Rechtspraak Hoge Raad 1946-01-18
ECLI:NL:HR:1946:72
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No.7967) van: [eischer] , wonende te [woonplaats] , eischer tot cassatie van een op 28 Maart 1944 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch tusschen partijen "gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. F. M. Westerouen van Meeteren, advocaat bij den Hoogen Raad, tegen: [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. R. H. van Schaik mede advocaat bij den Hoogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal, strekken tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde, met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest, verder te worden behandeld en beslist, en tot veroordeeling van den verweerder in de kosten aan zijde van eischer tot cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: "dat [eischer] bij inleidende dagvaarding [verweerder] heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Hertogenbosch o.m. stellende: "dat hij in 1928 van [betrokkene 1] een strook weiland heeft gekocht voor f. 2500, welken prijs hij aan den verkooper heeft voldaan, en dit perceel bij de ondershandsche koopakte terstond op naam van zijn dochter [betrokkene 2] heeft doen stellen; dat hij vervolgens in 1929 op dit perceel een woonhuis met stalling heeft doen bouwen en daarvoor heeft betaald f .5070; dat hij ten slotte in 1929 en 1931 op datzelfde perceel kippenkooien heeft doen bouwen waarvan de kosten ad f.288 en f.143 eveneens door hem zijn betaald; dat derhalve het door [eischer] betaalde bedrag in totaal f. 8001 .- beliep, waarvan een bedrag van f.4000 werd gefinancierd door middel van een hypotheek, welke ten laste van [betrokkene 2] voornoemd op het onroerend goed werd gevestigd; dat vervolgens [betrokkene 2] in 1936 in gemeenschap van goederen is gehuwd met [verweerder]; dat hij, [eischer], geboren in 1864, op hoogen leeftijd is gekomen en niet meer in staat is door arbeid in zijn onderhoud te voorzien, terwijl hij ook geen inkomen en bezittingen heeft, zoodat hij in armoede is vervallen; dat zijn raadsman en hijzelf aan [verweerder] een bijdrage in het levensonderhoud van hem, [eischer], hebben gevorderd ten bedrage van f.2.50 per week, hetgeen [verweerder] echter heeft geweigerd; " dat [eischer] op deze gronden heeft gevorderd - voorzooveel hier van belang - dat bij vonnis zal worden verklaard, dat de gestelde schenkingen zijn herroepen en [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van f.4001 met rente en kosten; dat de Rechtbank bij vonnis van 19 Maart 1943 [eischer] in zijn vordering niet ontvankelijk heeft verklaard op grond dat uit de eigen stellingen van [eischer] volgde dat de toestand van armoede voor de toepassing van artikel 1725 sub 3 van het Burgerlijk Wetboek vereischt, niet aanwezig was; dat het Hof bij het bestreden, op het beroep van [eischer], gewezen arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd na o.m. te hebben overwogen: "dat het Hof de in de opgeworpen grief aan de orde gestelde vraag, of iemand ingevolge artikel 1725 sub 3 van het Burgerlijk Wetboek al dan niet een schenking kan herroepen, zoolang de mogelijkheid nog openstaat dat hij zich krachtens artikel 376 van het Burgerlijk Wetboek onderhoud verschaft, niet behoeft te beantwoorden, omdat, wat daarvan ook zij, [eischer] op anderen grond in zijn vordering toch niet kan worden ontvangen, zoodat hij bij dit hooger beroep geen belang heeft; dat immers in artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek, hetwelk bepaalt dat een schenking kan worden herroepen onder meer indien de begiftigde weigert aan den schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levensonderhoud te verschaffen, met "schenking" is bedoeld de schenking, omschreven in artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen de overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde, die hetzelve aan - beteekent, dat zij moeten kunnen worden beschouwd