Rechtspraak Hoge Raad 1926-01-11
ECLI:NL:HR:1926:108
No 30086. De Hooge Raad der Nederlanden , Op het beroep van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te Zwolle, requirant van cassatie tegen een vonnis van dit Kantongerecht van den vijftienden October 1925, waarbij de gerequireerde [gerequireerde], landbouwer, geboren [geboortedatum] 1900 te [geboorteplaats], aldaar wonende, van alle rechtsvervolging is ontslagen. Gehoord het verslag van den Raadsheer Kirberger; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerde beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie door den requirant voorgesteld bij memorie en luidende: Schending door niet-toepassing van artikel 28 b juncto artikel 92 der Algemeene Politieverordening der gemeente Staphorst en in verband daarmede, Verkeerde toepassing der artikelen 134 en 179a der Gemeentewet, — op welke laatste artikelen door den Kantonrechter de door hem aangenomen onverbindbaarheid van artikel 28b der Politieverordening wordt gegrond; Gehoord den Advocaat-Generaal Tak, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging der uitspraak, voorzoover het bewezene niet strafbaar werd geoordeeld en gerequireerde is ontslagen van rechtsvervolging, tot qualificatie van het bewezene als: ‘’in de gemeente Staphorst als houder van kippen, deze dieren niet vasthouden gedurende het tijdvak van 1 April tot 1 Juli, met uitzondering van de twee uren onmiddellijk aan zonsondergang voorafgaande’’, en tot veroordeeling van gerequireerde deswege, met toepassing van artikel 28b en 92 der Algemene Politieverordening dier gemeente en het herziene artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, in eene geldboete van drie gulden, met bepaling dat, bij wanbetaling of achterwege gebleven verhaal, zij zal worden vervangen door eene hechtenisstraf van drie dagen; Overwegende dat artikel 28b van de Algemeene Politieverordening der Gemeente Staphorst luidt: ‘’De houders van kippen zijn verplicht deze dieren vast te houden gedurende het tijdvak van 1 April tot 1 Juli met uitzondering van de twee uren, onmiddellijk aan zonsondergang voorafgaande. ‘’Deze verplichting geldt na 15 Mei niet voor kloekhennen met kuikens. ‘’De gemeenteraad kan voor de geheele gemeente of voor sommige gedeelten der gemeente van deze verplichting ontheffing verleenen"; dat artikel 92 der Verordening overtreding van de in lid 1 omschreven verplichting met straf bedreigt; Overwegende dat bij het bestreden vonnis wettig en overtuigend is bewezen verklaard, dat de gerequireerde onder de gemeente Staphorst den 27sten Juni 1925, des voormiddags omstreeks 10½ uur, een tiental kippen, waarvan hij houder was, had losloopen op een niet afgesloten erf bij zijne woning; dat echter de Kantonrechter het bewezene niet strafbaar heeft geacht op grond: dat het derde lid van artikel 28b in strijd is met de wet en derhalve onverbindbaar; — dat toch het geven van vrijstelling is uitvoeren der verordening en artikel 179 onder a der Gemeentewet dit uitvoeren opdraagt aan Burgemeester en Wethouders voorzoover artikel 70 dier wet het niet opdraagt aan den Burgemeester; — dat de Gemeenteraad mitsdien niet bevoegd was het geven van de vrijstelling van de verplichting in het eerste lid van artikel 28b omschreven aan zich te houden en hij die bevoegdheid niet kon ontleenen aan artikel 134 der Gemeentewet, daar volgens dat artikel de Gemeenteraad alleen mag regelen, hetgeen niet bij de wet aan Burgemeester en Wethouders of aan den Burgemeester is opgedragen; — dat, waar de in het eerste lid omschreven verplichting is opgelegd onder voorbehoud van vrijstellingbevoegdheid en deze laatste verbindende kracht mist, het geheele artikel niet verbindend is; Overwegende omtrent het middel van cassatie: dat artikel 135 der Gemeentewet aan den Raad der Gemeente bevoegdheid verleent tot het maken van verordeningen ten aanzien van de daar vermelde onderwerpen; dat de wet nergens aan den Raad verbiedt in die verord