Rechtspraak Hoge Raad 1926-01-25
ECLI:NL:HR:1926:AG1799
No 30084 DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Op het beroep van den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Alkmaar , requirant van cassatie tegen een vonnis van deze Rechtbank van den twee en twintigsten September 1925, waarbij in hooger beroep - na vernietiging van een in deze zaak door het Kantongerecht te Hoorn op 13 Mei 1925 gewezen vonnis - 1º Petrus [gerequireerde 1] , geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1879, 2º [gerequireerde 2] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1881, 3º [gerequireerde 3] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1882, allen van beroep fabrikant en wonende te [woonplaats], terzake van het hun ten laste gelegde van alle rechtsvervolging zijn ontslagen; Gehoord het verslag van den Raadsheer Hesse ; Gezien de insinuatie, namens den Procureur -Generaal aan de gerequireerden beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, waarvan de slotsom luidt: Schending door niet-toepassing van artikel 83 der Arbeidswet 1919; Gehoord den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis, en voorzoover het bewezene niet strafbaar is verklaard en deswege een ontslag van rechtsvervolging is uitgesproken, tot qualificatie van dit bewezene als: "als hoofd eener onderneming niet zorgen, dat in zijne onderneming geen arbeid wordt verricht in strijd met het krachtens de Arbeidswet 1919 bepaalde" en tot veroordeeling deswege van ieder der gerequireerden, met toepassing van de artikelen 1, 8, 10, 74 en 83 der Arbeidswet 1919 en 23 van het herziene Wetboek van Strafrecht en gelet op artikel 59c van het Arbeidsbesluit en de artikelen 10 en 11 van het Organisatiebesluit arbeidsinspectie, in een geldboete van tien gulden met bepaling dat de opgelegde boete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door vijf dagen hechtenis; Overwegende dat den beklaagden bij de inleidende dagvaarding is ten laste gelegd dat zij den 26 Januari 1925 des namiddags circa 2 uur, alzoo in het koude jaargetijde te Hoorn te zamen en in vereeniging, althans ieder voor zich als hoofden althans bestuurders der onderneming de firma [A], waarin alstoen in een aan de [a-straat] aldaar gelegen winkel, zijnde een besloten ruimte waar koek, biscuit, chocolade en suikerwerken in het klein plachten te worden verkocht door [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1867 en [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1873 elk als verkoopster, arbeid werd verricht, bestaande in het verkoopen van een of meer van boven- genoemde artikelen, althans in het bedienen van klanten, althans van een klant, niet hebben zorg gedragen dat die winkel alstoen werd verwarmd, hetzij door een verwarmingsinrichting welker verbrandingsproducten door een stel gesloten buizen en kanalen in de buitenlucht werden afgevoerd en welke de geheele winkelruimte op voldoende temperatuur bracht,. hetzij door een electrische kachel, welker uitstraling het bedienend personeel voldoende verwarmde, zulks overeenkomstig dendoor den Hoofdinspecteur van den Arbeid, Hoofd van het 6º District der Arbeidsinspectie bij schrijven van 16 November 1923 gestelden eisch, welke eisch in hooger beroep door den Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid bij beschikking van 24 December 1923 was gehandhaafd, wordende toch bovengemelde winkel op vermeld en 26 Januari 1925 slechts verwarmd door een brandende petroleumkachel, waarvan de verbrandingsproducten niet door een stel gesloten buizen en kanalen in de buitenlucht werden afgevoerd, terwijl geen andere verwarmingsinrichting in dien winkel aanwezig was; dat dit ten laste gelegde met de schuld van ieder der beklaagden daaraan bij het bestreden vonnis is bewezen verklaard met dien verstande dat als bewezen wordt aangenomen, dat zij ieder voor zich als hoofd dier onderneming niet hebben zorg gedragen en dat door genoemde vrouwen arbeid werd verr