Rechtspraak Hoge Raad 1923-01-12
ECLI:NL:HR:1923:120
Uitgetypte versie van het HR-arrest in de civiele zaak met HR-zaaknummer 5238 Openbare terechtzitting van Vrijdag, 12 Januari 1923. De zitting is geopend te elf uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: De Hooge Raad der Nederlanden, in de zaak (nº 5238) van: de Handelsvennootschap onder de firma [eischeres], gevestigd te [vestigingsplaats], eischeres tot cassatie van een tusschen partijen door het Gerechtshof te 's Gravenhage op 19 Januari 1922 gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. L.A. Nypels, advocaat bij den Hoogen Raad. Tegen: 1º [verweerder 1], aannemer, wonende te [woonplaats], en 2º Het Hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam, verweerders vertegenwoordigd door Mr. A.F. Telders, advocaat bij den Hoogen Raad. Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal Besier, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep, en tot veroordeeling van de eischeres in de daarop gevallen kosten; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het aangevallen arrest en het in deze zaak door de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam op 3 November 1919 gewezen vonnis, waaraan het Hof zich ten aanzien van de feiten gedraagt, voorzoover thans nog van belang, blijkt: dat de eischeres tot cassatie - hierna te noemen [eischeres] - bij de inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat zij is eigenares van de daarin omschreven perceelen land onder Capelle aan den IJssel, deel uitmakende van de taluds en bermen van den Hoogen Zeedijk langs den IJssel; - dat de tweede verweerder - hierna te noemen Schieland - aan den eersten verweerder, [verweerder 1], last heeft gegeven om, ten einde gemelden dijk te verzwaren de bedoelde perceelen om te graven en met aarde te verhoogen, hetgeen deze heeft gedaan; - dat daarbij de oprel op een dier perceelen is weggegraven en een watering in die perceelen dichtgegooid; - dat door deze handelingen onrechtmatig inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van [eischeres], die daardoor schade lijdt; ---- en op deze gronden heeft gevorderd dat [verweerder 1] en Schieland worden veroordeeld om de perceelen land, deel uitmakende van de taluds en bermen van den dijk, te herstellen in den toestand waarin ze voor de dijkverzwaring zich bevonden, met nog eenige nevenvorderingen; dat deze gedaagden de vordering in hoofdzaak hebben bestreden met het betoog, dat de verrichte daden niet waren onrechtmatige inbreuken op den eigendom van de perceelen van [eischeres]; dat de Rechtbank dit verweer juist heeft geoordeeld en dientengevolge de vordering heeft ontzegd; dat op het beroep van [eischeres] tegen deze uitspraak, het Hof het vonnis ten aanzien van dit punt heeft bekrachtigd, uit overweging, onder meer: dat [eischeres] toegeeft, dat Schieland de zorg heeft voor de keering van het water, waartoe de dijk dient, die op last van Schieland is verzwaard en verhoogd om het water te keeren, maar beweert, dat Schieland bij de uitoefening van die zorg de rechten van eigendom heeft te eerbiedigen en niet mag aantasten, indien niet wettelijke bepalingen of verordeningen het hoogheemraadschap daartoe het recht geven, hetgeen hier niet het geval is; dat de handelingen, die worden ten laste gelegd zijn gepleegd jegens den eigendom van perceelen, welke behoorden tot de taluds en bermen van den dijk, die het water van den IJssel moest keeren; dat niet wel kan worden betwist, dat de aard en bestemming van die dijksdeelen de uitoefening van dien eigendom door den eigenaar op belangrijke wijze beperken; dat, gelijk [eischeres] toegeeft, wettelijk de zorg voor de instandhouding van den dijk in den staat, dat hij het water kan keeren bij gevaren van overstrooming door het water van de rivier, berust bij Schieland en dit de maatregelen kan en moet nemen, die noodig zijn om den dijk in zoodanigen staat te onderhouden; dat [eischeres] nu wel stelt, dat, om die maatregelen uit te voeren, ze moeten berusten op een wet of openbare verordening door de bevoegde macht vastgesteld, wanneer daardoor veranderingen in den eigendom van anderen worden aangebracht, maar daarbij geen rekening houdt