervolgens de vraag beantwoord moet worden, of de tegels zelfstandige onroerende zaken zijn geworden of deel zijn gaan uitmake