Rechtspraak Hoge Raad 1863-11-03
ECLI:NL:HR:1863:1
De Hooge Raad den Nederlanden , Op het beroep van den Officier van Justitie bij de Arrondissements Regtbank te ’s Hertogenbosch , requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements Regtbank aldaar van den 19den Mei 1863, waarbij hoezeer op andere gronden, is bekrachtigd een vonnis van den Kantonregter aldaar dato 13 Februari jongstleden, bijwelk vonnis Johannes Verbruggen , oud 28 jaren, schipper, geboren en wonende te St. Michielsgestel , aangeklaagd van het weigeren van betaling der sluisgelden bij het doorvaren der Geertruisluis, behoorende tot de militaire defensiewerken te ’s Hertogenbosch , op den 25sten October 1862, is ontslagen van alle regtsvervolging; Gehoord het verslag van den Raadsheer Jolles ; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den gerequireerden beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaalt; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie, bestaande in: Schending van artikel 11 der algemeene bepalingen van Wetgeving van het Koningrijk, artikel 4 van eht reglement, behoorende bij het Koninklijk Besluit van den 20sten Februari 1862 (Staatsblad n° 23/ en van het Koninklijk Besluit van den 20sten Februari 1862/ Staatsblad n° 24); Gehoord den Advocaat-Generaal Karseboom , namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusiën, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis en dat de Raad opnieuw regtdoende, met vernietiging mede in zoover van het in eersten aanleg gewezen vonnis, op de als bewezen aangenomen feiten, den gerequireerde alsnog veroordeele in eene geldboete van tien gulden en in de kosten in beide instantien even als in cassatie gevallen, even als de boete ten behoeve van den Staat, invorderbaar bij lijfsdwang; Overwegende dat de gerequireerde te regt heeft gestaan ter zake van het weigeren van betaling der sluisgelden, bij het doorvaren der Geertruisluis, behoorende tot de militaire defensiewerken te ’s Hertogenbosch den 25sten October 1862, dat zoowel de Regtbank te ’s Hertogenbosch , in hooger beroep, als de Kantonregter aldaar in eersten aanleg, bij bovengemelde uitspraken, de ten last gelegde feiten als bewezen hebben aangenomen, doch den gerequireerde van regtsvervolging ontslagen hebben; dat dit ontslag van regtsvervolging in het beklaagde vonnis daarop is gegrond, dat de heffing van het sluisgeld niet bij eene Wet is geregeld, oordeelende namelijk de Regtbank, dat de heffing van sluisgeld zou zijn belasting ; dat dit onder anderen zou blijken uit artikel 238 der Gemeentewet, en dat in het tegenwoordig geval sprake is, van eene opbrengst aan ’s landskas, geheven van hen, die van eene sluis, gelegen in de Dieze te ’s Hertogenbosch (welke Dieze is eene verlenging van de bevaarbare en vlotbare rivier de Dommel ), gebruik maken, en dat volgens artikel 171 der grondwet, belastingen den behoeve van ’s landskas, alleen uit kracht van eene wet worden geheven; Overwegende te dien aanzien, in verband met het aangevoerde middel van cassatie, dat ten onregte, door den requirant wordt beweerd, dat hier sprake zou zijn, van schending van artikel 11 der algemeene bepalingen voor het Koninkrijk, uit hoofde wel de regter, volgens dat artikel de innerlijke waarde of billijkheid eener Wet niet mag beoordeelen, maar volkomen bevoegd, ja verpligt is, te onderzoeken, (gelijk blijkbaar bij de tegenwoordige beslissing heeft plaatsgevonden), of het onderwerp eener verordening ligt binnen de bevoegdheid der verordenende autoriteit; Overwegende dat verder, in het beklaagde vonnis, tot staving van het onverbindbare der daarbij aangehaalde Koninklijke besluiten, een grond wordt aangevoerd uit artikel 238 der Gemeentewet; Overwegende dat ofschoon, nu ook dit artikel op de onderwerpelijke zaak, van geene dadelijke toepassing kan worden geacht uit hoofde het alleen betrekking heeft, op de daarbij genoemde heffingen in naam der gemeente, en alhoewel in de wetgeving geene definitie van belasting gevonden wordt, alhier, waarzelfs van