Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-07
ECLI:NL:GHSHE:2026:95
Parketnummer : 20-000321-24 Uitspraak : 7 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 januari 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-101257-20 en 82-044092-21, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957, wonende te [adres verdachte] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: de eendaadse samenloop van: ‘medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet terstond overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt’ (feit 1 parketnummer 01-101257-20) en ‘medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt’ (feit 2 parketnummer 01-101257-20); ‘medeplegen van in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming’ (parketnummer 82-044092-21), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 tenlastegelegde en het onder parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaar. Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 82-044092-21 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van vol opzet. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep, met de advocaat-generaal en de raadsman, geconstateerd dat in de op artikel 344a, tweede lid, onder 2 Wetboek van Strafrecht gebaseerde tenlastelegging van feit 2 onder parketnummer 01-101257-20 na de woorden “tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon” abusievelijk de zinsnede “of voor het faillissement indien dit is gevolgd” is weggevallen. Het hof zal deze kennelijke misslag verbeteren en de ten Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: in de zaak met parketnummer 01-101257-20: 1.Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juni 2018 tot en met 30 augustus 2019, in de gemeente Helmond en/of Roermond en/of Venlo, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, als (middellijk en/of onmiddellijk) bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem en/of zijn medeverdachte(n) rustende wettelijke verplichtingen ter zake, als bedoeld in de Faillissementswet, een ingevolge de wettelijke verplichtingen, te weten artikel 2:10 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 3:15i lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de (benoemde) curator heeft verstrekt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) geen volledige en/of deugdelijke administratie aan voornoemde curator verstrekt en/of doen/laten verstrekken; 2.Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2016 tot en met 5 juni 2018, in de gemeente Helmond en/of Roermond en/of Venlo, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, als (middellijk en/of onmiddellijk) bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, immers heeft/hebben, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) – zakelijk weergegeven – (telkens) geen volledige en/of deugdelijke administratie gevoerd en/of niet (geheel) bewaard, ten gevolge waarvan de afhandeling (van het faillissement van voornoemde rechtspersoon) werd bemoeilijkt; in de zaak met parketnummer 82-044092-21 (gevoegd ter terechtzitting in eerste aanleg): Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 30 november 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, in strijd met een hem en/of zijn medeverdachte(n) bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 70 lid 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of artikel 12 lid 1 van de Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij wist en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) gedurende deze periode niet (tijdig) aan het UWV gemeld dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) op een of meer tijdstip(pen) in de periode waarover verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een uitkerin [curator 1] heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat het aan [medeverdachte] is om de boekhouding aan te leveren, en dat hij de boekhouding niet op gaat halen bij de boekhouder, zoals door de verdachte zou zijn geopperd (pagina 117 en 118 van het FIOD-dossier). Bij per e-mail verstuurde brief d.d. 7 juni 2018 is door waarnemend curator mr. [curator 1] de ontvangst van de afgegeven administratie bevestigd aan [medeverdachte] en is tevens verzocht kenbaar te maken of deze administratie volledig en compleet is en/of [medeverdachte] nog andere administratie in haar bezit heeft (pagina 124 en 125 van het FIOD-dossier). Bij e-mailbericht d.d. 11 juni 2018 heeft [medeverdachte] mr. [curator 1] bericht dat zij alles heeft laten inleveren wat zij tot haar beschikking heeft. Uit het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris op 25 mei 2022, volgt dat [getuige 1] eind 2018 is benaderd door de verdachte met de vraag of hij kon helpen. De boekhouder, [bedrijf] , wilde hem de administratie namelijk niet geven. [getuige 1] heeft vervolgens via Snelstart een aantal gegevens kunnen downloaden van 2016, 2017 en een klein stukje over 2018. [getuige 1] heeft contact opgenomen met waarnemend curator mr. [curator 1] en