Rechtspraak Hoge Raad 1956-05-04
ECLI:NL:HR:1956:176
D. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No. 8975) van: de naamloze vennootschap Nationale Bioscoopondernemingen "Asta" Theater , gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage op 3 November 1955 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. C. R. C . Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, tegen verminderd tarief procederende ingevolge beschikking van voormelde Rechtbank d.d. 9 November 1954, vertegenwoordigd door Mr. R.P.J. Huygen, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal Loeff, namens den Procureur-Generaal, concluderende tot vernietiging van het bestreden vonnis, verwijzing der zaak naar de Rechtbank te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van 's Hogen Raads arrest en veroordeling van verweerder in de op het beroep in cassatie gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat de verweerder, [verweerder], voor den Kantonrechter te 's-Gravenhage tegen eiseres - verder te noemen Asta Theater - een vordering aanhangig heeft gemaakt tot betaling van f. 495, 53, later verminderd tot f. 483,84, daartoe stellende: dat hij reeds verscheidene jaren bij Asta Theater in dienst is als portier bij de door deze te 's-Gravenhage gedreven bioscoop, en wel laatstelijk overeenkomstig de "Regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het bioscoopbedrijf", vastgesteld bij beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 23 Januari 1950, Nederlandse Staatscourant van 2 Februari 1950, No. 24, op een basisloon van f. 26, - met een garantieloon van f. 45, -; dat hem volgens latere beschikkingen van het College van Rijksbemiddelaars, waarbij is bepaald, dat aan arbeiders van 23 jaar of ouder, wier loon is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een bindend vastgestelde loonregeling, door de werkgevers boven het rechtens geldende, in geld genoten inkomen een zekere bijslag moet worden uitgekeerd, over den tijd van September 1950 tot 1 Juli 1953 over zijn voormeld basisloon van f. 26,- per week nog een bedrag aan bijslag toekomt, dat Asta Theater onbetaald heeft gelaten en dat in zijn inleidend verzoekschrift op f. 495,53 is berekend, doch, naar hij in den loop van het geding heeft gesteld, in werkelijkheid f. 483,84 bedraagt; dat Asta Theater tegen deze vordering heeft aangevoerd: dat zij zowel vóór als na de inwerkingtreding van de bij voormelde beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 23 Januari 1950 vastgestelde regeling aan [verweerder] f. 26,- per week als loon heeft betaald; dat echter volgens deze regeling het basisloon van [verweerder] niet minder dan f.10 en niet meer dan f.15 mocht bedragen en dus de volgens de door [verweerder] bedoelde latere beschikkingen van het College verschuldigde bijslagen over een basisloon van f.15,- per week moesten worden berekend, zodat [verweerder] niet te weinig, doch te veel aan loon heeft ontvangen; dat de Kantonrechter, na bij vonnis van 13 Maart 1954 partijen in de gelegenheid te hebben gesteld om nadere inlichtingen te geven, bij vonnis van 28 Augustus 1954 heeft overwogen: "dat [verweerder] de door hem gevorderde loonsverhoging berekent over een bedrag van f.26,-, doch dit bedrag niet is het bedrag van het basisloon volgens artikel 7 van de voor hem geldende "Regeling van Lonen", en dan ook niet is aan te merken als "het rechtens geldende, in geld genoten inkomen"; "dat immers uit de niet weersproken toelichting van Asta Theater blijkt, dat het bedrag van f. 26, - niet wordt uitgekeerd op grond van de "Regeling van Lonen", maar dat dit hierop berust, dat vóór de huidige loonregeling aan portiers werd uitbetaald f. 26,- per week en dat, toen de huidige loonregeling werd ingevoerd, Asta Theater dit basisloon niet heeft willen verminderen (naar hij zegt tot f.15,- op welk bedrag het minimum basisloon toen werd g 15, - basisloon zou ontvangen, dan in totaal een bedrag zou ontvangen kleiner dan zijn garantieloon, hetgeen tegen de strekking van de Wet is; "dat de Rechtbank weliswaar van oordeel is dat voor het bepalen van een minimum basisloon ook weinig reden is, daar dan in het systeem van de regeling de portier mogelijk soms een groter bedrag zou ontvangen dan het garantieloon, doch deze consequentie van minder belang is, nu deze zich ook zou voordoen, als het verval op zichzelf in enige week al groter zou zijn dan het garantieloon; "dat de Rechtbank mitsdien aanneemt dat de in artikel 7 van de regeling gestelde bedragen beide minimum bedragen zijn en derhalve de aan [verweerder] uitgekeerde f. 26, - moeten worden beschouwd als een basisloon binnen het raam van deze regeling; "dat mitsdien de loonsverhogingen ook op dit basisloon moeten worden toegepast;" dat de Rechtbank op deze gronden het beroepen vonnis heeft vernietigd en alsnog aan [verweerder] zijn vordering heeft toegewezen; Overwegende dat Asta Theater tegen deze uitspraak opkomt met het volgende middel van cassatie: "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Regterlijke Organisatie, 1374, 1375, 1637, 1637a, 1638 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 2, 3, 11, 12, 15, 17 van het Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, 1, 6, 7 van de Regeling van Lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het bioscoopbedrijf, vastgesteld bij beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 23 Januari 1950, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 2 Februari 1950 nr 24 en van 6 Februari 1950 nr 26, I van de Bijslag op lonen en salarissen, vastgesteld bij beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 7 September 1950, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 8 September 1950 nr 175, I van de Bijslag op lonen en salarissen, vastgesteld bij beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 22 Maart 1951, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 27 Maart 1951 nr 59, doordien de Rechtbank op de in het vonnis vervatte overwegingen, met vernietiging van het vonnis van den Kantonrechter, aan [verweerder] zijn vordering, zoals deze tijdens de procedure was verminderd, heeft toegewezen, ten onrechte en in strijd met de aangehaalde wetsartikelen, omdat de bedragen van f.10, - tot f.15,-, genoemd in artikel 7 der bovengenoemde Regeling, en althans het hoogste daarvan, maximumbedragen vormen in dezen zin, dat de werkgever geen hogere bedragen dan de genoemde als basisloon mag toekennen en uitbetalen - behoudens indien en voor zover het verschil tussen het garantieloon en het wekelijks genoten verval de evengenoemde bedragen overtreft, welk geval zich hier echter - naar vaststaat, althans door de Rechtbank in het midden is gelaten - niet voordoet, welke opvatting strookt met de bedoeling van het College, zo in dit als in andere gevallen, de lonen ( ook) naar boven te begrenzen, terwijl in deze uitlegging niet, zoals de Recht-ank - ten onrechte. - veronderstelt, strijd zou bestaan met de in artikel 7 van de Regeling gegeven omschrijving van basisloon als het garantieloon, verminderd met het verval, aangezien de meergenoemde bedragen niet voorstellen maxima voor het aldus te berekenen en uit te betalen verschil, maar maxima van de door den werkgever te betalen bedragen, indien zulk een verschil niet bestaat of beneden deze bedragen blijft. "; Overwegende hieromtrent: Is dat artikel 6 van de Regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden in het bioscoopbedrijf vastgesteld in de hierboven vermelde beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 23 Januari 1950 een lijst bevat van de lonen, welke voor verschillende werknemers - waaronder portiers, controleurs en ouvreuses -, wier normale arbeidslijst 40 tot 48 uren per week bedraagt, zullen gelden, terwijl in het onmiddellijk daarop volgende artikel 7 is bepaald: "In bioscopen, waarin door het publiek fooien plegen te worden gegeven, gelden de in het voorgaande artikel voor controleurs,