Rechtspraak Hoge Raad 1901-01-18
ECLI:NL:HR:1901:1
Terechtzitting van 18 Januari 1901. De zitting is geopend te elf uur. De deurwaarder roept de volgende zaken op: N° 3190. [eischeresse] , Hoedemaker, weduwe van [man] , zoo voor zich als in hoedanigheid van moeder- en voogdes over hare minderjarige kinderen [zoon] en [dochter] , wonende te [woonplaats] , eischeresse tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 Januari 1900, vertegenwoordigd door den advocaat Mr. B.M. Vlielander Hein. Tegen: de Naamlooze Vennootschap ‘’de Hoop’’, gevestigd te Amsterdam, verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door den advocaat Mr. H. de Ranitz. De Hooge Raad der Nederlanden , Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal Gregory, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van de eischeresse in de kosten; Gezien de stukken; Overwegende, dat tegen het op den 12 Januari 1900 door het Gerechtshof te Amsterdam tusschen partijen gewezen arrest als middel van cassatie is voorgesteld: Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 1301, 1302, 1655, 1660, 1690 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 14, 15, 36 tot en met 40 van het Wetboek van Koophandel, 5, 2° van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het Hof heeft geweigerd te ontvangen de actie, door den Vennoot tegen de Naamlooze Vennootschap ingesteld tot ontbinding der overeenkomst houdende oprichting van vennootschap wegens wanpraestatie, bestaande in het niet praesteeren der overeengekomen aandeelen, tegen den overeengekomen en volbrachten inbreng; daarbij voorbijziende, eensdeels dat het oprichten eener naamlooze vennootschap niet is het scheppen van eene afgezonderd van de oprichters zelfstandig bestaande instelling of persoonlijkheid, doch is het te zamen overeenkomen van al die societaire verhoudingen, welke door de bedingen der overeenkomst worden uitgedrukt en bedoeld, - en anderdeels, dat waar de naamlooze vennootschap gedagvaard wordt, niet wordt gedagvaard iets of iemand anders dan de vennooten-contractanten, doch inderdaad die vennooten in hunne societaire verhouding, gelijk naar artikel 5, 2° van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering elke maatschap, welke ook, eischend en verwerend optreedt; Overwegende daaromtrent: dat de tegenwoordige eischeres heeft gesteld, dat nu wijlen haar echtgenoot met drie andere personen bij notarieele akte van 23 Julie 1895 heeft opgericht de naamlooze vennootschap ‘’de Hoop’’, waarin door hem voor negentig aandeelen werd deelgenomen, terwijl de storting daarop geschiedde door inbreng van diverse vaste goederen; dat zij zoo voor zich als in qualiteit van voogdes over hare kinderen als rechthebbende op die aandeelen, de genoemde naamlooze vennootschap heeft gesommeerd deze aandeelen af te geven, haar wegens de niet afgifte heeft ingebreke gesteld, en haar vervolgens heeft gedagvaard met eisch, op grond van wanpraestatie, tot ontbinding met schadevergoeding van de overeenkomst houdende oprichting der vennootschap; dat het vonnis van de Arrondissements-Rechtbank, waarbij de eischeres in die vordering is niet-ontvankelijk verklaard, bij het beklaagde arrest is bevestigd, op grond, dat de aangevallen overeenkomst is eene wederkeerige, met zich brengende voor de oprichters-contractanten wederzijdsche verplichtingen, aan welke is voldaan, zoodat te dien aanzien geene wanpraestatie kan worden ten laste gelegd; dat zij verder inhoudt de regelen, die voor de vennootschap moeten gelden; dat echter het nakomen van deze bepalingen, waaronder de uitgifte van aandeelen en het afgeven daarvan aan de rechthebbenden kunnen worden gerekend, niet behoort tot de verplichtingen door partijen op zich genomen, maar wordt de taak van de vennootschap, zoodat bij niet voldoen daaraan, de ontbinding der overeenkomst niet kan worden gevorderd, omdat partijen voor de afgifte der aandeelen niet hadden zorg te dragen; Overwegende alsnu met betrekking tot het voorgestelde middel van cassatie: dat eene naamlooze vennootschap is een