Rechtspraak Hoge Raad 1942-01-12
ECLI:NL:HR:1942:244
No. 45653. D E H O O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N , Op het beroep van [requirant] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1914, van beroep vischhandelaar, wonende te [woonplaats] , requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage (Vacantie Kamer voor Economische Strafzaken) van den 30 Juli 1941, waarbij in hooger beroep is bevestigd een mondeling vonnis van den Economischen Rechter te 's-Gravenhage van 13 Juni 1941, bij welk vonnis requirant ter zake van: ‘’opzettelijk niet nakomen een krachtens de Distributiewet 1939 vastgesteld voorschrift", met aanhaling van de artikelen 18 Distributiewet 1939, 3 Vleeschdistributiebeschikking 1940 II en 91 Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden met verbeurdverklaring van het onder Geeverding en verdachte in beslag genomen varkensvleesch; Gehoord het verslag van den Raadsheer van der Flier ; Gezien het gerechtelijk schrijven, namens den Procureur-Generaal aan den requirant uitgereikt, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur en bij pleidooi toegelicht, luidende: ‘’Schending, althans onjuiste toepassing van de artikelen 1, 44, 56 en 57 van de wet van 18 April 1827 (Stbl. no. 20) op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie en de artikelen 1, 2; 3, 348, 422 en 423, 349, 415 van het Wetboek van Strafvordering, in verband met artikel 43 van het Règlement concernant les lois et coutumes de la guerre sur terre (het zgn. Landoorlogreglement), als onderdeel toegevoegd aan de Convention concernant les lois et coutumes de la guerre sur terre, onderteekend te 's-Gravenhage d.d. 29 Juli 1899 en bekend gemaakt bij Koninklijk Besluit d.d. 19 September 1900 (Stbl. no. 163) en met hetzelfde nummer en in gelijkluidende redactie bekrachtigd als onderdeel, toegevoegd aan de Convention concernant les lois et coutumes de la guerre sur terre, onderteekend te 's-Gravenhage d.d. 18 October 1907, § 5 van het Decreet van den Führer over de uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland van 18 Mei 1940, de §§ 2 en 3 der Verordening 1940/3 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied tot uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland van 29 Mei 1940, § 1 der Verordening 1940/23 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende de bevoegdheden van de Secretarissen-Generaal van de Nederlandsche Departementen van Algemeen Bestuur d.d. 21 Juni 1940 en de artikelen 1,2,3, 4, 5, 6 en 7 van het Besluit van 1941/71 van den Secretaris-Generaal van het Departement van Justitie met betrekking tot de berechting van strafzaken, rakende het economisch leven d.d. 7 April 1941, doordat de Economische Rechter bij de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis d.d. 13 Juni 1941 op het aan den requirant telastgelegde feit een veroordeeling heeft uitgesproken en de Economische Kamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij het bestreden arrest, rechtdoende op het hooger beroep, het vonnis, waarvan is geappelleerd, met overneming van de gronden, heeft bevestigd, zulks ten onrechte en in strijd met de als geschonden aangehaalde artikelen, daar het voormelde Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Justitie met betrekking tot de berechting van strafzaken, rakende het economische leven als strijdig met artikel 43 van het Landoorlogreglement en de mede aangehaalde § 5 van het Decreet van den Führer en § 2 van de Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied tot uitoefening van de regeeringsbevoegdheden in Nederland, niet verbindend is en derhalve de Economische Rechter bij de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage ten onrechte heeft nagelaten zich onbevoegd te verklaren tot kennisneming van het telastegelegde feit en de Economische Kamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij het bestreden arrest ten onrech