Rechtspraak Hoge Raad 1932-12-16
ECLI:NL:HR:1932:392
D E H O O G E R A A D D E R N E D E R L A N D E N , in de zaak (No 6735) van: de Naamlooze Vennootschap "D E T W E N T S C H E B A N K", gevestigd te Amsterdam en kantoor houdende aldaar en onder meer te Utrecht, eischeres tot cassatie van een arrest van 30 Januari 1929 en van een arrest van 1 April 1932, beide door het Gerechtshof te Amsterdam tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. G. W. van der Does, advocaat bij den Hoogen Raad. T e g e n: Mr. Christoffel de Wilde en Mr. Benjamin van Rossem, wonende onderscheidenlijk te Utrecht en te 's-Gravenhage, in hunne hoedanigheid van Curatoren in het faillissement der Naamlooze Vennootschap Handelsmaatschappij "CATALLA", destijds gevestigd te 's-Gravenhage, doch thans te Utrecht, verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. Wolterbeek Muller, mede advocaat bij den Hoogen Raad. Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal BERGER, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeeling van eischeresse in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat, voorzooveel thans nog van belang, uit de bestreden arresten blijkt: dat de eischeres tot cassatie, de Twentsche Bank, bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat zij eigenares is van de voormalige steenfabriek Ruimzigt en toebehooren onder Jutphaas; - dat de verweerders tot cassatie in hunne hoedanigheid van Curatoren in het faillissement van "Catalla" bedoelde goederen zonder eenig recht in bezit en gebruik houden, dusdoende onrechtmatig handelend en haar, Twentsche Bank, schade toebrengend; op welke gronden de Twentsche Bank heeft gevorderd, dat zij tot eigenares der goederen zal worden verklaard, met veroordeeling van de Curatoren om deze te ontruimen en haar de geleden schade te vergoeden; dat de Curatoren, onder gedeeltelijke bestrijding der vordering, eisch in reconventie hebben gedaan, daarbij onder B stellende: dat Catalla de bedoelde goederen van de Twentsche Bank heeft gekocht; - dat de [makelaar] als lasthebber van de Twentsche Bank aan de directeuren van Catalla bij de onderhandelingen, die tot het voorloopig koopcontract hebben geleid, nadrukkelijk heeft verzekerd, zoowel dat het betrokken terrein was gelegen aan groot vaarwater, als dat het uitweg had over de aansluitende gronden naar de zoogenaamde "Helling", zoodat alle vervoer per vrachtauto van en naar het terrein over dien uitweg zou kunnen plaats vinden; - dat den directeuren van Catalla later bleek, dat het terrein geene ligging aan een groot vaarwater noch een uitweg naar de "Helling" had; - dat zij dusdoende zijn bedrogen en Catalla door dit bedrog schade heeft geleden, die de Twentsche Bank haar behoort te vergoeden; op welke gronden de Curatoren in reconventie een bedrag van ƒ 25.000 aan schadevergoeding hebben geëischt of zooveel minder als de rechter in goede justitie mocht billijk achten; Overwegende dat de Arrondissements-Rechtbank te Utrecht bij vonnis van 30 Maart 1927 de vordering in conventie heeft toegewezen, maar die in reconventie hierboven genoemd, heeft afgewezen; Overwegende dat op het door de Curatoren ingesteld hooger beroep het Hof bij interlocutoir vonnis van 30 Januari 1929 gewag heeft gemaakt van eene bepaling van het voorloopig koopcontract, waaraan het Hof dezen zin hecht, dat, ingeval Catalla als koopster hare contractueele verplichtingen ten aanzien van de betaling van den koopprijs niet mocht nakomen, partijen zich op het standpunt stelden, alsof er geene overeenkomst was aangegaan, terwijl de Twentsche Bank in dat geval tot geenerlei terugbetaling of uitkeering verplicht was; dat voorts het Hof bij gemeld arrest de uitspraak der Rechtbank in conventie heeft bekrachtigd en in reconventie de Curatoren heeft toegelaten de bovenvermelde feiten, door hen aangevoerd tot staving van het door hen gesteld bedrog, door getuigen te bewijzen; dat vervolgens het Hof bij eindarrest van 1 April 1932 heeft overwogen: "dat de Twentsche Bank heeft betoogd, Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 48, 347, 348 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het Gerechtshof bij de beoordeeling der vraag, of het litigieus terrein uitweg had over de aangrenzende terreinen naar en tot de helling, geen rekening houdt met de mogelijkheid van uitweg, anders dan bij wijze van vergunning of erfdienstbaarheid en met name niet met het geval, beschreven in artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, waarmede rekening had behooren gehouden te zijn. Overwegende omtrent het eerste middel, ten aanzien onderdeel a: dat onder de omstandigheden, genoemd in artikel 1364 van het Burgerlijk Wetboek, bedrog eenen grond tot vernietiging der overeenkomst oplevert, en, indien daartoe termen zijn, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen aan dengene, wien de rechtsvordering tot vernietiging is toegewezen; dat zulks evenwel niet wegneemt, dat de bedrogen contractant, ook zonder vernietiging van de overeenkomst te vragen, eene vordering kan instellen enkel tot bekoming van schadevergoeding, indien de vereischten, in de artikelen 1401 van het Burgerlijk Wetboek en volgende neergelegd, tot het instellen van eene vordering uit onrechtmatige daad, ter zake aanwezig zijn; dat immers eenerzijds de toekenning van rechten in de artikelen 1364 en 1485 van het Burgerlijk Wetboek geenszins de strekking heeft aan de bedrogen partij de rechten te ontnemen, die de wet haar op grond van het gepleegd bedrog elders toekent; terwijl anderzijds de artikelen 1401 en volgende van het Burgerlijk Wetboek toepassing vinden, ook al staat den benadeelde op grond der jegens hem gepleegde onrechtmatige daad eene door het contractenrecht toegekende vordering mede ten dienste; - dat in zoodanige gevallen de betrokkene de keuze tusschen meer dan ééne vordering heeft en hieraan niet afdoet, of de rechtsgevolgen der vordering uit onrechtmatige daad en die uit het contractenrecht al dan niet ten volle gelijk zijn; dat uit het voorgaande volgt, dat onderdeel a van het eerste middel ongegrond is; Overwegende omtrent onderdeel b van het middel: dat dit feitelijken grondslag mist, daar de Curatoren niet "de in de wet bekende vordering van den mede-contractant, gegrond op bedrog" hebben ingesteld, maar de vordering uit onrechtmatige daad, en het Hof deze vordering ontvankelijk heeft geacht en toegewezen en ter zake schadevergoeding heeft opgelegd, daarbij uitgaande van de — in cassatie niet bestreden — opvatting, dat de Twentsche Bank aansprakelijk is voor de onrechtmatige handeling van den makelaar; Overwegende omtrent onderdeel c van het middel: dat, zeker, de rechtsgevolgen van eene vernietiging der onderwerpelijke koopovereenkomst wegens bedrog en die van het aan de Twentsche Bank toegekend en door haar gebruikt recht om die overeenkomst ontbonden te verklaren, zonder dat de Bank eenige terugbetaling of uitkeering behoeft te doen, niet dezelfde zijn; - dat dit echter aan de eischeres niet kan baten, daar zij in het onderhavig onderdeel van het middel slechts eene overweging, maar niet eene beslissing van het Hof aantast, zoodat ook dit onderdeel niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden; Overwegende omtrent het tweede middel: dat dit feitelijken grondslag mist; dat toch het Hof op grond der verklaringen van de gehoorde getuigen heeft uitgemaakt, dat het betrokken terrein geenen uitweg — dus ook geenen uitweg krachtens buurweg — heeft, en daaraan niets kan afdoen, dat de verklaringen der getuigen in de contra-enquête het Hof aanleiding gaven eene gevolgtrekking enkel omtrent het niet bestaan van eene erfdienstbaarheid van uitweg te maken; Verwerpt het beroep. Veroordeelt de eischeres in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan zijde van verweerders begroot op vijftien gulden aan verschot en op vierhonderd vijftig gulden voor salaris. Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Visser, Kosters, Van Gel