Rechtspraak Hoge Raad 1931-03-19
ECLI:NL:HR:1931:18
De hooge raad der nederlanden , in de zaak (No 6514) van: Johannes Jacobus Klaarenbeek, Burgemeester der gemeente Blaricum, wonende aldaar en als zoodanig deze gemeente in rechte vertegenwoordigende, eischer tot cassatie van een door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam op 26 Mei 1930 tusschen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. J. Wolterbeek Muller, advocaat bij den Hoogen Raad. T e g e n: Aleida Alberdina Lammertse, weduwe van Meeuwis Krijnen, wonende te Blaricum, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. S. L. F. de Hartogh, advocaat bij den Hoogen Raad. Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal Berger, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en van de daarbij bekrachtigde uitspraak van den Kantonrechter, tot ontzegging der vordering en tot veroordeeling van verweerster in de kosten, zoowel in eersten aanleg en in hooger beroep, als in cassatie op de behandeling dezer zaak gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden vonnis, voor zoover thans van belang, blijkt: dat de verweerster in cassatie — Lammertse — bij inleidende dagvaarding onder meer heeft gesteld, dat zij van Burgemeester en Wethouders van Blaricum bouwvergunning als bedoeld bij artikel 5 der Woningwet heeft gevraagd voor den bouw van een woonhuis;- dat Burgemeester en Wethouders het verleenen van die vergunning afhankelijk stelden van de voorwaarde, dat verzoekster vooraf f 170.- in handen van den gemeenteontvanger zou storten als bijdrage in het wegenfonds, welke bijdrage blijkbaar bestemd was ter bekostiging van den aanleg en het onderhoud van verkeerswegen en de voorziening van die wegen met publieke werken;- dat Burgemeester en Wethouders deze voorwaarde niet hadden mogen stellen, omdat zij tot de heffing van zoodanige bijdrage, welke in wezen een belasting is, wettelijk niet bevoegd waren, daar die belasting niet valt onder die tot welke de wet aan de gemeente bevoegdheid verleent en het desbetreffende raadsbesluit niet door de Koningin is goedgekeurd;- dat zij, na vergeefsch protest, ten einde de verlangde vergunning te verkrijgen, aan die voorwaarde heeft voldaan en de f 170.- in handen van den gemeenteontvanger heeft gestort;- dat de gemeente op haar verzoek om restitutie van dit bedrag afwijzend heeft beschikt;- dat Lammertse op deze en andere, thans niet ter zake doende gronden f 170.- als onverschuldigd aan de gemeente betaald, van haar heeft teruggevorderd; dat de gemeente de bevoegdheid van den burgerlijken rechter, om van deze vordering kennis te nemen, heeft betwist en voorts verschillende weren ten gronde heeft gevoerd waarbij zij zich stelde op het standpunt, dat de voormelde betaling voorwaarde was voor het bekomen van ontheffing van een verbod der gemeentelijke bouw- en woningverordening, welke ontheffing noodig was om bouwvergunning ingevolge de Woningwet te kunnen verkrijgen; dat de Kantonrechter te Hilversum bij vonnis van 30 October 1928 de vordering heeft toegewezen; dat de gemeente, van dit vonnis in hooger beroep gekomen, in de eerste plaats heeft herhaald haar beroep op de onbevoegdheid van den burgerlijken rechter; dat de Arr. Rechtbank te Amsterdam bij het bestreden vonnis deze grief heeft verworpen, na daaromtrent te hebben overwogen: ‘’dat nu de artikelen 265 b en 265 c der Gemeentewet aan de kennisneming van een vordering als de onderhavige door de Rechterlijke Macht niet in den weg staan; ‘’dat toch de toepassing dezer artikelen zich niet uitstrekt tot alle gevallen waarin in wezen belasting wordt gevorderd in welken vorm ook, maar zich beperkt tot die gevallen, waarin sprake is van toepassing eener formeel wettige belastingverordening als voorgeschreven in de artikelen 232 en volgende der Gemeentewet, waarvan in casu niet blijkt, volgende het tegendeel zelfs duidelijk uit het positum, dat aan het desbetreffend raadsbesluit de Koninklijke goedkeuring ontbreekt;" dat de Rechtbank voorts, naar aanleiding van