met hem afgesproken dat hij alles uit zou printen en zou afgeven. Bij schrijven d.d. 18 juni 2018 is door het kantoor van de curator bevestigd dat door [getuige 1] , uit naam van [medeverdachte] in het faillissement van [rechtspersoon 1] , stukken zijn afgegeven (pagina 140 van het FIOD-dossier). Bij e-mailbericht d.d. 18 juni 2018 heeft mr. [curator 1] aan [medeverdachte] bericht welke stukken er volgens hem nog ontbreken/niet volledig zijn (pagina 142 en 143 van het FIOD-dossier). Bij e-mailbericht d.d. 25 oktober 2018 heeft waarnemend curator mr. [curator 1] aan [medeverdachte] bericht dat zij tijdens het gesprek een dag eerder samen hebben geconstateerd dat de tot op heden aangeleverde boekhouding niet correct en volledig is, waardoor de rechten en verplichtingen van de gefailleerde vennootschap niet gekend kunnen worden. Mr. [curator 1] heeft [medeverdachte] tot 8 november 2018 de tijd gegeven om de volledige boekhouding af te geven (pagina 153 van het FIOD-dossier). Bij e-mailberichten d.d. 31 oktober 2018 (pagina 163 van het FIOD-dossier) en 1 november 2018 (pagina 164 en 165 van het FIOD-dossier) heeft [getuige 1] aanvullende stukken aan mr. [curator 1] toegezonden. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte en zijn partner [medeverdachte] de ten tijde van het afgifteverzoek bestaande (gevoerde en bewaarde) en hun ter beschikking staande administratie, zo snel als dat zij dat konden realiseren aan de curator hebben afgegeven/laten afgeven. In het dossier zijn geen aanwijzingen dat er ten tijde van het verzoek van de curator meer administratie bestond dan door en namens de verdachte en [medeverdachte] uiteindelijk aan de curator ter beschikking is c.q. kon worden gesteld. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 aan hem tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: in de zaak met parketnummer 01-101257-20: 2.Hij in de periode van 16 augustus 2016 tot en met 5 juni 2018 in Nederland tezamen en in verenging met een ander als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, of voor het faillissement, opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, beschei Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde misdrijf van artikel 344a, tweede lid, onder 2 Sr is vereist dat de verdachte kan worden aangemerkt als formeel of feitelijk bestuurder van [rechtspersoon 1] (artikel 348a, eerste lid, Sr). De verplichtingen tot het voeren en bewaren van een complete deugdelijke administratie uit de artikelen 2:10 en 3:15i BW rusten op zowel de formele als de feitelijke bestuurders van de rechtspersoon. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 2 januari 2020 is [rechtspersoon 1] op 16 augustus 2016 opgericht met als enig formeel bestuurder de echtgenote van de verdachte, [medeverdachte] . Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 5 juni 2018 is [rechtspersoon 1] in staat van faillissement verklaard. Nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte een formele functie had binnen [rechtspersoon 1] , dient het hof de vraag te beantwoorden of op grond van de voorhanden zijnde stukken wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijk is opgetreden als bestuurder van de rechtspersoon. Het hof overweegt als volgt. Uit de aangifte van curator mr. [curator 2] – formeel belast met de afwikkeling van het faillissement van [rechtspersoon 1] – volgt dat [medeverdachte] tijdens de gesprekken met de curator feitelijk niets wist en dat alle antwoorden werden gegeven door de verdachte. Getuige mr. [curator 1] – degene die als waarnemend curator het faillissement van [rechtspersoon 1] feitelijk heeft afgewikkeld – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 januari 2020 verklaard dat de twee gesprekken omtrent de afwikkeling van het faillissement met de verdachte en zijn partner [medeverdachte] samen waren en dat hij uit de gesprekken opmaakte dat [medeverdachte] geen verstand van zaken had. De verdachte was degene die op alle relevante vragen met betrekking tot de onderneming antwoord gaf. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris d.d. 11 mei 2022 heeft getuige mr. [curator 1] verklaard dat hem in de gesprekken bleek dat [medeverdachte] er eigenlijk niet veel van af wist en de verdachte in veel gevallen met de antwoorden kwam. [medeverdachte] keek elke keer achterom in de richting van de verdachte om hem aan te geven dat hij haar moest ‘redden’. