Rechtspraak Hoge Raad 1897-04-12
ECLI:NL:HR:1897:1
N° 92 De Hooge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [requirant] , oud 29 jaren, kantonrechter-plaatsvervanger in het kanton Bergen op Zoom, Advocaat-Procureur, geboren te [geboorteplaats] , en wonende te Bergen op Zoom , requirant van cassatie tegen een vonnis van den Kantonrechter te Breda van 27 November 1896, waarbij die Kantonrechter, tot de behandeling dezer zaak door den Hoogen Raad bij beschikking van 13 October 1896 aangewezen, den requirant heeft schuldig verklaard aan het te Bergen op Zoom als houder of eigenaar van een hond, die aldaar op de openbare straat losloopt, zonder voorzien te zijn van een muilkorf, ingericht volgens het model voorgeschreven krachtens artikel 3 der wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad N. 110) en van welken hond door de politie vermoed wordt, dat hij eene meerdere lengte heeft dan 65 centimeter, gemeten van den neus over den rug tot den aanzet van den staart, op aanwijzing der politie om dien hond aan het bureau van politie te brengen of te doen brengen om te worden gemeten, nalaten hieraan te voldoen, en te dierzake, met toepassing van de artikelen 214, tweede zinsnede, en 217 der politieverordening van Bergen op Zoom van 29 Mei 1896 en artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot eene geldboete van één gulden en vervangende hechtenis van één dag; Gehoord het verslag van den Raadsheer Guljé ; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op de middelen van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie: 1° Schending, door niet toepassing, van de artikelen 134 en 135 in verband met artikel 194 der Gemeentewet en van artikel 216, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering; 2° Schending, door verkeerde toepassing, van artikel 214 der Politieverordening van Bergen op Zoom, in verband met artikel 216, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering; 3° Schending, door niet-toepassing, van de artikelen 134, 135 en 179a der Gemeentewet in verband met artikel 216, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering; Gehoord den Advocaat-Generaal van Maanen , namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, daartoe strekkende, dat de Hooge Raad het vonnis door den Kantonrechter te Breda in deze zaak gewezen, zal vernietigen en, ten principale rechtdoende, den requirant zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Overwegende, dat bij het bestreden vonnis is bewezen verklaard het den requirant bij dagvaarding ten laste gelegde feit, dat hij op 14 Augustus 1896 een door hem gehouden hond, die op genoemden dag, des voormiddags omstreeks elf uur, door den agent van politie Adriaan van Noorden, zonder van een muilkorf naar het model voorgeschreven krachtens artikel 3 der wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad N°. 110) voorzien te zijn, losloopende bevonden was in de openbare Zuivelstraat te Bergen op Zoom en door dien beambte vermoed werd eene meerdere lengte te hebben dan 65 centimeter, gemeten van den neus over den rug tot den aanzet van den staart, op aanzegging van dien politiebeambte om dien hond binnen vijf uren aan het bureau van politie te brengen of te doen brengen, om te worden gemeten, heeft nagelaten aldaar te brengen of te doen brengen, ter zake waarvan de requirant is schuldig verklaard aan overtreding van het tweede lid van artikel 214 der politieverordening van de gemeente Bergen op Zoom van 29 Mei 1886; Overwegende, dat de twee eerste leden van dit artikel luiden: ‘’Houders of eigenaren, wier honden eene meerdere lengte hebben dan vijf en zestig centimeter, gemeten van den neus over den rug tot aan den aanzet van den staart, mogen die honden niet laten losloopen dan voorzien van een muilkorf, ingericht naar het model, voorgeschreven bij algemeenen maatregel van bestuur, krachtens artikel 3 der wet van 5 Juni 1875 (Staatsblad N°. 110). Houders of eigenaren van honden, van welke dieren door de politie vermoed wordt, dat zij de aangegeven lengte overschrijden, zijn verplich