Rechtspraak Hoge Raad 1955-12-06
ECLI:NL:HR:1955:147
6 December 1955. V. No. 57563. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Op het beroep van [requirante] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1922, kantoorbediende, wonende te [woonplaats] , requirante van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 Juni 1955, waarbij, met vernietiging in hoger beroep van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 16 December 1954, requirante ter zake van "opzettelijk enig geheim, hetwelk hij uit hoofde van zijn tegenwoordig beroep verplicht is te bewaren, bekend maken, meermalen gepleegd", met aanhaling van de artikelen 23, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht, werd veroordeeld tot een geldboete van veertig gulden, subsidiair tien dagen hechtenis; Gehoord het verslag van den Raadsheer Feber; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur- Generaal aan de requirante uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens de requirante voorgesteld bij schriftuur, toegelicht bij pleidooi, en luidende: "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 47, 57, 272 en 273 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 338, 352, 359 en 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof: a. de telastelegging, zoals die ter terechtzitting in eerste aanleg is gewijzigd, behoudens enige onderdelen daarvan, heeft bewezen verklaard, wordende voor de inhoud der bewezen-verklaring verwezen naar de inhoud van het vonnis der Rechtbank en van het arrest van het Hof, en b. met vernietiging van het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 16 December 1954, waarbij requirante van rechtsvervolging werd ontslagen, het bewezen-verklaarde heeft geoordeeld te zijn een strafbaar feit;" Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het arrest, behoudens de vernietiging daarin van het vonnis van de Rechtbank, en tot niet-ontvankelijkverklaring van den Officier van Justitie in zijn vervolging; Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirante is bewezen verklaard: "dat zij met misbruik van haar beroep van Chef van de Afdeling Expeditie van de Rubber-Stichting te Delft nadat vanwege het Comité tot Voorlichting over Schuimrubber als vertegenwoordigster van een aantal bij dat comité aangesloten ondernemingen door tussenkomst van de Rubberstichting, die de daaraan verbonden werkzaamheden voor bedoelde ondernemingen verrichtte, advertenties waren geplaatst in verschillende radiobladen, waarin reclame was gemaakt voor schuimrubber, in welke advertenties was gesteld "als U belang stelt in het nieuwe wonder-materiaal schuimrubber, schrijf dan naar onderstaand adres. U krijgt dan kosteloos een interessant drukwerkje" terwijl onderaan die advertenties als adres was aangegeven het voornoemde Comité tot Voorlichting over Schuimrubber, Postbus 66, Delft; terwijl zij uit hoofde van haar werkzaamheden in dienst van de Rubberstichting de adressen Van de afzenders van de op die advertentie ingekomen brieven onder ogen kreeg binnen het kader van haar taak, verband houdende met de expeditie van folders van genoemd Comité aan de schrijvers op bedoelde advertentie, aldus beschikkende in het verband van haar werkzaamheden over gegevens welke zij uit hoofde van haar ter zake van haar beroep opgelegde geheimhoudingsplicht verplicht was geheim te houden, te Wassenaar in het tijdvak van Juli 1953 tot Januari 1954 bij herhaling opzettelijk in strijd met haar geheimhoudingsplicht adressen als vorenbedoeld heeft bekend gemaakt aan [betrokkene]; " Ten aanzien van het middel onder a: Overwegende dat dit blijkens de toelichting kennelijk beoogt te bestrijden dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat requirante, die weliswaar zich tot geheimhouding had verbonden tegenover de Rubber-Stichting ten aanzien van al hetgeen haar in haar betrekking door haar werkzaamheden bij die Stichting bekend zou worden op het gebied waarop die Stichting zich beweegt in den ruimsten zin des woords, k