Rechtspraak Hoge Raad 1955-03-22
ECLI:NL:HR:1955:11
22 Maart 1955. V. No. 56831. DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Op het beroep van [requirant] , geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1909, veehouder, wonende te [woonplaats] , requirant van cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank te Zutphen , meervoudige Economische Kamer, van 18 Mei 1954, waarbij hij ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 4 van de Wet Bestrijding Tuberculose onder het Rundvee" met aanhaling van de artikelen 1, 2, 4 en 17 dier Wet, 1, 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten, 23 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, werd veroordeeld tot een geldboete van vijftig gulden, subsidiair tien dagen hechtenis; Gehoord het verslag van den Raadsheer Feber ; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur- Generaal aan den requirant uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur op den voet van artikel 56 van de Wet op de economische delicten en toegelicht bij pleidooi en luidende: "I. Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 1349, 1355, 1374, 1375, 1690 t/m 1701 van het Burgerlijk Wetboek, 12 en 13 der Wet vereniging en vergadering, 1, 2, 4 en 17 der Wet bestrijding tuberculose rundvee, 350, 358 en 359 van het Wetboek van Strafvordering, doordat de Rechtbank ten onrechte voor de bewezenverklaring van het aan [requirant] telastegelegde feit, dat hij "niet aangesloten bij de gezondheidsdienst" zou zijn geweest, uitsluitend redengevend acht de verklaringen van getuige Dr. van den Burg en van verdachte, dat [requirant] nimmer een opgave als bedoeld in artikel 14 derde lid der statuten van de gezondheidsdienst van Gelderland heeft ingevuld, ondertekend en ingediend, daar deze bepaling noch naar de letter noch naar de bedoeling op [requirant] toepasselijk was, zodat de Rechtbank op grond van de uitdrukkelijke erkenning van [requirant] , dat hij bij de gezondheidsdienst was aangesloten, - in verband met het geldende recht inzake de totstandkoming van overeenkomsten en het daardoor ontstaan van verbintenissen, alsmede op grond van de goede trouw en billijkheid, waarmede de statuten van verenigingen en stichtingen behoren te worden aangevuld-, had moeten beslissen, dat [requirant] bij de gezondheidsdienst was aangesloten en het telastegelegde feit dus niet had mogen bewezen verklaren; II. Schending en/of verkeerde toepassing van dezelfde artikelen en artikel 1 der Wet algemene bepalingen, doordat de veroordeling van [requirant] feitelijk neerkomt op een veroordeling wegens het niet verrichten der handelingen van het invullen, ondertekenen en indienen van een opgave, als bedoeld in artikel 14 derde lid der statuten van de gezondheidsdienst van Gelderland, op grond van welk niet verrichten de Rechtbank immers heeft beslist, dat [requirant] niet bij de gezondheidsdienst zou zijn aangesloten als is vereist in artikel 4 der Wet bestrijding tuberculose rundvee, zodat het vonnis feitelijk of practisch steunt op de niet-telastegelegde en niet-bewezenverklaarde overtreding Van een bepaling, die niet in de Nederlandse Staatscourant is openbaar gemaakt, noch op andere wijze behoorlijk ter kennis van [requirant] is gebracht, welke bepaling [requirant] dus, krachtens de goede trouw waarmede de statuten van de gezondheidsdienst behoren te worden uitgevoerd, niet bond, zodat [requirant] niet strafbaar is, althans het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is; III. Schending en/of verkeerde toepassing van dezelfde artikelen, doordat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist,- dat de Stichting "Provinciale gezondheidsdienst voor dieren in Gelderland" rechtspersoonlijkheid bezat en dus was een "gezondheidsdienst" als bedoeld in de artikelen 1 en 2 der Wet bestrijding tuberculose rundvee, daar uit de inhoud der statuten Van die stichting blijkt, dat deze gezondheidsdienst in wezen is een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, zodat [requirant] niet strafbaar