Rechtspraak Hoge Raad 1933-02-20
ECLI:NL:HR:1933:229
No 35523. N° 176 D E H O O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N , Op het beroep van [requirant] , veearts, geboren [geboortedatum] 1887 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , requirant van cassatie tegen een te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den vijf en twintigsten November 1932, waarbij in hooger beroep — na verwijzing der zaak bij 's Hoogen Raads arrest van 27 Juni 1932 — met vernietiging van een door het Kantongerecht te Hilversum op 17 Juli 1931 mondeling bij verstek gewezen vonnis en van een door dat Kantongerecht op 9 Oktober 1931 na verzet gegeven mondelinge uitspraak, houdende bekrachtiging van genoemd verstekvonnis, requirant, ter zake van: ‘’het opzettelijk vee in verdachten toestand brengen’’, met aanhaling van de artikelen 82, 85 der Veewet, 1 d van het Koninklijk Besluit van 25 April 1922 (Staatsblad 220), 23 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een geldboete van vijftig cent en één dag vervangende hechtenis. Gehoord het verslag van den Raadsheer TAVERNE ; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij schriftuur: 1. Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 348, 351, 352, 415 van het Wetboek van Strafvordering junctis de artikelen 82 en 85 der Veewet, doordat het Hof heeft bewezen verklaard, dat requirant opzettelijk zeven koeien in verdachten toestand heeft gebracht, hoewel het Hof tevens besliste, dat het bewezene valt onder de omschrijving: ‘’het last geven tot het opzettelijk brengen van vee in verdachten toestand, indien het feit van het opzettelijk brengen van vee in verdachten toestand is gepleegd’’; 2. Schending, althans verkeerd toepassing van de artikelen 82 en 85 der Veewet, junctis de artikelen 348, 350, 351, 352, 359 en 415 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof den requirant heeft schuldig verklaard aan de overtreding ‘’het opzettelijk vee in verdachten toestand brengen’’; Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof, ten einde haar op het bestaande hooger beroep te berechten en af te doen; Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirant is bewezen verklaard, met qualificatie en strafoplegging als voormeld, dat hij omstreeks 19 Augustus 1930 te Huizen (N.H.) zeven koeien, welke niet lijdende waren aan mond-en-klauwzeer, noch ook werden verdacht gevaar op te leveren voor besmetting met die ziekte, opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht, doordien hij, verdachte, aan eenige personen, die bij dezelfde onderneming als verdachte werkzaam en aan verdachte ondergeschikt waren, heeft gelast die koeien te vervoeren van een wei, gelegen aan de [a-straat] naar een stal, gelegen aan den Nieuw-Bussumerweg, in welke stal zich eenige koeien bevonden, welke lijdende waren aan mond-en-klauwzeer, hetgeen aan verdachte bekend was, en dat vervoer overeenkomstig verdachte’s last alstoen plaats vond; Overwegende ten aanzien van het eerste cassatiemiddel: dat dit aldus is toegelicht, dat in de telastlegging niet tot uitdrukking is gekomen, dat het feit van in verdachten toestand brengen ook werkelijk gepleegd was, in welk geval alleen, volgens artikel 85 Veewet, veroordeeling van requirant als dader mogelijk zou zijn geweest; Overwegende dat deze grief echter ongegrond is, nu is telastegelegd en bewezen verklaard, dat het vervoer overeenkomstig verdachte's last heeft plaats gehad, waaruit dus volgt, dat de koeien, welke niet lijdende waren aan mond- en klauwzeer, noch ook werden verdacht gevaar op te leveren voor besmetting met die ziekte, inderdaad in de stal, waarin zich eenige aan mond- klauwzeer lijdende koeien bevonden, zijn gebracht, hetgeen, krachtens de artikelen 7, 15 en 16 der Veewet en artikel 1 van het heeft overwogen: ‘’dat verdachte ter terechtzitting in de eerste plaats heeft betoogd, dat eene de strafbaarheid