Rechtspraak Hoge Raad 1915-12-17
ECLI:NL:HR:1915:6
Nº 573 Aan den Hoogen Raad der Nederlanden. Edele Hoog Achtbare Heeren! Op 8 Januari 1915 is [verweerster] , advocaat en procureur te Winschoten, door de Arrondissements Rechtbank aldaar benoemd tot beëedigd klerk ter Griffie van die Rechtbank, gelijk blijkt uit het hierbij overgelegd extract uit de notulen, aangehouden door den Griffier bij gemelde Rechtbank, en op denzelfden datum is zij, op requisitoir van ondergeteekende toegelaten tot de eedsaflegging als zoodanig en beëedigd, gelijk, wat de 1 handeling betreft, volgt en, wat de 2handeling betreft, blijkt uit het hierbij overgelegd extract uit de minuten berustende ter Griffie dier Rechtbank; In voldoening aan eene desbetreffende mij door den Heer Minister van Justitie gegeven opdracht, heb ik de eer een verzoek in te dienen tot cassatie, zoowel van deze benoeming, als van deze toelating tot eedsaflegging als van den beëediging, en wel in den vorm als volgt uit het arrest van dezen Raad d.d. 25 Juni 1915, W. 9807; Als middel van cassatie heb ik de eer aan Uw College voor te dragen: Verkeerde toepassing of schending van art 47ª en 48 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, gelijk deze het laatst is gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1910 (Stbl. 180) en van art. 71. jº 69 van het Reglement I der Reglementen van Openbaar Bestuur, vastgesteld bij K.B. van 14 September 1838 (Stbl. 36), laatstelijk gewijzigd bij K.B. van 12 mei 1911 (Stbl 127), zulks alles op grond, dat de benoemde, toegelatene, en beëedigde eene vrouw is, gelijk blijkt uit het hierbij overgelegd extract uit de geboorteregisters der Gemeente Winschoten; Ter ondersteuning van het voorgedragen cassatiemiddel, vermeen ik te mogen verwijzen naar de daarmede overeenkomende argumenten, vervat in het requisitoir van den Heer Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Leeuwarden (W. 9770, 2 bladzijde), in het arrest van genoemd Gerechtshof d.d. 21 April 1915 (W. 9766) en in de toelichting der cassatie door dezen Procureur-Generaal tegen dit arrest ingesteld (W 9807 1 bladzijde); Hieraan zou nog het navolgende kunnen worden toegevoegd: Men kan betwisten of ondergeteekende de bevoegdheid bezit, om ook tegen de benoeming cassatie aanhangig te maken, omdat hij bij deze handeling geen partij is geweest; zijne bevoegdheid wordt daarentegen verdedigd door er op te wijzen, dat volgens art 4 der wet op de Rechterlijke Organisatie het recht tot het instellen van beroep in cassatie tegen handelingen, die niet betrekking hebben op geschillen van burgerlijk recht, aan het Openbaar Ministerie zal moeten toegekend worden; Doch hetzij men deze bevoegdheid erkent of ontzegt, toch wordt verwacht, dat, wanneer Uw hoogste Rechtscollege de vraag zal beoordeelen, of [verweerster] terecht is toegelaten en beëedigd, Uw college tevens zich de vraag zal moeten stellen, of [verweerster] terecht als beëedigd klerk ter Griffie werd benoemd, of zij wel de vereischten daarvoor bezat; Dienaangaande kan verwezen worden naar het arrest van den H.R. van 31 Maart 1854. H.R.-deel 47, Par 40, waar is betoogd "dat de Rechter alvorens, u (i) een eed te doen afleggen, bevoegd en verplicht was, de wettigheid van de aanstelling te onderzoeken", en naar het vonnis van de Rechtbank te s'Hertogenbosch van 24 November 1858 (W. 2030) inzake een verzet tegen de beëediging van Mr van Rijckevorsel tot beëedigd klerk ter Griffie, waar is overwogen, "dat Mr v Rijckevorsel, door de Rechtbank is benoemd enz, overwegende, dat mitsdien de benoeming van Mr v. Rijckevorsel is regelmatig"; ook kan aangevoerd worden, dat een Rechtbank in den regel (niet noodzakelijkerwijze, men denke aan veranderd inzicht ten gevolge van gewijzigde samenstelling of nadere overweging) door toelating tot de beëediging hare eigen benoeming zal bekrachtigen, alsdan stilzwijgend aannemende, dat de door haar zelf gedane benoeming wettig is. Doch, dat daarmede nog niet gezegd is, dat de hoogere rechter niet zou mogen vernietigen de beëediging, , dat de