Rechtspraak Hoge Raad 1954-11-09
ECLI:NL:HR:1954:1
De Hoge Raad der Nederlanden, Op de beroepen van: 1. [requirant 1] , van beroep electricien, geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1917, wonende te , [woonplaats] 2. [requirante 2] , zonder beroep, geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1914, wonende te [woonplaats] , 3. [requirante 3] , echtgenote van [betrokkene 1] , zonder beroep, geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1921 en wonende te [woonplaats] , requiranten van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23en maart 1954, waarbij in hoger beroep, met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 10 Februari 1953, requiranten wegens ‘’het medeplegen van het misdrijf: opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht’’, onder aanhaling van de artikelen 31 der Auteurswet 1912 en 23, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, zijn veroordeeld ieder tot een geldboete ten bedrage van een gulden, subsidiair een dag hechtenis, met veroordeling van requiranten des, dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, om aan het toneelfonds ‘’Festa’’ te Winschoten als schadevergoeding te betalen de som van acht gulden, voorts met veroordeling van requiranten in de kosten door de beledigde partij gemaakt, tot den dag der uitspraak begroot op vijf en twintig gulden in eersten aanleg en op vijftig gulden in hoger beroep, alsmede in de kosten ten behoeve der tenuitvoerlegging dier uitspraak nog te maken. Gehoord het verslag van den Raadsheer Vrij ; Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan de requiranten uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens ieder der requiranten voorgesteld bij pleidooi, en luidende: ‘’Schending althans verkeerde toepassing van artikel 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering in verband met artikel 31 van de Auteurswet, doordat uit de gebezigde bewijsmiddelen het te laste gelegde opzet niet is af te leiden; ‘’ Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van de ingestelde beroepen; Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requiranten is bewezenverklaard, ‘’dat zij op 25 November 1951 te Nieuwe Niedorp tezamen en in vereniging opzettelijk inbreuk hebben gemaakt op het uitsluitend recht van de rechthebbende op het recht van de maker van het toneelwerk ‘’De Man in Burger’’ tot openbaarmaking van dit toneelwerk, zijnde dit een werk van kunst, zulks door alstoen aldaar opzettelijk, zonder daartoe op enigerlei wijze gerechtigd te zijn, in een voor het publiek toegankelijke zaal voor het daarin aanwezig publiek door een aantal leden van de te Nieuwe Niedorp gevestigde toneelvereniging ‘’Cicero’’, van welke vereniging verdachte [requirant 1] was de voorzitter, verdachte [requirante 2] was de secretaresse en verdachte [requirante 3] , echtgenote van [betrokkene 2], was de penningmeesteresse, opgemeld toneelstuk, mede onder de verantwoordelijkheid van hem — verdachte — [requirant 1], haar — verdachte — [requirante 2] en haar — verdachte — [requirante 3] respectievelijk als voorzitter, secretaresse en penningmeesteresse, te laten opvoeren, zonder dat de voor die opvoering verschuldigde rechten waren voldaan, althans voor de opvoering regeling van rechten had plaatsgevonden;’’ Omtrent het middel van cassatie : Overwegende dat ter terechtzitting der Rechtbank door den secretaris der Nederlandse Amateur Toneel Unie is verklaard, dat hij ten behoeve van voornoemde toneelvereniging ‘’Cicero’’ bij het I.B.V.A. ‘’Holland’’ geïnformeerd had, welke de condities waren voor de door die vereniging voorgenomen opvoering van het toneelwerk ‘’De Man in Burger’’, waarop hij schriftelijk ten antwoord kreeg ‘’dat de gevraagde condities waren ƒ. 25,- voor iedere opvoering en dat voor de eerste opvoering het aankoopbewijs van acht tekstboekjes moest worden overgelegd’’; dat ieder der verdachten met betrekking tot de opvoering op 25 November 1951 van genoemd toneelwerk verklaard heeft a.