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 januari 2024 volgt dat de verdachte ook toen antwoord gaf op vragen van de voorzitter aan de medeverdachte [medeverdachte] . Daar sprak de verdachte telkens in de “we-vorm”. Zo verklaarde hij onder andere: “Dit keer met [rechtspersoon 1] wilden we het goed doen. Daarom hebben we besloten om [bedrijf] in te schakelen en een interne boekhoudster aan te stellen. (…) In maart hebben we besloten om de stekker eruit te trekken”. Bovendien komt uit verklaringen van getuigen het beeld naar voren dat de verdachte als feitelijk bestuurder van de onderneming heeft opgetreden. Getuige [getuige 2] – die jarenlang werkzaamheden heeft verricht voor de ondernemingen van de verdachte en diens partner [medeverdachte] tot augustus 2018 – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 29 januari 2020 verklaard dat er altijd navraag gedaan moest worden bij de verdachte en dat de verdachte de baas was, maar – zo hadden de verdachte en [medeverdachte] hem verteld – de bedrijven niet op zijn naam konden staan omdat hij een uitkering van het UWV genoot vanwege een bedrijfsongeval. De verdachte bepaalde bijvoorbeeld wat er betaald moest worden, stuurde [medeverdachte] aan en onderhield ook alle contacten met bijvoorbeeld de advocaat, boekhouder, groothandel, ontevreden klanten en klanten die nog moesten betalen. Getuige [getuige 3] , werkzaam als registeraccountant bij [bedrijf] – het accountantskantoor dat door de verdachte en zijn partner [medeverdachte] was ingeschakeld – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 4 februari 2020 verklaard dat het eerst Dat de verdachte wist dat het niet voeren van een deugdelijke administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers de afhandeling van het faillissement bemoeilijkt, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Het hof verwijst hiervoor onder andere naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2019 met parketnummer 20-001667-16, waaruit blijkt dat de verdachte reeds op 7 juni 2016 in eerste aanleg door de rechtbank Oost-Brabant en in hoger beroep door het gerechtshof ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat ze het dit keer met [rechtspersoon 1] goed wilden doen en heeft ook [getuige 3] ze aangesproken dat het boekhoudkundig niet goed zat. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 02-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Inzake het onder parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde Ter zake van het onder parketnummer 82-044092-21 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vol opzet, maar van voorwaardelijk opzet. De verdachte wist niet wat hij moest aanleveren aan het UWV. De formulieren werden ingevuld door de boekhouder of accountant, en deze heeft de verdachte blindelings ondertekend. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van [rechtspersoon 2] kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder en overweegt daartoe als volgt. [rechtspersoon 2] is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 11 juni 2018 op 9 april 2018 opgericht. Als enig bestuurder van [rechtspersoon 2] is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel geregistreerd de partner van de verdachte, [medeverdachte] . Bij het aangaan van de huurovereenkomst tussen verhuurder [getuige 6] en [rechtspersoon 2] is de B.V. rechtsgeldig vertegenwoordigd door de verdachte. Ook op het opleveringsformulier is de verdachte vermeld als rechtsgeldig vertegenwoordiger en het opleveringsformulier is ook door de verdachte ondertekend. Uit de schriftelijke reactie van verhuurder [getuige 6] op de door het UWV aan hem gestelde vragen volgt dat de verdachte degene was die bij de onderhandelingen met betrekking tot de verhuur van het bedrijfspand het woord voerde en de onderhandelingen deed. Verhuurder [getuige 6] is in de periode van 13 april 2018 tot en met medio augustus 2018 tien tot vijftien keer in de zaak geweest en werd daar altijd te woord gestaan door de verdachte. De verdachte was altijd druk met telefoneren met klanten en hielp ook met het lossen van geleverde goederen en het inrichten van de winkel. Bovendien volgt uit het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 28 november 2018, met betrekking tot het kort geding tussen [getuige 6] als eisende partij en de verdachte, diens partner [medeverdachte] en [rechtspersoon 2] als gedaagde partij, dat door de gedaagde partij uitdrukkelijk is aangegeven dat geen punt wordt gemaakt van wie van de gedaagden als gedaagde partij in de procedure heeft te gelden. Getuige [getuige 2] , die werkzaamheden heeft verricht voor [rechtspersoon 2] tot augustus 2018, heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 29 januari 2020 verklaard dat er altijd navraag gedaan moest worden bij de verdachte. De verdachte bepaalde alles en had alle contacten met bijvoorbeeld de advocaat, de boekhouder, de groothandel en met ontevreden klanten of klanten die nog moesten betalen. Ook gaf de verdachte instructies over de wijze waarop zaken geadministreerd moesten worden. Tot slot volgt uit een handhavingsonderz Op 25 september 2017 (de intentieverklaring van 20 september 2017: bewijsmiddel 25) heeft verdachte opnieuw een toeslag aangevraagd, omdat het gezinsinkomen zou zijn gedaald. Op deze aanvraag heeft verdachte ingevuld dat zijn partner geen inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf heeft. Op 10 oktober 2017 heeft het UWV gereageerd op de hiervoor genoemde aanvraag en is de verdachte gewezen op de informatieplicht (bewijsmiddel 26) . Ook op 9 november 2017 wist de