van het bewezene uitsluitende omstandigheid is gelegen in het feit, dat, bij het plegen van het feit slechts hebben voorgezeten juiste veterinaire overwegingen in dezen zin, dat omstreeks 19 Augustus 1930 de verspreiding van het mond- en klauwzeer in de omgeving van Huizen van dien aard was, dat met zeer groote waarschijnlijkheid was te verwachten, dat bedoelde zeven koeien, blijvende in de wei aan de [a-straat], aan de ziekte niet zouden ontkomen; dat omstreeks 19 Augustus 1930 bedoelde koeien droog stonden; dat het bekend is dat droogstaande koeien van een op haar uitgebroken mond- en klauwzeer minder ziek plegen te worden dan melkgevende koeien, in het byzonder wat de ontsteking der uiers betreft; dat anderzijds voor droog staande koeien aan de ziekte van mond- en klauwzeer niet noemenswaardige grootere risico's zijn verbonden dan voor melkgevende koeien; dat dus het belang van den eigenaar der koeien, het gevoel van deernis met de koeien, die immers van heftige uierontstekingen veel pijn ondervinden en eindelijk het belang van den veestapel in het algemeen — aangezien in het byzonder uierontstekingen verspreiding der ziekte in de hand werken, — er toe rieden te bevorderen, dat bedoelde zeven koeien door de ziekte werden aangetast tijdens de periode, dat zij droog stonden en vóór de periode, dat zij weer melkgevend zouden zijn; ‘’dat het Hof echter dit betoog als onjuist verwerpt; ‘’dat, wat er zij van de juistheid der daarin vervatte feiten, verdachte's beschouwingen slechts licht kunnen werpen op de motieven van verdachte bij het plegen van de daad, maar die beschouwingen geen omstandigheden inhouden, welke de strafbaarheid van het bewezene zouden kunnen opheffen;’’ en met betrekking tot de vraag of verdachte strafbaar is: ‘’dat ten gunste van een ontkennende beantwoording dier vraag verdachte zich beroept op de omstandigheid, dat hij veearts is en dat, handelende als is bewezen, hij deed hetgeen zijn juist veeartsenijkundig inzicht hem voorschreef te doen, zoowel in het belang van de veestapel van Oud-Bussum als in het belang van de gezondheidstoestand van het vee in het algemeen; ‘’dat echter het Hof in deze omstandigheden, mochten zij feitelijk zijn komen vast te staan, niet kan zien omstandigheden, welke verdachtes strafbaarheid ter zake van het bewezene zouden opheffen; ‘’dat zijn hoedanigheid van veearts aan verdachte geen vrijheid geeft verbodsbepalingen der wet op het punt van bestrijding van veeziekten te overtreden in het belang van zekeren veestapel, waarvan hem de veeartsenijkundige verzorging is toevertrouwd, ook niet, wanneer het naleven dier bepalingen in strijd zoude zijn met zijn juiste veterinaire inzichten betreffende die verzorging; ‘’dat het niet anders wordt indien, instede van of naast het belang van een bepaalden veestapel, het belang van de gezondheidstoestand van het vee in het algemeen aan verdachte bij het plegen der verboden handelingen, voor oogen heeft gestaan; ‘’dat aan een veearts in het algemeen — moge zijn taak om aan hem toevertrouwd vee naar zijn beste veterinaire inzicht te verzorgen in vele gevallen den algemeenen gezondheidstoestand van het vee ten goede komen, — door de wet niet, gelijk aan het Staatstoezicht, is toevertrouwd een bepaalde taak op het gebied van de bevordering van den algemeenen gezondheidstoestand van het vee, die zoude medebrengen, dat, indien bij de uitvoering daarvan onvermijdelijk wetsbepalingen worden overtreden, de veearts te dier zake niet strafbaar is; ‘’dat verdachte zich ten dele wel beroept op analogie met het beroepsrecht van den medicus, hetwelk dezen, ingeval hij, door zijn medisch oordeel betreffende de behandeling van een patiënt geleid, zekere daden verricht, welke de wet op zich zelf strafbaar stelt, van strafbaarheid zoude ontheffen, maar verdachte daarbij voorbijziet, dat, indien die opheffing der strafbaarheid in het Nederlandsche st