de in hoo Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 165 der Grondwet van 1815, 153 en 154 der Grondwet van 1917, 2 der Wet van 18 April 1827 (Staatsblad No 20) op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 265 b en 265 c der Gemeentewet, 5 der Woningwet, 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 5 der Bouw- en Woningverordening der gemeente Blaricum (N.H.), omdat de Rechtbank ten onrechte het vonnis van den Kantonrechter bekrachtigd heeft, waarbij deze zich bevoegd heeft verklaard van de ingestelde vordering kennis te nemen, zulks op den onjuisten, trouwens ook niet afdoenden grond, dat de voormelde artikelen 265 b en 265 c aan de kennisneming van een vordering als de onderhavige door de Rechterlijke Macht niet in den weg zouden staan, waarbij tevens wordt over het hoofd gezien, dat in voormeld artikel 5 een ander rechtsmiddel (beroep op den gemeenteraad) is toegekend; 2. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 5 der Woningwet, 13 der Bouw- en Woningverordening der gemeente Blaricum (N.H.) 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de Rechtbank, het vonnis van den Kantonrechter bekrachtigend, de oorspronkelijke eischeres ontvankelijk heeft geoordeeld in hare vordering, hoewel deze strekt tot terugvordering van hetgeen zij in handen van den gemeenteontvanger van Blaricum als bijdrage in het Wegenfonds heeft gestort ter voldoening aan een voorwaarde, waarvan Burgemeester en Wethouders dier gemeente de aan haar verleende bouwvergunning (casu quo de daarvoor vereischte dispensatie van de Bouwverordening der gemeente Blaricum) uitdrukkelijk afhankelijk hebben gesteld, waardoor die vergunning wordt gesplitst tegen den wil van het College, hetwelk deze verleend heeft, door welke splitsing eene revera geweigerde vergunning (casu quo niet verleende dispensatie) wordt omgetooverd in eene verleende vergunning, althans door niet te onderzoeken of in geval van toewijzing der actie niet eene verandering in de strekking der vergunning, tegen den wil van het College, hetwelk deze verleend heeft, wordt gebracht; 3. Schending of verkeerde toepassing der artikelen 5 lid 2 der Woningwet, 238, 240, 242 c, 242 d der Gemeentewet, 13 der Bouw- en Woningverordening voor de gemeente Blaricum (N.H.), omdat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de aan den aspirant bouwer voor het verkrijgen van een bouwvergunning gestelde voorwaarden tot het betalen van een zeker bedrag in het Wegenfonds is te beschouwen als een belasting, en dat het opleggen van deze voorwaarde in de bij het vonnis vastgestelde omstandigheden niet toelaatbaar zou zijn; Overwegende omtrent het eerste middel: dat bij inleidende dagvaarding een betaling is gevorderd, die naar de eischende partij stelde, de gemeente aan haar verschuldigd was; dat ingevolge artikel 2 der Wet op de Rechterlijke Organisatie kennisneming van en beslissing over zoodanige schuldvordering behoort tot de bevoegdheid van den burgerlijken rechter, tenware bij of krachtens een bijzondere wetsbepaling het oordeel daarover aan hem is onttrokken; dat de Rechtbank terecht heeft aangenomen, dat dit niet is geschied bij art. 265 b of 265 c van de Gemeentewet, omdat die artikelen uitsluitend betrekking hebben op heffingen, die gegoten zijn in den vorm van gemeentelijke belastingen, wat hier niet het geval is; dat evenzeer faalt het beroep dat het middel doet op artikel 5 der Woningwet; dat wel ingevolge dit artikel voorwaarden, die Burgemeester en Wethouders verbinden aan een vergunning tot bouwen, kunnen worden onderworpen aan het oordeel van den Raad, en ingeval van vernietiging van zijn besluit, de Raad gehouden is opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van de beslissing van de Koningin; dat hierdoor echter niet de wet het oordeel in geschillen over schuldvorderingen, waarvan het bestaan afhangt van de vraag, of een geldelijke bijdrage als voorwaarde kan worden gesteld voor het verleenen van een bouwvergunning, heeft onttrokken aan den naar het gemeen