Rechtspraak Hoge Raad 1951-05-11
ECLI:NL:HR:1951:AG1977
Openbare terechtzitting van Vrijdag 11 Mei 1951. De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur. De deurwaarder roept de navolgende zaken uit: De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak (No. 8306) van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een op 24 Mei 1950 door het Gerechtshof te 'sGravenhage tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. C.R. Wijckerheld Bisdom, advocaat bij den Hogen Raad, tegen: de Naamloze Vennootschap N.V. Maatschappij voor Vliegtuigbouw ‘’Aviolanda’’, gevestigd te Papendrecht, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. B.A. Droogleever Fortuyn, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, teneinde met inachtneming van het door den Hogen Raad te wijzen arrest, opnieuw te worden behandeld en beslist, en tot veroordeling van verweerster in de kosten, op de behandeling van het geding in cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat [eiser] bij inleidende dagvaarding Aviolanda heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Dordrecht en heeft gevorderd ontbonden te verklaren de bij dagvaarding nader omschreven overeenkomsten van partijen betreffende de levering door Aviolanda aan [eiser] van kammen door Aviolanda uit duraluminium te vervaardigen, zulks wegens wanpraestatie van Aviolanda door de overeenkomsten voor het grootste gedeelte niet na te komen, alsmede de veroordeling van Aviolanda tot betaling van een schadevergoeding; dat Aviolanda zich tegen deze vordering heeft verweerd met een beroep op overmacht, gegeven door de onmogelijkheid het nodige materiaal voor de vervaardiging der kammen ter beschikking te krijgen, welke haar voorlopig heeft belet de overeenkomsten verder uit te voeren dan zij gedaan heeft, en tevens de dóor [eiser] gestelde schade heeft betwist; dat de Rechtbank bij vonnis van 17 December 1947 aan Aviolanda heeft opgedragen de gestelde overmacht te bewijzen en vervolgens bij vonnis van 19 October 1949 [eiser] heeft toegelaten de door hem gestelde schade te bewijzen; dat het Hof bij het bestreden arrest, gewezen op het door Aviolanda tegen beide voornoemde vonnissen ingestelde hoger beroep, deze vonnissen heeft vernietigd en de vordering van [eiser] heeft afgewezen, na onder meer te hebben overwogen: ‘’dat allereerst behoort te worden onderzocht het verweer door Aviolanda voor het eerst in hoger beroep gevoerd, dat de door [eiser] gevorderde ontbinding der overeenkomsten met schadevergoeding niet kan worden toegewezen, omdat deze overeenkomsten, althans wat haar strekking betreft, in strijd met de wet en dus nietig zouden zijn; dat deze bij dagvaarding gestelde overeenkomsten zijn een overeenkomst, waarbij Aviolanda zich verbond aan [eiser] te leveren 250.000 kammen van duraluminium volgens monster tegen den prijs van ƒ. 0.60 per stuk, en een nadere overeenkomst, waarbij Aviolanda zich verbond haar gehele productie van haarkammen bij uitsluiting aan [eiser] te leveren, die zich daartegenover verbond die gehele productie af te nemen; dat uit de onderhandelingen van partijen en uit de door partijen gemaakte bedingen, b.v. uit de clausule ‘’Bij tweeploegen stelsel, mits geen stagnatie, bedraagt dagproductie 6000 aflevering heeft plaats voorzover materiaal voorradig’’, blijkt dat de kammen zouden worden vervaardigd door Aviolanda; dat daaruit volgt dat eerstgenoemde overeenkomst tot inhoud en strekking had, niet gelijk [eiser] thans betoogt dat Aviolanda slechts verplicht was 250.000 kammen als was overeengekomen te leveren en zo gewenst deze kammen elders kon laten vervaardigen of kopen, maar dat Aviolanda zich verbond om volgens een haar verstrekt monster 250.000 kammen van duraluminium voor [eiser] te fabriceren en aan deze te leveren; dat het Aviolanda evenwel niet geoorloofd was kammen te vervaardigen, daar deze voorwerpen ijen volkomen te goeder trouw zijn geweest, in dien zin, dat