Rechtspraak Hoge Raad 1955-11-25
ECLI:NL:HR:1955:4
Openbare terechtzitting van Vrijdag 25 November 1955. De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak (No. 8868) van: 1. [eiser 1] , wonende te [woonplaats], 2a. [eiser 2a] , zo voor zich als tot bijstand en machtiging zijner sub 2b genoemde echtgenote, 2b. [eiseres 2b], echtgenote van [eiser 2a] voornoemd, beiden wonende te [woonplaats], eisers tot cassatie van vier onderscheidenlijk op 5 December 1950, 2 Januari 1952, 2 Maart 1954 en 23 November 1954 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arresten, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n 1a. [verweerster 1a] , echtgenote van [verweerder 1b], 1b. [verweerder 1b] , voornoemd, zo voor zich als tot bijstand en machtiging zijner genoemde echtgenote, beiden wonende te [woonplaats], 2a. [verweerster 2a] , echtgenote van [verweerder 2b], 2b. [verweerder 2b] voornoemd, zo voor zich als tot bijstand en machtiging zijner genoemde echtgenote, beiden wonende te [woonplaats], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.H. de Brauw, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord de conclusie van den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van de in deze zaak gewezen arresten van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 Januari 1952, 2 Maart 1954 en 23 November 1954 voor zover deze zouden zijn gewezen tussen eisers tot cassatie en verweerders sub 1, [verweerster 1a] en [verweerder 1b] en voor wat betreft het arrest van 23 November 1954, voorzover daarbij is beslist, dat de daarbij toegewezen rente berekend moet worden van den dag af van de conclusie van eis in de schadestaatprocedure, en dat de Hoge Raad voorts zal verstaan, dat onder ‘’geintimeerden’’ en ‘’gedeclareerden’’ slechts worden verstaan verweerders sub 2, [verweerster 2a] en [verweerder 2b] en verweerders sub 2 zal veroordelen tot betaling van de bij laatstgenoemd arrest toegewezen rente van 28 November 1947 af, alles onder compensatie van kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden arresten blijkt: dat [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] in 1944 [verweerster 1a] en [verweerder 1b] alsmede [verweerster 2a] en [verweerder 2b] hebben gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Maastricht en onder meer hebben gevorderd om deze gedaagden te veroordelen om tezamen, althans ieder voor zich aan hen te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door hen geleden en nog te lijden ten gevolge van de wanpraestatie onderscheidenlijk onrechtmatige daad van gedaagden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; dat [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] als grondslag van deze vordering hebben gesteld, dat zij van [verweerster 2a], later gehuwd met [verweerder 1b], in 1937 het Forum theater te Sittard hebben gehuurd voor den tijd van 6 jaar ingaande 1 October 1937 en eindigende 30 September 1943 met een optierecht voor een aansluitend tijdperk van 3 jaren, waarvan zij tijdig hebben gebruik gemaakt, zodat de huur doorliep tot 1 October 1946; dat desondanks [verweerster 2a] en [verweerder 2b] in October 1944 het genoemde bioscoopgebouw hebben in bezit genomen en dit zijn gaan exploiteren; dat de Rechtbank bij vonnis van 18 October 1945 [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] in deze vordering voor zover gericht tegen [verweerster 1a] en [verweerder 1b] — gegrond op wanpraestatie van verhuurster — niet-ontvankelijk heeft verklaard en hun deze vordering voor zover gericht tegen [verweerster 2a] en [verweerder 2b] — gegrond op onrechtmatige daad — heeft ontzegd, doch het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch in hoger beroep bij arrest van 22 April 1947, met bevestiging van de niet-ontvankelijk verklaring tegen eerstgenoemden, de vordering tegen laatstgenoemden heeft toegewezen; dat vervolgens [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] ter tenuitvoerlegging van vorengenoemd arrest aan de wederpartijen op 28 November 1947 hebben doen