Rechtspraak Hoge Raad 1940-12-20
ECLI:NL:HR:1940:129
Openbare terechtzitting van Vrijdag 20 December 1940. De zitting is geopend te tien uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: De Hooge Raad der Nederlanden , in de zaak (no. 7578) van: [eischer] , wonende te [woonplaats] , eischer tot cassatie van het op 18 Januari 1940 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tusschen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. H.F.A. Völlmar, advocaat bij den Hoogen Raad, TEGEN: den Staat der Nederlanden, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. G.W. van der Does, advocaat bij den Hoogen Raad; Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal Berger, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, teneinde, met inachtneming van de door den Hoogen Raad te geven uitspraak, verder te worden behandeld en beslist en tot veroordeeling van den verweerder in cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest, voorzoover thans van belang, blijkt: dat partij [eischer] bij vonnis van den Kantonrechter te Nijmegen van 23 Septembe 1936 is veroordeeld tot geldboete wegens het voorhanden en in voorraad hebben van drie runderen, zonder dat dit gedekt was door identiteitsbewijzen, houdende een beschrijving der runderen, gelijk vereischt ingevolge het Crisisrundveebesluit 1934 I, met verbeurdverklaring van de drie, op 18 Juni te voren inbeslaggenomen, hem toebehoorende dieren; dat de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem in hooger beroep dit vonnis heeft vernietigd en [eischer] van rechtsvervolging heeft ontslagen, verklarende, dat de in beslag genomen runderen niet zullen worden verbeurdverklaard; dat voornoemde Kantonrechter op 23 Juni 1936 machtiging heeft verleend om de dieren — ook onderhands — te verkoopen, krachtens welke machtiging de Ontvanger der registratie en domeinen te Apeldoorn deze onderhands heeft verkocht voor f 118.11; dat de Ontvanger dit bedrag, verminderd met zekere kosten, aan [eischer] heeft aangeboden, doch deze dit heeft geweigerd; dat [eischer] , den Staat dagvaardend voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage, heeft gesteld, dat de Ontvanger door den verkoop en de Kantonrechter door de machtiging onrechtmatig handelden, immers inbreuk maakten op het eigendomsrecht van eischer, en handelden in strijd met een rechtsplicht van den Staat; dat de verkoop gedekt ware geweest, indien zij ware geschied in het openbaar volgens artikel 29 van de Wet, houdende Tarieven van gerechtskosten in strafzaken; dat echter ook dan de verkoop onrechtmatig zou zijn, immers een door de omstandigheden niet te verontschuldigen misbruik van bevoegdheid, daar de Ontvanger, respectievelijk de Kantonrechter, de aan den Staat toevertrouwde belangen niet hebben afgewogen; dat de schade, welke eischer lijdt, is veroorzaakt door opzet, schuld of nalatigheid van een orgaan van den Staat; dat [eischer] op deze gronden vergoeding van die schade heeft gevorderd, waarbij hij stelt, dat de drie koeien stamboekvee waren, gedekt door stamboekstieren, en een waarde hadden van f 250.- per stuk; dat de Rechtbank bij vonnis van 5 April 1938 [eischer] in deze vordering niet ontvankelijk heeft verklaard; dat het Hof, op het door [eischer] ingesteld hooger beroep, dit vonnis heeft bekrachtigd op de volgende gronden: "dat appellant als eerste grief heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte den Ontvanger gedechargeerd acht door de machtiging van den Kantonrechter, aangezien de Rechtbank deze machtiging ten onrechte als rechtspraak heeft beschouwd, zoodat de Ontvanger als orgaan van de Overheid op grond van die machtiging van den Kantonrechter handelende, geheel op eigen risico heeft gehandeld, en de verkoop der runderen, welke inbreuk maakt op appellants eigendomsrecht, derhalve onrechtmatig was; "dat deze grief ongegrond is; "dat immers artikel 29 van het Tarief in strafzaken de Overheid de bevoegdheid verleent om in beslag