Rechtspraak Hoge Raad 1948-11-19
ECLI:NL:HR:1948:86
Openbare terechtzitting van Vrijdag, 19 November 1948. De zitting wordt geopend des v.m. te 10 uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No.8115) van: [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een op 29 Januari 1948 door de Arrondissements-Rechtbank aldaar tussen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. B. Coope, advocaat bij den Hogen Raad; tegen: I. de vennootschap onder de firma [verweerster] , gevestigd te 's-Gravenhage, II. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats], III. [verweerder 3] , wonende te [woonplaats], IV. [verweerder 4] , wonende te [woonplaats], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.C.M. Ongering, mede advocaat bij den Hogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord de conclusie van den Advocaat-Generaal Wijnveldt, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep en veroordeling van eiser in de kosten dezer procedure; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat [eiser] bij inleidend verzoekschrift voor den Kantonrechter te ‘s-Gravenhage heeft gesteld: dat hij, sedert 1943 voor onbepaalden tijd in dienst zijnde bij de verwerende vennootschap laatstelijk tegen een weekloon van f. 27.74, van 23 December 1945 af geen loon meer heeft ontvangen; dat de vennootschap hem bij schrijven van 15 December 1945, door hem op 18 December ontvangen, heeft ontslagen tegen 22 December 1945, doch dit ontslag nietig is, daar het is geschied zonder toestemming van den Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau; dat hij op die gronden heeft gevorderd nietigverklaring van het ontslag en veroordeling van de verweerders om te betalen: a. f.27.74 per week van 23 December 1945 af, b. de wettelijke verhoging, bedoeld in artikel 1638q van het Burgerlijk Wetboek, c. de wettelijke rente van 5%; dat de verweerders hebben aangevoerd, dat zij op 13 December 1945 aan het Gewestelijk Arbeidsbureau de vereiste toestemming om aan [eiser] met ingang van 22 December ontslag te verlenen hebben gevraagd, welke toestemming op 13 December mondeling is gegeven, waarna op 14 December aan [eiser] zijn ontslag met ingang van 22 December is medegedeeld, dat [eiser] heeft ontkend, dat er mondeling op 13 December toestemming is verleend, en heeft gesteld dat eerst op 29 December schriftelijk toestemming door het Arbeidsbureau is verleend; dat de Kantonrechter bij vonnis van 5 Maart 1947 onder meer heeft overwogen: "dat vaststaat dat de firma aan eischer ontslag uit zijn dienstbetrekking tegen 22 December 1945 heeft aangezegd bij schrijven van 14 December 1945, dat aangetekend aan gedaagden (lees: eischer) is toegezonden in een envelop, die de poststempel data 14,15 en 17 December 1945 draagt, en dus niet eerder dan op laatstbedoelden datum in eischers bezit kan zijn gekomen, en wij voorts uit eischers inleidend verzoekschrift afleiden de stelling - welke niet door gedaagden weersproken is - dat eischers loon hem eenmaal per week werd uitbetaald, zoodat ook de opzeggingstermijn een week bedroeg, welke termijn in casu door de firma niet in acht genomen is; dat de bewering van gedaagden, dat mondeling op 13 December 1945 door het Bureau toestemming tot het ontslag van [eiser] zou zijn verleend, daargelaten dat zij weerlegd wordt door het in het geding zijnde schrijven van het Bureau van 23 September 1946, geacht moet worden door de gedaagden bij nadere conclusie te zijn teruggenomen; dat derhalve alleen rekening te houden valt met de schriftelijke ontslagvergunning van het Gewestelijk Arbeidsbureau van 29 December 1945 en dus de vraag beantwoord moet worden of, wil een ontslag geldig zijn, de vergunning daartoe verleend moet zijn vóór de aanzegging van het ontslag, dan wel ook verleend kan worden na die aanzegging, doch vóór den datum, waartegen het ontslag is aangezegd, of ook zelfs nog na laatstgenoemden datum; dat wij de woorden van artikel 6, lid 1, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 waarbij den werkgever en den heeft gegrond, welke hem