b 96.489,37; ‘’dat het Hof volhardt bij zijn oordeel, dat bij de berekening van de netto-winst niet als op de exploitatie drukkende last moeten worden in aanmerking genomen de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de heffing ineens, die de declaranten zouden hebben moeten betalen of meer zouden hebben moeten betalen indien zij in het genoemde tijdvak het Forum-theater zouden hebben geëxploiteerd en dan voormelde winst zouden hebben gemaakt; ‘’dat echter bij de berekening van de door de gedeclareerden te betalen schadevergoeding wèl in aanmerking moeten worden genomen voordelen, die voor de declaranten mochten voortvloeien uit de omstandigheid, dat de inkomstenbelasting, die zij over de te ontvangen schadeloosstelling zullen moeten betalen, geringer zal zijn dan de belasting, die zij zouden hebben moeten betalen indien zij destijds de gederfde winst hadden gemaakt en als inkomen hadden genoten; ‘’dat een andere opvatting er toe zou leiden, dat de gedeclareerden aan de declaranten als schadevergoeding een bedrag zouden moeten betalen, dat hoger ligt dan de werkelijk door de declaranten geleden schade; ‘’dat van de zijde van de declaranten is betoogd, dat, waar de schade bestaat in de gederfde winst, de verschuldigde vergoeding op het bedrag van die gederfde winst moet worden gesteld en op het beloop dier vergoeding niet van invloed kan zijn wat de declaranten aan inkomstenbelasting te betalen hebben; ‘’dat dit betoog niet juist is; ‘’dat immers gevolg van de wanpraestatie" (bedoeld zal zijn: onrechtmatige daad) ‘’van de gedeclareerden is, dat in de plaats van wat aan de declaranten door de wanpraestatie" (bedoeld zal zijn: onrechtmatige daad) ‘’onthouden is treedt de door de gedeclareerden te betalen schadeloosstelling, wat in verband met de bepalingen van de artikelen 36 en 48 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ten gevolge heeft, dat het percentage van de hierover te betalen inkomstenbelasting ten hoogste 40 bedraagt; ‘’dat indien het uit dien hoofde te betalen bedrag geringer is dan hetgeen destijds zou verschuldigd zijn geweest als de winst in 1944-1946 zou zijn genoten, dit voordeel in de wanpraestatie" (bedoeld zal zijn: onrechtmatige daad) ‘’zijn grondslag vindt en daarom bij de vaststelling van de gevolgen daarvan mede in aanmerking moet worden genomen; ‘’dat uit van de zijde van de declaranten gedane mededelingen mag worden afgeleid, dat als zij in genoemd tijdvak de gederfde winst hadden gemaakt, het percentage der daarover verschuldigde inkomstenbelasting boven de 40 zou hebben gelegen; ‘’dat uit het bovenoverwogene voortvloeit, dat de gedeclareerden aan de declaranten als schadevergoeding moeten betalen (afgezien van eventueel nog door de declaranten verschuldigde huur) een bedrag van f. 96.489,37 onder aftrek van een bedrag, dat opheft het voordeel, dat de declaranten hebben doordat zij over hetgeen zij nu ontvangen minder aan inkomstenbelasting moeten betalen dan wanneer zij de gederfde winst in het tijdvak 1944-1946 hadden gemaakt; ‘’dat de declaranten, die moeten aantonen het beloop van hun schade, aan het Hof zullen moeten verschaffen de gegevens, die voor het maken van de bovenbedoelde berekening nodig zijn; ‘’dat tot het verschaffen van die gegevens gelegenheid zal worden gegeven bij een te bevelen comparitie van partijen tot het geven van inlichtingen, waarbij partijen zich desgewenst zullen kunnen doen bijstaan door deskundigen op belasting-gebied;" Overwegende dat het Hof daarop in zijn eindarrest van 23 November 1954 heeft overwogen: ‘’dat uit de door declaranten verstrekte gegevens, die door de gedeclareerden als juist worden erkend, blijkt, dat de declaranten aan inkomstenbelasting over de te ontvangen schadevergoeding nu tezamen f. 26.826,25 minder zullen hebben te betalen dan zij zouden hebben te betalen gehad indien zij de winst, die hun als gederfd moet worden vergoed, in de jaren 1944/1946 hadden genoten; ‘’dat ter berekening van de verschuldigde schadevergoeding dit bedrag dus van de 22 April 1947 