verdachte klaarblijkelijk weer de weg te vinden naar het UWV om op grond van doorgegeven gewijzigde omstandigheden in aanmerking te komen voor een verhoging van de toeslag. Bij de toekenning daarvan is hij wederom gewezen op zijn informatieverplichtingen (bewijsmiddel 27). Verdachte is, zoals hiervoor overwogen, meermaals herinnerd aan zijn plichten als uitkerings- en toeslaggerechtigde. Daarnaast is ook bij de aanvragen voor een uitkering en/of de toeslag uitdrukkelijk door verdachte verklaard dat hij en/of zijn medeverdachte ( [medeverdachte] ) geen inkomsten genoten uit zelfstandig beroep en/of bedrijf. Zo heeft verdachte op 20 september 2017 verklaard dat hij, terwijl ten tijde van het ondertekenen van die formulieren door de verdachte [rechtspersoon 1] reeds was opgericht, geen inkomsten uit zelfstandig bedrijf of beroep genoot evenals [medeverdachte] . Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte] gedurende de gehele tenlastegelegde periode vele (contant gestorte) bedragen hebben ontvangen op hun persoonlijke bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank en het hof kunnen die contante stortingen niet anders worden verklaard dan dat zij afkomstig zijn uit het exploiteren van de ondernemingen. Verdachte en [medeverdachte] hebben hiervan geen melding gedaan. Ten slotte blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat verdachte en [medeverdachte] hem zouden hebben verteld dat de bedrijven niet op naam van de verdachte konden staan, omdat hij een uitkering ontving. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte in de periode waarover hij een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontving, opzettelijk niet heeft gemeld bij het UWV dat hij en/of zijn partner [medeverdachte] werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten als (feitelijk) bestuurder van [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] . Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte activiteiten heeft verricht ten behoeve van een hennepkwekerij, noch dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft gehandeld, zodat de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon tijdens het faillissement van de rechtspersoon of voor het faillissement van de rechtspersoon opzettelijk niet voldoen of bewerkstelligen dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt . Het in de zaak met parketnummer 82-044092-21 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming . Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte E Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging in dit verband medische stukken overgelegd. Blijkens een brief van de sportarts van 15 augustus 2025 zou de verdachte gaan werken aan de verbetering van zijn conditie en gaan meedoen aan de hartrevalidatie in de hartfalen groep. De internist rapporteert na een controle op 10 september 2025 dat het goed gaat, de verdachte geen zieke indruk maakt en de bloeduitslagen netjes zijn. Daarnaast kampt de verdachte met een bipolaire stoornis, aldus de verdediging. De verdachte ontvangt een AOW-uitkering. Verder is aangevoerd dat de verdachte een ernstig zieke kleinzoon heeft en dat de partner van de verdachte ten behoeve van de mantelzorg die zij voor hem zou verrichten, een persoonsgebonden budget ontvangt. Daartoe zijn stukken overgelegd die zien tot 31 januari 2025. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij in staat is een taakstraf uit te voeren. Tot slot heeft het hof meegewogen dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM). Elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt vast dat de verdachte in deze zaak op 18 februari 2020 voor het eerst als verdachte is gehoord. Het hof neemt dit als aanvangsmoment van de ‘criminal charge’. De rechtbank heeft op 29 januari 2024 vonnis gewezen. Vervolgens is op 2 februari 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 7 januari 2026 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve drie jaren en ruim elf maanden. Er is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en ruim elf maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof acht de door de verdachte begane feiten van een zodanige ernst dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een uitkering omdat hij niet zou kunnen werken, jarenlang onbeschaamd misbruik heeft gemaakt van de rechtspersonen waarbinnen hij als feitelijk bestuurder betaalde werkzaamheden verrichtte. Zijn vrouw was de dekmantel naar buiten toe. Niet alleen de regels die de samenleving heeft gesteld aan een eerlijk en betaalbaar uitkeringssysteem voor hen die onvermogend zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, heeft de verdachte aan zijn laars gelapt. Zoals gezegd, wist hij deze wel te vinden als het in zijn voordeel was; gaat het om kennis van de regels die in zijn nadeel zijn, dan hield en houdt hij zich van de domme. Ook de regels die gelden voor een verantwoord gebruik van rechtspersoonlijkheid, zoals het houden van een deugdelijke administratie en het bij d