als giften van hand tot hand van roerende lichamelijke voorwerpen of van schuldvorderingen aan toonder; dat vervolgens het Hof nog overweegt dat de hierbedoelde bevoordeelingen niet kunnen worden aangemerkt als giften van hand tot hand; Overwegende dat tegen deze beslissing wordt opgekomen met het navolgende middel van cassatie: Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 168 der Grondwet, 20 der Wet van 18 April 1827 (Stbl.no.20) op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 11 en 14 der Wet van 15 Mei 1829 (Stbl.No.28) houdende Algemeene Bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, 179,238, 239,376,377,384,460, 656, 658, 659, 667, 668, 671, 960, 964, 966, 967, 968, 969, 970, 971, 972, 1132, 1138, 1269, 1270, 1349, 1350, 1351, 1353, 1355, 1356, 1374, 1375 , 1376, 1377 , 1388, 1389, 1390, 1395, 1397, 1417, 1418,1703, 1704, 1713, 1714, 1715, 1719, 1720, 1721, 1722, 1723 , 1724, 1725,1727,1728,1729 van het Burgerlijk Wetboek, 44,45 en 46 der Faillissementswet, -------------------------------------------- doordien het Hof heeft overwogen en beslist, gelijk hierboven is weergegeven, een en ander ten onrechte ; 1. omdat een bevoordeeling, hoezeer zij niet bij notarieele acte is gedaan en ook niet kan worden aangemerkt als gift van hand tot hand, niettemin kan zijn een schenking in den zin van artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek (zij het dan, dat zij in dat geval nietig zal zijn, omdat de door de Wet voor hare geldigheid voorgeschreven formaliteiten niet zijn nageleefd, zoodat de schenker ook zonder toepassing van artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek van den begiftigde teruggave van het geschonkene zal kunnen vorderen), zoodat het Hof zijn onderzoek op dit punt niet had mogen beperken gelijk het gedaan heeft; 2. omdat de door eischer tot cassatie gestelde bevoordeelingen, ook al zouden zij geen schenkingen zijn als bedoeld in artikel 1703 Burgerlijk Wetboek, niettemin kunnen worden herroepen en teniet gedaan (en mitsdien restitutie van het geschonkene kan worden gevorderd), indien - zooals in casu gesteld is - de begiftigde weigert aan den schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levensonderhoud te verschaffen; Overwegende omtrent het eerste onderdeel van het middel: dat het verwijt aan het Hof, dat dit heeft nagelaten te onderzoeken of er was een schenkingsovereenkomst in den zin van artikel 1703 Burgerlijk Wetboek, zij het dan ook nietig wegens vormgebrek, geen feitelijken grondslag vindt in het aangevallen arrest, nu daaruit niet blijkt, dat de ten processe gestelde feiten iets inhouden omtrent het afstaan van eenig goed door [eischer] aan zijn dochter; dat dan ook hetgeen dit middel van het Hof verlangt, niet is een aanvulling van rechtsgronden, waartoe het Hof ingevolge artikel 48 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht zou zijn geweest, doch een onderzoek en eene beslissing omtrent feiten niet door partijen gesteld, iets wat met artikel 48 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering juist in strijd zoude zijn; dat mitsdien dit middel faalt; Overwegende ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel; dat de bepaling van artikel 1725 sub 3 den schenker, voor het geval hij in armoede is vervallen en de begiftigde weigert hem levensonderhoud te verschaffen, het recht geeft de schenking langs den weg eener herroeping te niet te doen; dat aan deze bepaling ten grondslag ligt de gedachte, dat de in vrijgevigheid gelegen rechtsgrond voor de verrijking van den begiftigde ten koste van den schenker onder de daargenoemde omstandigheden deze verrijking niet voldoende meer rechtvaardigt; dat daarom de behoeftig geworden schenker, jegens wien de begiftigde door weigering van onderhoud te kort schiet, in staat wordt gesteld dezen rechtsgrond, waarop de bevoordeeling van den begiftigde steunt, ondanks instemming daarmede door den begiftigde, eenzijdig door herroeping te doen vervall