de thans-verweerders sub 2 heeft veroordeeld, heeft overwogen en beslist als in de aangevallen arresten vermeld en in het bijzonder in de arresten van 2 Maart 1954 en 23 November 1954 zoals hierboven is weergegeven; zulks ten onrechte, omdat eisers in de omstandigheden van het onderhavige geval recht hebben — op zijn minst — op vergoeding van de nettowinst, die zij met de exploitatie van de bioscoop in kwestie in het betrokken tijdvak hadden kunnen maken, zonder dat daarop een aftrek mag worden toegepast in verband met het feit, dat — krachtens de regeling van artikelen 36 en 48 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 — de inkomstenbelasting, die eisers over de te ontvangen schadeloosstelling zullen moeten betalen, geringer zal zijn dan de belasting, die zij zouden hebben moeten betalen indien zij destijds de gederfde winst hadden gemaakt en als inkomen hadden genoten, immers door verweerders’ (althans verweerders sub 2) onrechtmatige daad (respectievelijk ‘’wanpraestatie", gelijk het Hof in rechtsoverweging 8 van zijn arrest d.d. 2 Maart 1954 — ten onrechte — formuleert) aan eisers op zijn minst ontnomen respectievelijk onthouden is de voornoemde netto-winst en eisers dientengevolge in hun vermogen een nadeel hebben geleden tot ten minste het bedrag dier meergenoemde netto-winst, waarbij irrelevant is, dat eisers — zo zij gebruik maken van de door artikelen 36 en 48 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 geboden mogelijkheid tot het afzonderlijk doen belasten van de ontvangen schadevergoeding —, over het bedrag dier schadevergoeding minder aan inkomstenbelasting zullen hebben te betalen, dan zij, in verband met het bedrag van hun overige inkomsten, in de jaren 1944 —1946 in totaal te betalen zouden hebben gehad over de hun ontgane netto-winsten, zulks reeds omdat tussen vorenbedoeld ‘’voordeel" en de onrechtmatige daad dei verweerders niet een noodzakelijk, direct en adaequaat, respectievelijk naar ervaringsregelen te verwachten, voorzienbaar causaal verband bestaat. II. Schending of verkeerde toepassing van de in het eerste middel aangehaalde wetsartikelen, doordien het Hof, na in zijn arrest van 22 April 1947, met toewijzing in zoverre van het petitum van der eisers inleidende dagvaarding, verweerders sub 2 veroordeeld te hebben om aan de eisers te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door eisers gehad en geleden of nog te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en nadat eisers bij hun op 28 November 1947 betekende schadestaat (evenals in hun daarop genomen conclusie van eis in de schadestaatprocedure) aanspraak hadden gemaakt op 5% rente over het tevoren door hen berekende schadebedrag, subsidiair het toe te kennen schadebedrag, vanaf de oorspronkelijke dagvaarding d.d. 18 November 1944, subsidiair vanaf den datum van het arrest van 22 April 1947, nog meer subsidiair vanaf den datum van den schadestaat, in zijn eindarrest heeft overwogen en beslist, dat de gevorderde interessen kunnen worden toegewezen van den dag af, dat de conclusie van eis in de schadestaatprocedure werd genomen, zijnde 29 Juni 1948, en dienovereenkomstig in zijn dictum slechts rente ad 5% ‘s jaars van 29 Juni 1948 af heeft opgenomen, zulks ten onrechte, omdat eisers, onder meer krachtens de bepaling van artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek, recht hebben op vergoeding van interessen, gelijk door hen gevorderd, althans op vergoeding van interessen met ingang van een eerderen datum van 29 Juni 1948, althans en in elk geval het Hof beslissende gelijk voormeld, zijn arrest op dit punt tegenover hetgeen eisers ten deze gesteld en gevorderd hebben, niet, althans niet voldoende en begrijpelijk, met redenen heeft omkleed. III. Schending of verkeerde toepassing van de in het eerste middel aangehaalde wetsartikelen, althans overschrijding van rechtsmacht met betrekking tot die artikelen, doordien het Hof, na in zijn arrest d.d. 22 April 1947 de thans verweerders sub 2 veroordeeld te h 96.489,37, indien destijds genoten, na