Rechtspraak Hoge Raad 1885-06-29
ECLI:NL:HR:1885:1
De Hooge Raad der Nederlanden , Op het beroep van den Procureur-Generaal bij den Raad, requirant van cassatie, in het belang der wet, tegen een vonnis van den Kantonrechter te Goes van den 14 November 1884, waarbij Willem Vader , oud 52 jaar, schipper van een loodsschokker, geboren en wonende te Vlissingen , is schuldig verklaard aan het als bevelvoerder van een vaartuig ter lossing aanleggende aan den steiger te Hoedekenskerke , voor het gebruik daarvan niet betalen van het verschuldigde recht, en te dier zake, met toepassing van de artikelen 2, littera d, 5 en 8 van het Reglement op het gebruik van de provinciale steigers in Zeeland van den 9 Juli 1852 (Provinciaalblad n. 109), benevens artikel 1 der wet van den 22 April 1864 (Staatsblad N. 29), veroordeeld tot eene geldboete van vijf gulden, bij niet-voldoening binnen twee maanden na daartoe te zijn aangemaand, te vervangen door eene gevangenisstraf van een dag, en in de kosten van het geding invorderbaar bij lijfsdwang; Gehoord het verslag van den Raadsheer de Pinto ; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld: Schending van artikel 11 van het Reglement ter uitvoering van artikel 9 van het Tractaat van den 19 April 1839 en van het tweede hoofdstuk, tweede afdeeling, van het tractaat van den 5 November 1842, betreffende het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht van den 20 Mei 1843, in het Staatsblad opgenomen ingevolge Koninklijk Besluit van den 9 September 1843 (Staatsblad N. 45), en verkeerde toepassing van de artikelen 2, littera d, 5 en 8 van het Reglement op het gebruik van de provinciale steigers in Zeeland van den 9 Juli 1852 (Provinciale blad N. 109), benevens artikel 1 der wet van den 22 April 1864 (Staatsblad N. 29); Gezien eene verklaring van den Griffier bij het Kantongerecht te Goes , op den ambtseed afgelegd, dat tegen voormeld vonnis geen hooger beroep of cassatie is aangeteekend; Gehoord den Advocaat-Generaal Polis , namens den Procureur-Generaal, in zijn requistoir, strekkende dat de Hooge Raad in het belang der wet zal vernietigen het beklaagde vonnis, zonder dat het te wijzen arrest eenig nadeel zal kunnen toebrengen aan de rechten door partijen verkregen; de kosten ten laste van den Staat; Overwegende, dat het voorgestelde middel hierop berust, dat de bij het bestreden vonnis uitgesproken veroordeeling in strijd is met den vrijdom van rechten aan voor den loodsdienst bestemde vaartuigen toegekend bij artikel 11 van het Internationaal reglement van den 20 Mei 1843 (geplaatst in het Staatsblad van dat jaar, N. 45); Overwegende echter ambtshalve, dat aan den beklaagde en veroordeelde in deze zaak was ten laste gelegd op den 28 Juli 1884, ’s namiddags omstreeks half drie uur, als schipper van een loodsschokker met zijn roeiboot ter lossing aanliggende aan den provincialen steiger te Hoedekenskerke , te hebben geweigerd het verschuldigde recht te betalen, een feit dat, bewezen zijnde, opleverde eene overtreding van artikel 8 in verband met de artikelen 2 d en 5 van het Provinciaal Reglement op het gebruik der provinciale steigers in Zeeland van den 9 Juli 1852 (Provinciaal blad n. 109); dat het recht voor het gebruik van deze steigers geheven, en voor de weigering van welks voldoening de beklaagde en veroordeelde was gedagvaard, als provinciale belasting ingevolge artikel 129 der Grondwet is bekrachtigd bij de wet van den 22 December 1852 (Staatsblad N. 229), gelijk latere wijzigingen in de heffing van dit recht zijn bekrachtigd bij de wetten van den 18 December 1858 (Staatsblad N. 110) en van den 29 December 1866 (Staatsblad N. 220); dat hier alzoo aan den beklaagde was ten laste gelegd eene overtreding ter zake van belasting, tot kennisneming waarvan, krachtens het derde lid van artikel 44 der Wet op de Rechterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, de Kantonrechter onbevoegd was; Vernietigt, doch alleen in het belang der wet en zonder dat door ’s Raads uitspraak nadeel zal kunnen worden toegebracht aan de rechter door par