Rechtspraak Hoge Raad 1946-01-09
ECLI:NL:HR:1946:163
No. 9631. DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 3 April 1944 betreffende zijn aanslag in de inkomstenbelasting over 1941; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, na vruchtelooze reclame bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep; dat, naar ten processe vaststaat, het zuiver inkomen van f. 3992. 38, waarnaar belanghebbende, overeenkomstig zijn aangifte, is aangeslagen, als volgt was samengesteld: salaris f. 4035.88, te verminderen met f.47 .-- aan kosten van verwerving, belooning als examinator f.30 .-- , aftrek wegens rente van schulden f. 26.50; dat, naar belanghebbende voor den Raad heeft aangevoerd, de bedoelde aanslag hem ten onrechte, immers in strijd met artikel 54, eerste lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 is opgelegd; dat toch zijn zuiver inkomen niet meer dan f.4000. -- heeft bedragen, terwijl het bedrag der aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten is geweest f.4035.88 minus f.47. -- , alzoo minder dan de f.4000. - die artikel 54, eerste lid, als grens stelt, terwijl ten slotte eveneens voldaan is aan den eisch van dat voorschrift met betrekking tot de andere bestanddeelen van het zuiver inkomen; dat de Inspecteur daartegenover de stelling heeft verdedigd, dat in het bedoelde wetsvoorschrift met "aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten" bedoeld is het onzuiver bedrag dier inkomsten, waarover de loonbelasting is berekend en ingehouden (in het onderwerpelijke geval dus het bedrag van f.4035.88) en niet het zuiver bedrag daarvan (in het onderwerpelijke geval f.3988.88) en ter zitting van den Raad van Beroep ter staving daarvan nog heeft aangevoerd, dat in den Duitschen tekst van het Besluit op de Inkomstenbelasting in artikel 54, lid 1, wordt gesproken van "lohnsteuer- pflichtigen Einnahmen", uitdrukking, welke in artikel 13 ter aanduiding van de onzuivere inkomsten uit dienstbetrekking wordt gebezigd; dat de Raad van Beroep de bestreden beschikking heeft gehandhaafd, uit overweging, dat het genoemde bedrag van f.4035,88 inderdaad vormde de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten, nu geen aftrek op den voet der artikelen 13 en 14 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 heeft plaatsgevonden; Overwegende dat belanghebbende als middelen van cassatie aanvoert : 1. Schending of verkeerde toepassing van artikel 54 van het Besluit Inkomstenbelasting 1941 en artikel 13 van het Besluit op de Loonbelasting 1940, doordat de Raad beslist heeft dat aan een der voorwaarden van artikel 54, lid 1, niet is voldaan, daar hij aanneemt dat het inkomen uit dienstbetrekking over 1941, bruto bedragen hebbende f. 40.035.88 en netto f.3.988.88, voor het bruto bedrag aan loonbelasting is onderworpen geweest, wordende hiermede tevens artikel 13 van het Besluit op de Loonbelasting 1940 geschonden, daar dit uitdrukkelijk rekening houdt met een aftrek voor verwervingskosten enzoo dus in principe het nettolooninkomen aan loonbelasting onderwerpt; II. Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 der wet van 19 December 1914 (Staatsblad no. 564) omdat de Raad zijn beslissing niet voldoende met redenen omkleed heeft door alleen maar vast te stellen dat uit de loonbelastingkaart blijkt dat f.4.035.88 aan loon is genoten en daarop geenerlei aftrek is toegestaan zijnde de Raad met deze beslissing geheel aan de grief voorbijgegaan en hebbende hij geen uitspraak gedaan in het eigenlijke geschil; III. Schending of verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 (Staatsblad no. 564) , omdat belanghebbende ernstig in zijn verweer voor den Raad van Beroep geschaad is doordat de Inspecteur eerst bij de mondelinge behandeling ter zitting van den Raad van Beroep argumenten heeft aangevoerd ontleend aan een vertaling van de in het Besluit Inkomstenbelasting 1941 opgenomen bepaling; Overwegende dienaangaande: dat het tweede middel faalt