zij van het niet-geoorloofd zijn der bedongen prestatie niet geweten hebben, met name niet, wanneer dit gemis aan wetenschap betrekking had op de aanwezigheid van een feitelijke omstandigheid — het niet verleend zijn van een vergunning van den Secretaris-Generaal (Minister) — waarvan de al of niet strafbaarheid der prestatie afhankelijk was, terwijl, al zou de rechter niet mogen veroordelen tot nakoming van een overeenkomst, die verplicht tot een prestatie, welke verboden blijkt, zulks niet uitsluit dat een dergelijke overeenkomst geldig is, en dat daarvan de ontbinding, met schadevergoeding, gevraagd kan worden; Overwegende dat het middel tegen 's Hofs beslissing, dat de overeenkomsten wegens ongeoorloofden inhoud en strekking nietig zijn, onder meer aanvoert, dat noch uit den tekst, noch uit het doel van het Bedrijfsvergunningenbesluit 1941 voortvloeit, dat overeenkomsten als hiervoor bedoeld een ongeoorloofde oorzaak en strekking zouden hebben, en de oorzaak der bewuste overeenkomsten niet geacht kan worden ongeoorloofd te zijn, wanneer — zoals het Hof veronderstellenderwijze aanneemt — beide, althans een der partijen volkomen te goeder trouw zijn geweest en met name niet geweten hebben dat een vergunning, welke vereist was, niet was verleend; Overwegende daaromtrent: dat het Bedrijfsvergunningenbesluit 1941 in artikel 2 verbiedt zonder vergunning van den Secretaris-Generaal: 1. een industrieel bedrijf te vestigen of uit te breiden; 2. in een industrieel bedrijf over te gaan tot het voortbrengen of bewerken van goederen, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit niet tot de normale in dat bedrijf voortgebrachte of bewerkte goederen behoren; dat, gelet op de strekking van dit besluit — hetwelk, evenals de daardoor vervangen Bedrijfsvergunningenwet 1938, ten doel heeft contrôle van Overheidswege op de ontwikkeling van het bedrijfsleven mogelijk te maken en daartoe bepalingen inhoudt betreffende het vestigen, uitbreiden en veranderen van bedrijven —, het verbod in artikel 2 sub 2 voormeld aldus moet worden verstaan, dat den ondernemer verboden wordt zonder vergunning zijn bedrijf te veranderen door dit geheel of ten dele om te zetten in een bedrijf, hetwelk gaat voortbrengen (of bewerken) andere goederen dan op 28 Juni 1941 werden voortgebracht (of bewerkt); dat dit ook blijkt uit de bepalingen omtrent de aanvraag van de betreffende vergunning, gegeven in art. 3 van de beschikking van den Minister van Handel en Nijverheid van 28 Februari 1946 (no. 11708); Overwegende dat uit dezen inhoud van het voormelde verbod volgt, dat, wanneer een ondernemer zich — zoals te dezen — bij overeenkomst verbindt tot het fabriceren en leveren van goederen, die niet behoren tot die, welke op 28 Juni 1941 in het bedrijf normaal werden voortgebracht, dit verbod noch het aangaan van deze overeenkomst, noch de praestatie, waartoe de ondernemer zich daarbij verbindt, rechtstreeks treft, maar dat de ondernemer, die ter nakoming van deze overeenkomst zonder vergunning — bij het ontbreken van een ontheffing van het verbod als bedoeld in artikel 6 van het besluit — een verandering in zijn bedrijf aanbrengt en overgaat tot het voortbrengen der toegezegde goederen, dit verbod overtreedt en, ingevolge artikel 12 van het besluit, een strafbaar feit begaat; dat echter, al heeft een overeenkomst als bovenbedoeld derhalve geen verboden inhoud, toch zodanige overeenkomst een verboden strekking kan hebben en nietig zijn op grond van artikel 1373 Burgerlijk Wetboek, indien beide partijen bij het aangaan ervan de bedoeling hebben of er zich van bewust zijn, dat de nakoming ervan zal leiden tot de overtreding van voormeld wettelijk verbod doordat de ondernemer ook zonder de vereiste vergunning in zijn bedrijf tot het voortbrengen der toegezegde goederen zal overgaan; dat wanneer echter zodanige overeenkomst deze verboden strekking niet heeft, het voornoemd wettelijk verbod, dat aan de n