Rechtspraak Hoge Raad 1913-05-09
ECLI:NL:HR:1913:98
De Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (n° 4136) van: Johannes Gerardus Griffioen, slager, wonende te Bussum, eischer tot cassatie van het op 18 Maart 1912 door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen vonnis, vertegenwoordigd door Mr. J.J. Barnet Lyon, advocaat bij den Hoogen Raad. Tegen: Mr. H. Th. 's Jacob, wonende te Bussum, in zijne hoedanigheid van burgermeester dier gemeente en als zoodanig deze in rechte vertegenwoordigende en voor haar optredende, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. P. Rink, mede advocaat bij dien Raad. Partijen gehoord; Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeeling van den eischer in de kosten; Gezien de stukken; Overwegende, dat tegen voormeld vonnis als middelen van cassatie zijn voorgesteld: I Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 237, 238, 240, 241, 254 der Gemeentewet van 29 Juni 1851, Staatsblad n° 85, gewijzigd bij wetten van 7 Juli 1865, Staatsblad n° 79, 24 Mei 1897, Staatsblad n° 156 en 21 September 1900, Staatsblad n° 164, doordien de Rechtbank, hoewel aannemende dat de rechter loonen en andere gelden, welke de Gemeente-besturen volgens artikel 240 der Gemeentewet als belasting bevoegd zijn te heffen, moeten passen in het kader van artikel 238 dier wet, te beslissen dat de in casu geheven keurloonen, krachtens de artikelen 1 en 2 der verordening op de heffing van rechten vallende op de keuring van geslacht vee en ingevoerde vleeschwaren door den Raad der Gemeente Bussum op 15 Juni 1910 vastgesteld, en welke verordening in verband staat met en steunt op de verordening op de keuring en verkoop van voedingsmiddelen enz. dierzelfde Gemeente dd. 12 October 1909 bijzonderlijk op de artikelen 36—65 daarvan, waarbij verkoopers en vervoerders van vleesch op straffe bij die verordening bepaald worden gedwongen keuring hunner waren aan te vragen, aan dat vereischte voldoen, niettegenstaande vaststaat dat dit loon geene vergoeding was voor genot of gebruik van openbare Gemeentewerken, bezittingen of inrichtingen, maar eene heffing wegens verplicht gebruik van de praestatie der Gemeentelijke overheid, welke praestatie niet als een dienst in den zin van artikel 238 der Gemeentewet kan worden beschouwd; II Schending of verkeerde toepassing van gemelde artikelen, benevens de artikelen 135 en 205q der Gemeentewet, doordien, hoewel vaststaat dat keuring in deze niet geschiedt op verzoek of in het bijzonder belang van den slager maar in het algemeen belang, te beslissen, dat geene wetsbepaling bekend is op grond waarvan de kosten dier keuring behooren te komen ten laste van de openbare kas, terwijl toch de uitgaven der plaatselijke gezondheidspolitie thuishooren op de begrooting der uitgaven van de Gemeente; III Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 147 der Grondwet en 232—237 der Gemeentewet en 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, juncto 161 der Grondwet door eenerzijds bedoelde artikelen te recht op te vatten en uit te leggen als beoogende het vrijmaken van den handel binnen de landsgrenzen en het verbieden van bevoordeeling van inwoners van eene Gemeente ten koste van elders woonachtigen door belasting op waren, die van buiten die Gemeente komen, anderzijds te beslissen dat de aangevochten, boven nader aangeduide heffings-verordening niet in strijd is met genoemde artikelen van Grondwet en Gemeentewet, door in het midden te laten waar het in deze op aankomt, t.w: of soortgelijke verordening den in- en uitvoer werkelijk belemmert althans dit gevolg daarvan is te duchten; IV Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 135 en 205q, 238—241 en 254 der Gemeentewet door, aannemende dat de in deze geheven keurloonen als belastingen zijn te beschouwen, te beslissen, dat bedoelde keurloonen niet uitmaken of zijn eene verboden belasting op voorwerpen van verbruik, hoewel die belasting wordt geheven wegens van Gemeentewege gedane keuringen van geslacht vee en ingevoerde vl