benoeming was , al kan het slechts luiden vernietig bepaalt: "alles wat het costuum der enz en aangaat, zal bepaald worden bij Reglement van Openbaar Bestuur", Dit Reglement I van Openbaar Bestuur betreft (blijkens het geschrift) de wijze van eedsaflegging der onderscheiden Rechterlijke Ambtenaren, de eerste afdeling Hoofdstuk I van dit Reglement I draagt ook weer het opschrift: "van de wijze van eedsaflegging der onderscheiden Rechterlijke Ambtenaren", en art 5 van die Afdeling bericht: "op de beëediging van de vindt art 2 overeenkomstige toepassing", terwijl in art 71 van Reglement I, hetgeen het hiervoor vermelde opschrift draagt, de eed der beëedigde klerken ter Griffie is voorgeschreven; Neem ik ten slotte niet aan, dat de beëedigde klerken ter Griffie zijn, hetgeen nog niet hetzelfde behoeft te omschrijven als "", dan kom ik tot de conclusie, dat ze evenmin of zijn, daar ze niet in Reglement II genoemd worden, zoodat ik ze volgens de Reglementen van Openbaar Bestuur niet kan indeelen; Uit dit alles volgt, dat er niet altijd juist belijnde begrippen hebben bestaan, omtrent de vraag, wie leden der Rechterlijke Macht, wie Rechterlijke Ambtenaren zullen zijn, dat er dus wellicht niet voldoende grondslagen aanwezig zijn voor de hiervoor genoemde stelling van den Heer Procureur Generaal, zelfs niet wanneer deze stelling steun verkrijgt uit het arrest van den Hoogen Raad d d 12 februari 1894 W. 6463; Als gevolg daarvan zou meer gewicht kunnen krijgen, de omstandigheid, dat de beëedigde klerken ter Griffie ter terechtzitting den Griffier kunnen vervangen; Mochten zij dan misschien niet zijn leden der Rechterlijke Macht in engeren zin, zoo zijn ze toch te beschouwen als daarmede onder zekere omstandigheden gelijkgesteld, hetgeen blijkt door hun optreden ter terechtzitting, waardoor zij door hun uiterlijk aanzicht en door hunne bevoegdheden voor het publiek niet van degenen, die zij vervangen zijn te onderscheiden; Daarom zou ik willen aannemen, dat elk plaatsvervangend lid van de Rechterlijke Macht, hetzij hij tevens kan beschouwd worden als Rechterlijk Ambtenaar – en ook zonder dat – moet voldoen aan de vereischten, die voor een lid van de Rechterlijke Macht gelden; behoudens de uitzonderingen in de wet genoemd; Zoowel de beëedigde klerk ter Griffie, als elk Rechterlijk Ambtenaar, moet voldoen aan het vereischte, dat hij man is, welk vereischte door den werkgever , , is voorgeschreven; Immers, de vereischten voor benoembaarheid tot de Rechterlijke Macht, speciaal ook die voor beëedigde klerken ter Griffie, zijn aanvankelijk gesteld in een tijd toen de wetgever nog niet dacht, dat de mogelijkheid zich zou voordoen, dat vrouwen de toga der magistratuur zouden begeeren, : Toen waren er reeds verschillende vrouwelijke advocaten, en waren in andere ambtelijke betrekkingen veel vrouwen aangesteld; Maar toch heeft de wetgever in 1910 zoo weinig gedacht, dat de mogelijkheid van benoeming eener vrouw tot de Rechterlijke Macht zou bestaan, dat hij over de vrouwelijke gegradueerden zweeg, zoowel met het oog op de benoeming voor de Magistratuur in engeren zin, als met het oog op de benoeming als beëedigd klerk ter Griffie; Daarentegen zou de wetgever, wanneer hij de mogelijkheid zich had kunnen voorstellen, dat vrouwen gerekend konden worden tot de personen, die voor dergelijke benoemingen in aanmerking konden komen, de vrouwen genoemd hebben, hetzij als uitgesloten, hetzij als toegelaten, omdat de verschijning eener vrouw in dergelijke functie ter terechtzitting, een zoo groote inbreuk op bestaande toestanden zou maken, dat deze speciale vermelding behoeft; Redenen waarom requestrant zich tot Uwen Raad wendt met eerbiedig verzoek de benoeming, de toelating tot de eedsaflegging en de beëediging, aan den aanvang van dit request genoemd, te vernietigen. De Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank te Winschoten Winschoten 27 October 1915 Nº 573 De Hooge Raad der Nederlanden, Gezien het (vorenstaand) verzoekschrift van den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Wi