Rechtspraak Hoge Raad 1847-03-19
ECLI:NL:HR:1847:1
Teregtzitting van den 19 maart 1847.De zitting is geopend ten elf ure.De deurwaarder roept de navolgenden zaken op.N°. 391. Het Stedelijk Bestuur van Breda, procederende door en op naam van de Heeren [eischer 1], Burgemeester, [eischer 2] en [eischer 3], wethouder der gemelde stad, Eischers in cassatie tegen een arrest van het Provinciaal Geregtshof van Noord-Braband de dato 2 Junij 1846. comparerende bij den Procureur Mr. Cornelis Joseph Francois.TegenKerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Breda, tot het voeren dezer procedure behoorlijk gemagtigd door het Provinciaal Collegie van Toezigt over de Kerkelijke administratie der Hervormde Kerk in Noord Braband, verweerders in cassatie, comparerende bij den Procureur Mr. Jacob George Alexander Glaub. waarvan voorziening in cassatie mede is gerigt tegen, [verweerder], aannemer, wonende te [woonplaats], insgelijks verweerder in cassatie. De Hooge Raad der Nederlanden , Partijen gehoord; Gehoord het Openbaar Ministerie in deszelfs conclusien, uitgebragt bij monde van den advokaat generaal Gregorij, strekkende tot verwerping der cassatie;Gezien de stukken;Met betrekking tot de door de verweerders voorgestelde niet ontvankelijkheid, op grond dat het regtsgeding in cassatie, zonder de nodige goedkeuring zoude zijn aangevangen en er alzoo gehandeld zoude zijn in strijd met art. 74. van het Reglement voor het bestuur der steden van 4 Januarij 1824.;Overwegende, dat wanneer men de ten processe overgelegde besluiten van autorisatie der gedeputeerde Staten om te procederen, naar derzelver aard, strekking en bewoording gade slaat, en wanneer men vooral de algemeene bewoordingen van het eerste besluit van 3. februarij 1843. om, zoo in aanleg, als verweerende het regt van eigendom voor den regter te doen gelden, vergelijkt met de woorden van het verzoek om magtiging ten einde in cassatie te mogen komen, luidende: dat deze vergadering (: gedeputeerde Staten:) voor zoo veel nodig , hiertoe autorisatie verleene, en met de woorden van het daarop gevolgd besluit van magtiging van 1. december 1846. luidende: het stedelijk bestuur bij deze voor zoo veel nodig te magtigen, daaruit ten duidelijksten volgt, dat zoo wel de Raad der Stad als de Gedeputeerde Staten van oordeel zijn geweest, dat de eerste magtiging als in algemeene bewoording vervat, in eenen uitgestrekten en geenszins in eenen beperkten zin moest worden opgevat, zoo dat het regtens daarvoor moet gehouden worden, dat het besluit van 1. december 1846. slechts als eene interpretatie en overvloedige bevestiging van de uitgestrekte magtiging vervat in het besluit van 3. februari 1843. om tot in cassatie het regt van eigendom voor den Regter te doen gelden, moet worden beschouwd. Overwegende, dat wanneer men de besluiten van magtiging in dien zin en zoo als zulks naar regt en rede behoort, opvat, er aan geene overtreding van artikel 74. van het reglement voor de Steden te denken valt, en de niet ontvankelijkheid aldus als niet aannemelijk behoort te worden verworpen;Met betrekking tot het eerste middel van cassatie, beweerde schending van art. 625. van het Burgerlijk Wetboek, en van art. 6. der additioneele artikelen tot de Staatsregeling van 1798. en verkeerde toepassing van art. 13. der Staatsregeling van 1801.;Overwegende, dat art: 625. van het Burgerlijk Wetboek, ten deze alleen kan geschonden zijn door de verkeerde toepassing of uitlegging der ingeroepene Staatsregelingen van 1798. en 1801. waaruit die schending van het eigendoms regt naar het oordeel des Eischers zoude voortvloeijen;Overwegende ten dien aanzien, dat het arrest van het Provinciaal Geregtshof van Noord Braband, teregt heeft beslist, dat het bewijs van eigendoms regt, op de Burgerlijke Gemeente van Breda als opposante, en dus in die hoedanigheid als Eischeresse, en geenszins op het toen geintimeerde kerkbestuur, zoo als het vonnis a quo ten onregte had aangenomen, moet berusten;Overwegende, dat bij het aangevallen arrest in facto is uitgemaakt, dat het bij partijen