Rechtspraak Hoge Raad 1952-05-30
ECLI:NL:HR:1952:294
D E H O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N, in de zaak (No. 8485) van: [eiseres] , als bewindvoerster over het vermogen van den afwezige [A], wonende te [woonplaats], eiseres tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam op 31 October 1951 tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. H. Sanders, advocaat bij den Hogen Raad, t e g e n: de Wederkerige Verzekeringmaatschappij ‘’de Onderlinge Oorlogsschadeverzekering Maatschappij ", gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. P. C. Peters, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Procureur-Generaal in zijn conclusie tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot ontzegging van haar vordering aan verweerster in cassatie, met haar veroordeling in de kosten van eersten aanleg en van die in cassatie; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het aangevallen vonnis blijkt: dat de verweerster in cassatie, hierna te noemen de O.O.M., haar tegenpartij [eiseres] voor de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats] heeft doen dagvaarden en heeft gesteld: ‘’dat op of omstreeks 1 December 1942 [betrokkene], onder de naam [B] daadwerkelijk uitoefenende het beheer als bedoeld bij de verordening 154/41 toetreding heeft verzocht als deelnemer van de O.O.M. en als zodanig is aangenomen, een en ander overeenkomstig haar reglement en de uit kracht daarvan door haar bestuur vastgestelde voorwaarden van deelneming; ‘’dat de toetreding heeft plaats gehad tot haar afdeling A en de verzekering tegen oorlogsschade omvatte tegen een bedrag van: polis A 465893 : f. 30.000.- op de panden Bylandstraat 55/57 te ’s-Gravenhage en polis A 466018 : f. 50.000 op de panden Jan Steenstraat 52/58 te ’s-Gravenhage; ‘’dat genoemde [betrokkene] met de daadwerkelijke uitoefening van genoemd beheer door de Niederländische Grundstücksverwaltung was belast en speciaal tot het aangaan van verzekeringen gemachtigd, zodat door de beheersdaden [eiseres] evenzeer is gebonden als had zij deze zelf verricht; ‘’dat de verordening 154/41 weliswaar is geplaatst op de lijst A, behorende bij het besluit bezettingsmaatregelen (E 93), doch ingevolge artikel 30 van dat besluit in casu genoemde verordening moet worden toegepast als of zij van kracht was geweest (H. R. 18-1-1950 nj. 50 no. 690); ‘’dat de O.O.M. van de deelnemers in de afdeling A overeenkomstig artikel VII van de voorwaarden van deelneming heeft te vorderen een voorschotheffing, vervallende 14 dagen na het begin van ieder halfjaar en groot 1 o/oo van het verzekerd bedrag alsmede zo nodig een naheffing, de zogenaamde omslagheffing, vervallende na afloop van ieder halfjaar en 14 dagen na dagtekening van de desbetreffende quitantie, bedragende van het verzekerd bedrag ten hoogste 4 o/o0 per halfjaar;" dat de O.O.M. op voormelde gronden van [eiseres] de betaling heeft gevorderd van een bedrag van f. 905 aan heffingen en kosten; dat [eiseres] de navolgende vijf verweringen heeft voorgedragen: ‘’1. de O.O.M. is niet-ontvankelijk, omdat de Rechtbank in haar vonnis no. 4217/ 1949 tussen dezelfde partijen gewezen reeds over de zaak een beslissing heeft gegeven en deze, nadat een beroep in cassatie daartegen was verworpen, inmiddels in gewijsde was gegaan. 2. De Verordening 154/41, uit kracht waarvan eiseres thans ageert, is nietig ingevolge plaatsing op lijst A. van artikel 16 E 93. 3. Zo het verweer sub 2 niet opgaat, dan is [A] niet gebonden door het beheer door [B] gevoerd, daar dit beheer alleen het onroerende goed betrof en in zijn juridische vorm een nieuw zakelijk recht vormt. 4. Bij verwerping van het sub 3 genoemde, is [A] niet gebonden, omdat hier geen noodzakelijkheid voor het sluiten der verzekeringsovereenkomst bestond. 