Rechtspraak Hoge Raad 1936-11-05
ECLI:NL:HR:1936:258
De Hooge Raad der Nederlanden , in de zaak (No. 7127) van: de Handelsvennootschap naar Zweedsch recht Fabriks A.B. Haldataxametern , gevestigd en kantoor houdende te Halmstad , Zweden , eischeres tot cassatie van een vonnis, op 12 November 1935 door de Arrondissements-Rechtbank te ‘s-Gravenhage in hooger beroep tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Dekker, advocaat bij den Hoogen Raad; tegen: [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.F.B. Rutgers, advocaat bij den Hoogen Raad; Gehoord partijen; Gehoord den Advocaat-Generaal Berger namens den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeeling van eischeres tot cassatie in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis blijkt: dat eischeres tot cassatie — verder te noemen de Halda — heeft gesteld, dat zij omstreeks 5 December 1933 aan [verweerder] heeft verkocht en geleverd een Haldataxameter model IV no. 7002 voor f. 160.-, waarop in April 1935 slechts f. 75.- was betaald, op welken grond de Halda het nog verschuldigde bedrag van f. 85.- met renten en kosten van [verweerder] opvordert; dat [verweerder] In conventie heeft ontkend den taxameter No. 7002 van de Halda te hebben gekocht, maar erkend wel een anderen te hebben gekocht, afgesteld op 3 tarieven, namelijk van 6, 8 en 12 cent per kilometer; dat echter deze taxameter bij gebruik bleek te zijn afgesteld op 6, 8 en 16 cent per kilometer; dat hij toen terstond gereclameerd heeft, dat de taxameter niet deugdelijk was, waarop hem is toegezegd, dat hij een anderen zou krijgen, maar dat de Halda daarmee in gebreke is gebleven en dus geen recht heeft betaling van hem te vorderen; dat [verweerder] In reconventie op grond van het gebeurde gevorderd heeft nietigverklaring van bedoel de overeenkomst wegens dwaling in de zelfstandigheid van den geleverden taxameter met schadevergoeding tot een bedrag van f. 75.-, dat hij reeds op het geleverde toestel had afbetaald; dat de Halda alsnog bij repliek een stuk in het geding heeft gebracht, dat de overeenkomst zou inhouden, waarop haar vordering gegrond was; dat de Kantonrechter in conventie de Halda tot bewijs door getuigen van de door haar gestelde feiten heeft toegelaten, daarbij overwegende, dat hij met genoemd stuk, als zijnde niet gezegeld, geen rekening houden mocht, en in reconventie de vordering heeft toegewezen, waarbij hij, na te hebben vastgesteld dat de Halda heeft erkend, dat zij verplicht was een taxameter te leveren, afgesteld op de tarieven van 6, 8 en 12 cent de K.M., heeft overwogen, als in het 1ste middel is aangehaald; dat de Halda in hooger beroep is gekomen, maar dat de Rechtbank bij het bestreden vonnis het vonnis van het Kantongerecht heeft bekrachtigd zoo wat de conventie als wat de reconventie betreft; Overwegende dat de Halda tegen dit vonnis heeft opgeworpen de volgende vijf middelen van cassatie: 1. Schending en verkeerde toepassing van artikelen 162 der Grondwet, 20 der wet op de Rechterlijke Organisatie, 48, 59, 103, 199, 200, 252, 343, 347, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1358, 1493, 1549, 1903, 1932 van het Burgerlijk Wetboek, door het vonnis van den Kantonrechter te bevestigen, waarbij In conventie de gestelde koopovereenkomst te bewijzen is opgelegd en In reconventie de gestelde koopovereenkomst op grond van dwaling is nietig verklaard, hoewel tusschen partijen feitelijk vaststaat, dat de conventie en de reconventie betrekking hebben op één en dezelfde koopovereenkomst, zoodat de beslissingen In conventie en In reconventie tegenstrijdig zijn, daar immers wat de conventie betreft, de overeenkomst door het inroepen van de nietigheid wegens dwaling, erkend is, zoodat die niet meer door getuigen bewezen behoeft te worden, terwijl omgekeerd in reconventie geen nietigheid kan worden uitgesproken wanneer de overeenkomst niet vaststaat en mede niet op grond van het, zoowel op de conventie niet mogelijk zou zijn, zoodat hier hoogstens sprake was van ongeschiktheid die verholpen kon worden, en zoodanige ongeschiktheid geen grond kan opleveren tot nietigverklaring der koopovereenkomst, althans een uitdrukkelijke uitspraak, dat de taxameter niet geschikt te maken was voor het tarief van 12 ct. per K.M. in het systeem der beslissing niet kon worden gemist. 4. Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 162 der Grondwet, 20 der wet op de Rechterlijke Organisatie, 48, 59, 199, 200, 343, 347 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1358, 1493, 1529, 1903, 1932 van het Burgerlijk Wetboek, daar de Rechtbank het bewijsaanbod, dat tusschen partijen overeengekomen was, dat verweerder verplicht zoude zijn de koopsom te betalen, ook in geval het apparaat, door welke oorzaak ook, niet zoude werken, niet kon voorbijgaan met de motiveering, dat het bewijsaanbod van geenerlei belang was ten aanzien van de vraag, of verweerder bij het aangaan van de overeenkomst had gedwaald omtrent de zelfstandigheid van de zaak, daar immers de Kantonrechter, hebbende de Rechtbank dit bevestigd, de nietigheid had uitgesproken op grond, dat het gekochte ongeschikt was tot het gebruik, waartoe het bestemd was, dus niet goed werkte, zoodat nietigheid niet kon worden uitgesproken, wanneer partijen waren overeengekomen, dat geen beroep kon worden gedaan op het feit, dat het apparaat, door welke oorzaak ook, niet zou werken, zoodat de grond, waarop de Rechtbank haar beslissing doet steunen, deze niet vermag te dragen, althans de Rechtbank in strijd met de aangehaalde wetsartikelen het bewijsaanbod van geenerlei belang heeft geacht. 5. Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 162 der Grondwet, 20 der wet op de Rechterlijke Organisatie, 48, 59, 199, 200, 343, 347, 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1358, 1493, 1529, 1903, 1932 van het Burgerlijk Wetboek, daar de Rechtbank, het bewijsaanbod, dat partijen waren overeengekomen, dat alle tarief-veranderingen door een door eischeres aangewezen techniker zouden moeten geschieden en dat herhaaldelijk van wege eischeres is aangeboden de klacht van verweerder over het foutieve 16-cents tarief gratis te verhelpen, niet kon voorbijgaan met de motiveering, dat dit bewijs-aanbod ten aanzien van de vraag, of verweerder bij het aangaan van de overeenkomst had gedwaald omtrent de zelfstandigheid van de zaak van geenerlei belang was, daar de nietigheid juist was uitgesproken op grond van dat beweerdelijk foutieve 16-cents tarief en voorts wanneer de overeenkomst tusschen partijen voorziet in de mogelijkheid van tariefveranderingen, hieruit volgt, dat een tarief-aanwijzing als zijnde veranderbaar nooit kan zijn een zelfstandigheid van den taxameter in den zin der wet, en dus geen nietigverklaring kon worden uitgesproken op grond, dat een van de drie tarieven niet juist was afgesteld, zoodat de grond, waarop de Rechtbank haar beslissing doet steunen, deze niet vermag te dragen, althans de Rechtbank in strijd met de aangehaalde wetsartikelen het bewijsaanbod van geenerlei belang heeft geacht; Overwegende ten aanzien van het eerste middel: dat dit inhoudt de klacht, dat het bestreden vonnis tegenstrijdige beslissingen bevat; dat echter de wet in artikel 382 ten 6de van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot herstel van dit bezwaar een zelfstandig rechtsmiddel geeft, het requeste civiel, zoodat hiertegen niet het middel van cassatie kan worden aangewend; Overwegende ten aanzien van het tweede middel: dat de grond, waarop de hierbij voorgedragen grief steunt, niet in de vorige instantiën is opgeworpen en, — al betreft het ten deze een zuivere rechtsvraag — in cassatie niet kan worden onderzocht, nu in het middel niet wordt geklaagd over schending of verkeerde toepassing van artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Overwegende ten aanzien van het derde middel: dat de hoofdgrief daarvan is neergelegd in onderdeel b, waarbij betoogd wordt, dat de in het mi