Rechtspraak Hoge Raad 1948-02-18
ECLI:NL:HR:1948:165
Nº 10006 DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] , optredende voor en namens de gezamenlijke gerechtigden tot [A]aldaar, tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te Rotterdam van 29 September 1947 inzake den aanslag in de vennootschapsbelasting, over het jaar 1941 opgelegd aan de naamloze vennootschap [A] , gevestigd te [Z] ; Gezien de stukken; Overwegende dat de genoemde naamloze vennootschap over het jaar 1941 in de vennootschapsbelasting is aangeslagen naar een belastbaar bedrag van £ 20.550; dat [X] voornoemd, optredend voor de gezamenlijke gerechtigden tot [A], tegen dien aanslag een bezwaarschrift heeft ingediend, stellende dat de aangeslagen naamloze vennootschap als niet bestaande moet worden beschouwd en dat de aanslag derhalve ten onrechte was opgelegd, in welke omstandigheid de regeling, vervat in artikel 1, eerste lid, der Eerste Aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942 geen verandering brengt, aangezien die beschikking verbindende kracht mist; dat de Inspecteur den aanslag gehandhaafd heeft, uit overweging dat de bedoelde beschikking ingevolge artikel 34 van het Besluit Vennootschapsbelasting 1942 wettig is tot stand gekomen; Overwegende dat [X], optredende in de hoedanigheid, vermeld in zijn bezwaarschrift, tegen die beschikking is gekomen in beroep, daarbij met betrekking tot genoemde Aanvullingsbeschikking, zonder te betwisten dat de vennootschap als naamloze vennootschap in het Handelsregister ingeschreven staat, aanvoerende dat geen uitvoerend orgaan andere belastingsubjecten kan aanwijzen dan in artikel 3 van het Besluit Vennootschapsbelasting 1942 genoemd zijn, noch ook de kenmerken of wettelijke vereisten voor het bestaan ener naamloze vennootschap interpretatief kan vastleggen, en dat in elk geval tegen hetgeen uit- artikel 1, eerste lid, der Eerste Aanvullingsbeschikking voortvloeit tegenbewijs is toegelaten; dat, nadat de Inspecteur in zijn vertooge schrift de juistheid van een en ander betwist had, de Raad van Beroep als volgt heeft overwogen: "dat, ingevolge het bepaalde in artikel 32 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 juncto artikelen 13 en 16 van het Besluit op de Winstbelasting 1940, bezwaren tegen een aanslag en bezwaren tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift worden ingediend door het bestuur van de betrokken vennootschap; dat in casu het bestuur der aangeslagen vennootschap noch een bezwaarschrift, noch een beroepschrift heeft ingediend, doch èn bij bezwaarschrift en bij beroepschrift, [X] te [Z] opkomt tegen de onderhavige aanslag; dat deze [X] dit bezwaar- en dit beroep ingesteld heeft, zoals uit zijn desbetreffende schrifturen blijkt, niet als uitmakende het bestuur der vennootschap, doch zich aandienende als optredend voor de gezamenlijke gerechtigden tot [A], alzo met volkomen negatie der aangeslagen vennootschap en het bestuur derzelve; dat deze [X] deze formulering bij zijn bezwaar- en beroepschrift kennelijk gekozen heeft ter adstructie van zijn daarbij ontwikkelde stelling, dat de aangeslagen naamloze vennootschap niet rechtsgeldig tot stand is gekomen; dat - wat, er zij van deze betwiste rechtsgeldige totstandkoming - in ieder geval voor [X] daaruit geen bevoegdheid voortvloeit om in afwijking van de uitdrukkelijke wettelijke bepalingen, inplaats van het bestuur der vennootschap een rechtsmiddel in te stellen tegen een aanslag, de naamloze vennootschap [A] betreffende; dat, waar [X] mede onbevoegdelijk het bezwaarschrift ingediend heeft, de Inspecteur hen niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn bezwaar;" waarna de Raad, met vernietiging van de bestreden beschikking, [X] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn tegen den meergenoemden aanslag ingediend bezwaar ; Overwegende dat belanghebbende als middelen van cassatie voordraagt: I. Schending van artikel 16 der wet van 19 December 1914 (Stb1.564), doordien de Raad, overwegende dat, belanghebbende niet als