genomen levende dieren na verkregen machtiging van de da op grond, dat de door eischer in cassatie opgeworpen vraag, of de Staat bij de hem als onrechtmatig verweten handeling heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, achterwege kan blijven, daar een beantwoording van deze vraag alleen zin zou hebben, indien de Staat bij zijn handelen op gelijken voet als een bijzonder persoon aan het rechtsverkeer had deelgenomen, hetgeen onderwerpelijk echter niet het geval is; ten onrechte, daar: 1 e ook de Overheid zich kan schuldig maken aan handelingen in strijd met de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, wanneer zij aan dat verkeer deelneemt op gelijken voet als een bijzonder persoon door handelingen te verrichten, die naar haar aard niet slechts door de Overheid, maar ook door een bijzonder persoon kunnen worden verricht, hetgeen het geval is, wanneer de Ontvanger ter vervulling van zijn Overheidstaak runderen verkoopt; 2 e de Staat bij zijn optreden als zoodanig weliswaar over een ruime mate van vrijheid moet beschikken om te zijner beoordeeling zoo te handelen als de omstandigheden gebieden en zijn desbetreffend beleid, met name ten aanzien van de vraag, of hij bij de afweging van het Overheidsbelang tegenover andere belangen aan deze laatste voldoende gewicht heeft toegekend, niet aan het oordeel van den burgerlijken rechter onderworpen is, doch de rechterlijke beoordeeling herleeft, zoodra de Staat zich bij zijn Overheidsbeleid een gedragslijn permitteert, die ten aanzien van particulieren niet meer is te beschouwen als uitvloeisel van afweging door de Overheidsorganen van de hun toevertrouwde organen, doch die kennelijk slechts wijst op het door de omstandigheden niet te verontschuldigen misbruik van bevoegdheid; 3 e de Staat evenals de burgers zelfs bij zijn optreden als Overheid aansprakelijk is wegens onrechtmatige daden van zijn ondergeschikten, gepleegd in de werkzaamheden, waartoe hij hen heeft gebruikt, terwijl de beperkingen, welke gelden bij de toepassing van artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek op handelingen van de Overheid, niet gelden voor de aansprakelijkheid van den Staat ingevolge artikel 1403 van het Burgerlijk Wetboek voor de daden van zijn ondergeschikten;" 2 . "Schending immers verkeerde toepassing van de in het eerste middel aangehaalde artikelen, benevens van artikel 29 van het Tarief in strafzaken (wet van 18 April 1874 (Staatsblad no. 66) tot vaststelling der tarieven van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone rechter kennis neemt, zooals die wet bij diverse latere wetten is gewijzigd) , doordat het Hof de eerste grief van eischer in cassatie heeft verworpen, zulks o.a. op grond van de overweging dat de Overheid, van een op grond van artikel 29 van het Tarief in strafzaken verleende machtiging gebruik makende, daaraan volledig haar bevoegdheid tot handelen, als in die machtiging omschreven, ontleent en dat derhalve de Ontvanger in opdracht van het Openbaar Ministerie in gevolge deze machtiging als orgaan van de Overheid tot verkoop der runderen overgaande, op rechtmatige wijze als orgaan van de Overheid heeft gehandeld; waarbij het Hof over het hoofd ziet, althans niet of niet voldoende in het oog houdt: 1° dat de in artikel 29 bedoelde machtiging alleen een bevoegdheid schept, doch de aansprakelijkheid voor het gebruik maken van die bevoegdheid en voor de wijze, waarop zulks geschiedt, geheel laat bij dengene, die de bevoegdheid uitoefent; 2° dat het gebruik maken van wettelijke bevoegdheden ook wanneer dit door de Overheid resp. haar organen en/of ondergeschikten geschiedt en al zijn deze gedekt door rechterlijke machtigingen, kan geschieden op onrechtmatige wijze, zoodat burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat;" 3 . "Schending immers verkeerde toepassing van de in het eerste en tweede middel geciteerde artikelen, doordat het Hof de tweede grief van eischer in cassatie ongegrond he