rechtens noch moreel toekomt;" dat de Rechtbank op deze gronden met vernietiging van het beroepen vonnis aan [eiser] zijn vordering heeft ontzegd, met zijn veroordeling in de kosten van eersten aanleg en van hoger beroep; Overwegende dat [eiser] het vonnis van de Rechtbank bestrijdt met het navolgende middel van cassatie: Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 168 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 48,59,332, 343 en 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1637,1637a, 1639 g, h en i, van het Burgerlijk Wetboek, 6 en 9 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, Stbl. F. 214, doordat de Rechtbank heeft beslist, dat uit de kennisgeving, behoudens vermelding van het tegendeel, volgt, dat ten dage van het verzoek geen bezwaar tegen het ontslag bestond, weshalve als datum dier toestemming aangenomen moet worden de dag, waarop het verzoek is gedaan, in dat geval 13 December 1945; ten onrechte, doordat de Rechtbank voorbij heeft gezien, dat krachtens artikel 6 onder punt 1 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, beëindiging van de arbeidsverhouding eerst kan geschieden, na verkregen toestemming van de Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau; dat derhalve eerst op zijn vroegst op 29 December 1945 de arbeidsverhouding had mogen worden beëindigd, door opzegging zulks ingevolge artikel 6,lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, juncto artikel 1639g, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek; dat derhalve krachtens artikel 9, lid 1Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, het gegeven ontslag nietig is en derhalve de arbeidsverhouding nog steeds voortduurt; Overwegende dat in het algemeen een beschikking van een Overheidsorgaan niet reeds werkt als binnenskamers de beslissing is gevallen, doch eerst na openbaarmaking daarvan, welke openbaarmaking in gevallen als het onderhavige bestaat in mededeling van de genomen beschikking aan de belanghebbenden dat in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen niets wijst op een afwijking van dit algemeen beginsel wat betreft de daar geregelde toestemming van den Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau, welke afwijking te minder aanvaardbaar ware, omdat daarvan het gevolg zoude kunnen zijn, dat partijen eerst - gelijk te dezen - achteraf zouden ervaren, dat hun arbeidsverhouding, op een vroeger tijdstip zou zijn beëindigd; dat gelijke overweging evenzeer onaanvaardbaar maakt ,dat het aan den Directeur zou vrijstaan aan zijn toestemming terugwerkende kracht te verlenen tot een datum liggende vóór dien, waarop de beschikking ter kennis van partijen komt, nu het Besluit dit niet uitdrukkelijk bepaalt; dat mitsdien de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat als datum der toestemming in dit geval moet gelden 13 December 1945, immers die toestemming eerst van kracht werd na ontvangst door partijen van het hun op 29 December gezonden schriftelijk bericht; Overwegende dat daaruit echter niet, gelijk het middel wil, behoeft te volgen, dat aan het vóórdien door verweerders aan [eiser] gegeven ontslag iedere werking moet worden ontzegd; dat artikel 6 aan werkgever en werknemer verbiedt de arbeidsverhouding te beëindigen zonder toestemming van voormelde Directeur, terwijl ingevolge artikel 9 handelingen in strijd daarmede nietig zijn; dat de tekst van artikel 6 twijfel laat, of een ontslag door een werkgever aangezegd met inachtneming van den wettelijken opzeggingstermijn geldig is, indien de toestemming weliswaar wordt verleend na den datum der opzegging, doch nog vóór den datum waarop de overeenkomst ingevolge de opzegging zal aflopen; dat de Hoge Raad deze vraag ontkennend beantwoordt, omdat - hetgeen niet aanvaardbaar is - aan den werknemer, die eerst zekerheid omtrent het al dan niet bestaan van een geldige opzegging zou erlangen na het bericht van de toestemming niet gewaarborgd zou zijn, dat hij nadien nog zou beschikken over den hem - ingevolge de door de wet voor opzegging gestelde eisen - t