aftrek van de destijds daarover verschuldigde inkomstenbelasting zouden hebben overgehouden; Overwegende dat in ‘s Hofs stelsel een zodanig nauw verband wordt gelegd tussen de inkomst, welke als winst of als schadeloosstelling wegens gederfde winst wordt verkregen, en de daarover geheven inkomstenbelasting, dat met deze belasting wordt rekening gehouden als ware zij een aan deze inkomst verbonden last, dès dat deze inkomst voor den belastingplichtige slechts bestaat uit wat na aftrek van het belastingbedrag overblijft; Overwegende dat deze voorstelling onjuist is, vermits de inkomstenbelasting over een inkomst als waarvan hier sprake is niet onmiddellijk bij de inning daarvan wordt afgehouden of daaruit wordt voldaan, doch voor het volle bedrag ter beschikking van den belastingplichtige komt, die deze bate dan ook in haar geheel te zijnen voordele kan gaan benutten, terwijl eerst, na langeren of korteren tijd, na ontvangst van den aanslag in de inkomstenbelasting over het betrokken jaar, de belasting moet worden voldaan; dat daarom reeds de vergelijking, welke het Hof wil maken tussen de positie van [eiser 1] en [eisers 2a en 2b], zoals deze zonder onrechtmatige daad zou zijn geweest — bepaald door het winstbedrag dat destijds zou zijn ontvangen verminderd met het daarvoor toen verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting — en hun tengevolge van de onrechtmatige daad ‘’verbeterde" positie, bepaald door de hogere bate, die de schadeloosstelling na aftrek van daarover verschuldigde belasting overlaat, mank gaat; Overwegende dat bovendien het bedrag aan inkomstenbelasting, hetwelk [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] verschuldigd zouden zijn geworden over de netto winst, wanneer zij deze in het tijdvak van 1 October 1944 tot 1 October 1946 zouden hebben genoten, — evenals zulks geldt voor het bedrag aan inkomstenbelasting verschuldigd over de schadeloosstelling wegens gederfde winst, zoals dit wordt vastgesteld met toepassing van het bijzonder tarief van artikel 48 voornoemd — niet afhangt van deze inkomst alleen doch voor elk der belastingplichtigen verband houdt met hun gehele zuiver inkomen in het betrokken belastingjaar, waarbij tal van persoonlijke omstandigheden, waarnaar de draagkracht van den belastingplichtige wordt afgemeten en waarvan afhangt in welke tariefgroep hij valt, een rol spelen; dat hieruit volgt dat, indien de afzonderlijke belasting van de schadeloosstelling wegens gederfde inkomsten in verband met de daarvoor gestelde maximum belasting van 40%, welke voor [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] gelet mede op hun overige inkomsten in aanmerking zou komen, hun in vergelijking tot het percentage, waarnaar zij destijds voor de inkomsten zelf in verband met de hoegrootheid van hun inkomen zouden zijn belast, een voordeel verschaft, dit voordeel geheel samenhangt met de bijzondere omstandigheden hun financiën en hun persoon betreffende, welke in de betreffende jaren de factoren vormen, waarnaar hun aanslag in de inkomstenbelasting wordt geregeld; dat daarom dit voordeel den vergoedingsplichtige niet raakt en hem derhalve bij de bepaling van de voor de toegebrachte schade te geven vergoeding niet mag worden toegerekend; Overwegende dat mitsdien het eerste middel gegrond is voor zover dit de stelling inhoudt, dat voor de berekening van de schadevergoeding in de omstandigheden van het onderhavige geval irrelevant is dat [eiser 1] en [eisers 2a en 2b] ten gevolge van de onrechtmatige onthouding van winst en de later daarvoor gegeven schadeloosstelling bedoeld belasting-voordeel hebben; Overwegende dat het tweede middel terecht bestrijdt de door het Hof in zijn eindarrest gegeven beslissing, dat de gevorderde interessen van 5% over het bedrag der verschuldigde schadevergoeding worden toegewezen van den dag af dat de conclusie van eis in de schadestaatprocedure werd genomen, zijnde 29 Juni 1948, dat toch op deze — moratoire — intereseen in de op 28 November 1947 betekende schadestaat aanspraak is