5. Zo er al een vordering tot betaling mocht hebben bestaan dan is deze door het verloop van 5 jaren verjaard." dat de Rechtbank in haar beroepen vonnis omtrent het eerste verweer heeft overwogen: ‘’Ten onrechte doet gedaagde een beroep erop, dat het hier een z gestelde, doch ontkende feit, dat [B] te dezen was opgetreden namens [A] doos de overgelegde bewijzen van deelneming, zoals de Rechtbank de bewoordingen daarvan verstond, gelet op hetgeen de Rechtbank aannam, dat omtrent de in dezen aan [B] opgedragen taak in feite was gebleken, met andere woorden door het daarvoor bijeengebrachte bewijsmateriaal, niet voldoende was gestaafd, en waaraan eveneens niet afdoet , dat verweerster, gelijk de Rechtbank overweegt, thans in het 3e aangezien der conclusie van eis heeft gesteld, dat [betrokkene], die onder de naam [B] het beheer bedoeld in de verordening 154/41 voerde, door de Niederländische Grundstückverwaltung daarmede was belast en speciaal tot het aangaan van verzekeringen was gemachtigd, het stellen van welk feit door de Rechtbank blijkens de rechtsoverweging ‘’ad 1" wordt beschouwd als het geven door de O.O.M. van een bredere grondslag aan haar actie, edoch ten onrechte, daar die stelling slechts behelst een uiteenzetting van de rechtsfeiten, die volgens de O.O.M. hadden geleid tot het ontstaan van dezelfde ‘’oorzaak" als waaruit in het eerste geding gevorderd was, te weten het voor en namens [A] toegetreden zijn van [B] tot de O.O.M., zijnde dan ook van die door de Rechtbank aanwezig geachte ‘’verbreding van grondslag" in de redengeving der uitgesproken veroordeling spoor noch weerslag terug te vinden; II. Schending althans verkeerde toepassing van artikel 168 der Grondwet in verband met de artikelen 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 506, 519, 1269, 1270, 1356, 1365, 1366, 1376, 1390, 1393, 1829, 1830, 1832, 1834, 1836, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 63 en 262 tot en met 267 van het Wetboek van Koophandel, 1, 7, 8, en 10 van de verordening van 11 Augustus 1941 (no. 154 van 1941) van de toenmalige rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, in verband met de artikelen 1, 2, 16 en 30 van het Besluit Bezettingsmaatregelen, zomede de in het eerste middel aangehaalde wetsartikelen, door in de alinea, aanvangende ‘’ad 3" te overwegen als voormeld, ten onrechte , daar: indien de onder 1 en 2 aangehaalde stellingen aldus zijn op te vatten, dat door het treffen van rechtsbetrekkingen als daarbedoeld, de eigenaar jegens de beheerder gebonden werd aan die rechtsbetrekkingen, derhalve tot het eerbiedigen derzelve, hieruit allerminst de onder 3 aangehaalde gevolgtrekking kan worden gemaakt, dat de eigenaar als partij bij die rechtsbetrekkingen, in dit geval als toegetreden tot de verzekeringsovereenkomst, moet worden beschouwd, terwijl indien die stellingen 1 en 2 zelf reeds aldus zijn te verstaan, dat in het algemeen een ingevolge de verordening 154/ 41 aangestelde beheerder, in de uitoefening van dat beheer rechtsbetrekkingen treffende, door de daad zelf optrad als vertegenwoordiger van de eigenaar, en de eigenaar tot partij bij die rechtsbetrekkingen maakte, deze opvatting moet worden verworpen, omdat a . zij indruist tegen hetgeen de Rechtbank hieromtrent reeds had beslist bij haar vonnis van 17 Mei 1950, bij hetwelk immers de Rechtbank, terwijl ook toen reeds vaststond, dat de beheerder de in geschil zijnde rechtsbetrekkingen had getroffen, in de uitoefening van het beheer, bewijs van diens gestelde optreden namens de eigenaar nodig had geacht, b . voor aanvaarding dier opvatting een uitdrukkelijk voorschrift van die strekking in de verordening onontbeerlijk zoude zijn, hoedanig voorschrift de verordening 154/41 niet inhoudt, c . die opvatting in strijd is met de algemeen bekende sociaal-politieke strekking van de onderhavige verordening, met welke strekking dan ook overeenstemt de naar algemene bekendheid daaraan bestendig gegeven toepassing; en derhalve de beslissing dat [A] als tot de overeenkomst toegetreden deelnemer moet worden beschouwd door de hierboven onder 1 en 2 aangehaalde stellingen van het vonnis niet kan worden gedragen en in allen gevalle onjuist is." Overwegende omtrent het eerste mid