met de omstandigheid, dat ook de aard en bestemming van den grond het recht van eigendom beperkt voor de gronden, die aan die bestemming zijn onderworpen; dat die aard en bestemming immers medebrengen, dat die grond als waterkeerende dijk wordt onderhouden en wanneer dit voor het zijn van waterkeerende dijk noodig is in zoodanigen staat door verzwaring en verhooging gebracht, dat hij dit karakter behoudt; dat alzoo de aard en bestemming van de gronden van [eischeres] als dijks-deelen medebrengen, dat deze moet gedoogen, dat de gronden die veranderingen ondergaan, welke de bevoegde autoriteit noodig heeft te maken om den dijk aan zijn bestemming te doen beantwoorden; dat dan ook zulke gronden belast zijn met het onderhoud van dijken en die dijkplichtigheid zich ook uit in het gedoogen, dat Schieland den dijk als waterkeering behoudt, waartoe behoort het noodige verzwaren en verhoogen van den dijk; dat mitsdien het Hof zich vereenigt met de beslissing van de Rechtbank, dat hier geen onrechtmatige daad bestaat; dat evenmin het weggraven van de oprel en het dichtgooien van de watering onrechtmatige handelingen waren, waar deze handelingen, zooals is onbetwist, deel uitmaakten van het werk der verzwaring en verhooging van den dijk; Overwegende dat [eischeres] tegen deze uitspraak opkomt met de twee volgende middelen van cassatie: 1º Schending of verkeerde toepassing der artikelen 584, 593, 625, 626, 627, 1401, 1402 en 1403 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1 der wet van 9 Mei 1902 (Staatsblad nº 154), de artikelen 12, 3, 82, 83, 84, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 97, 98, 99, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 118, 127, 142 en 143 van het reglement voor het Hoogheemraadschap van Schieland van 27 November 1851, de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 van de Algemeene Keur voor het Hoogheemraadschap van Schieland van 8 April 1911 en de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 van de provinciale verordening van Zuid-Holland op het bouwen op de zee- of rivierwaterkeerende dijken en het graven in deze van 1 Januari 1882, doordien bij het aangevallen arrest het vonnis der Rechtbank te Rotterdam van 3 November 1919 is bevestigd op dezen grond, dat de aard en de bestemming van de aan eischeres in cassatie in eigendom toebehoorende dijksdeelen, waaromtrent de zorg van instandhouding berust bij het Hoogheemraadschap van Schieland, het recht van eigendom beperkt, immers medebrengt, dat die gronden, als waterkeerende dijk worden onderhouden, en, wanneer dit voor het zijn van waterkeerenden dijk noodig is, in zoodanigen staat door verzwaring en verhooging worden gebracht, dat zij het karakter behouden van te zijn een dijk, die aan deze bestemming van waterkeering beantwoordt, zoodat eischeres in cassatie gedoogen moet, dat die gronden ondergaan die veranderingen, die de bevoegde autoriteit noodig heeft te maken om den dijk te doen beantwoorden aan zijn bestemming, waarbij het Hof over het hoofd ziet, dat de enkele omstandigheid, dat de aan eischeres in eigendom behoorende gronden deel uitmaken van een waterkeerenden dijk, waarvoor de zorg van instandhouding berust bij een waterschap, het eigendomsrecht van eischeres niet beperkt, daar immers dat eigendomsrecht slechts dan en in zooverre is beperkt en de aantasting van dat eigendomsrecht mitsdien ook slechts dan en in zooverre rechtmatig is, als zulks bij wettelijke bepalingen of wettig vastgestelde verordeningen, reglementen of keuren is bepaald, hetgeen het geval niet is; 2° Schending of verkeerde toepassing der in het eerste middel genoemde artikelen, dat echter, blijkens de eerste zinsnede van de negende overweging in rechte, het Hof beslist, dat de handelingen, die aan het Hoogheemraadschap Schieland en den aannemer van het werk worden ten laste gelegd zijn gepleegd jegens den eigendom van perceelen land, die behoorden tot de taluds en de bermen van den dijk, terwijl de voorlaatste zinsnede van deze overweging, waarop het middel kennelijk alleen het oog heeft, daarmede in onverbrekelijk verband staat; dat dit middel derhalve zijn feitelijken grondslag mist en evenmin als het eerste tot cassatie kan