Rechtspraak Hoge Raad 1949-02-15
ECLI:NL:HR:1949:156
No. 50940. De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [requirant] , geboren [geboortedatum] 1897 te [geboorteplaats] , dansleraar, wonende te [woonplaats] , requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van den twee en twintigsten April 1948, houdende bevestiging, onder verbetering van twee kennelijke typefouten in de qualificatie, van een mondeling vonnis van den Politierechter bij de Arrondissements-Rechtbank te Leeuwarden van 2 Juli 1947, waarbij requirant ter zake — naar ‘s Hofs lezing — van ‘’voornemens zijnde in de gemeente Leeuwarden een vermakelijkheid te geven, van dit voornemen niet tenminste 24 uur voor den aanvang der vermakelijkheid schriftelijk kennisgeven aan de secretarie der gemeente, afdeling financiën, door het invullen van een aldaar kosteloos te verkrijgen aangiftebiljet, waarvan het model door den Controleur der Gemeentebelastingen is vastgesteld’’, met aanhaling van de artikelen 16 junctis 7, 2, 3 en 6 der Verordening van de gemeente Leeuwarden op de heffing van een belasting op vermakelijkheden juncto artikel 195 der Gemeentewet, en 91 en 23 Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een geldboete van dertig gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis; Gehoord het verslag van den Raadsheer Vrij ; Gezien het gerechtelijk schrijven, namens den Procureur-Generaal aan den requirant uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur en luidende: ‘’Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 415, 422, 423, juncto 261, 297 laatste lid, 338, 339, 344, 348, 350, 359 en 367 van het Wetboek van Strafvordering, juncto artikel 23 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 277 sub i der Gemeentewet, juncto artikel 16, 2, 3, 6 en 7 der Verordening van de Gemeente Leeuwarden tot heffing van een belasting op vermakelijkheden 1946/18;’’ Gehoord den Advocaat-Generaal Langemeijer, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep; Overwegende dat bij het in zover bevestigde vonnis van den Politierechter ten laste van requirant is bewezen verklaard, ‘’dat hij voornemens zijnde om in de avond van 30 Maart 1947 te Leeuwarden, een vermakelijkheid bestaande in dansen te geven, in een localiteit gelegen aan de [woonplaats] , van dit voornemen niet tenminste 24 uur voor de aanvang van die vermakelijkheid schriftelijk kennis heeft gegeven aan de secretarie der gemeente Leeuwarden, afdeling Financiën, door het invullen van een aldaar kosteloos te verkrijgen aangifte-biljet, waarvan het model door de gemeentebelastingen is vastgesteld, zijnde die schriftelijke kennisgeving als bovenvermeld op 30 Maart 1947 nog niet gedaan’’; dat als bewijs strekte een proces-verbaal van een brigadier en een hoofdagent van politie, inhoudende onder meer verklaringen van enige personen omtrent een door requirant op Zondag 30 Maart 1947 te zijnen huize georganiseerde dansoefenavond en de volgende verklaring van requirant: ‘’Gedurende vele jaren geef ik aan tal van personen danslessen. Dientengevolge heb ik mijn woning tot het geven van deze lessen ingericht. Het dansen geschiedt geregeld in de benedenlocaliteit, alwaar nimmer consumptie’s worden verstrekt, omdat ik niet in het bezit ben van een aan mij verleende vergunning, noch Verlof A of B als bedoeld bij de Drankwet. Op Zondagen worden door mij zogenaamde oefenavonden gehouden en stel ik mijn inrichting ter beschikking van de leerlingen en oudleerlingen, die bij mij dansles ontvangen of hebben ontvangen, hetzij in clubverband, hetzij privé. Toegangsbewijzen om mijn inrichting te bezoeken, worden door mij nimmer verstrekt. Bij het verlaten van mijn inrichting, betaalt elke bezoeker f. 0.75 aan mij. Het ontvangen van dansonderricht is niet het eenige doel op deze avonden. Ik geef op deze avonden dan ook geen dansles. Hoogstens geef ik een opmerking, wanneer een persoon, in mijn inrich