Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-01
ECLI:NL:GHSHE:2026:878
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:878 text/xml public 2026-04-16T14:07:20 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-01 24/1326 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:878 text/html public 2026-04-14T11:28:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:878 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 01-04-2026 / 24/1326 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Tussen partijen is in geschil of verschillende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht. De totale in rekening gebrachte kosten van naheffing worden echter al gedekt door niet in geschil zijnde kostenposten. Het hoger beroep is ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/1326 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2024, nummer SHE 22/3161, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. 2 Feiten 2.1. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op dinsdag 7 juni 2022 om 20.24 uur geparkeerd stond aan [adres] in [woonplaats] , terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald. 2.2. De naheffingsaanslag bestaat uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,80 en kosten naheffing van € 66,50. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11, lid 1, Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening) en is gelijk aan het voor het jaar 2022 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag als bedoeld in artikel 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, tekst 2022 (hierna: het Besluit). 2.3. In het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 staat dat de volgende onderbouwing voor de kosten die ten grondslag liggen aan het in artikel 11, lid 1, van de Verordening neergelegde bedrag: Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 De kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag worden geraamd op € 81,80 per aanslag. - Informatie verwerkingskosten € 352.279 - Kosten afschrijving + interest € 78.314 - Personeelskosten € 2.522.621 - Overheadkosten € 1.228.350 + Totale kosten € 4.181.564 Aantal inbare naheffingsaanslagen: 51.118 2.4. Aan de posten “informatie verwerkingskosten” en “Kosten afschrijving + interest” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag: 2.5. Aan de posten “Personeelskosten” en “Overheadkosten” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag: 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de volgende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht: - kosten voor invordering; - kosten voor parkeerautomaten; - kosten voor kleding; - kosten van politie. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. In artikel 234, lid 5, Gemeentewet staat, voor zover hier relevant, dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht. 4.2. In artikel 2, lid 1, van het Besluit staat dat de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, lid 5, Gemeentewet ten hoogste kunnen bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: vaste informatieverwerkingskosten; variabele informatieverwerkingskosten; kosten van afschrijving; kosten van interest; personeelskosten; overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. In lid 2 van dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. 4.3. Tussen partijen is in geschil of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht. In dit geval worden de in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 66,50 echter al gedekt door de geraamde kostenposten ‘personeelskosten’ en ‘overheadkosten’, die belanghebbende niet bestrijdt. Deze posten bedragen tezamen namelijk € 3.750.971 (de post ‘personeelskosten’ bedraagt € 2.522.621 en de toerekenbare post ‘overheadkosten’ bedraagt € 1.228.350). Bij een geraamd aantal op te leggen naheffingsaanslagen van 51.118 worden de totale in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 3.399.347 door de voornoemde posten al gedekt. Het hof hoeft in deze zaak dan ook niet beoordelen of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht: zelfs indien belanghebbende op deze vier punten volledig in het gelijk zou moeten worden gesteld, kan dit gelet op het voorgaande niet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag. Tussenconclusie 4.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.5. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, R. Camps L.B.M. Klein Tank Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:878 text/xml public 2026-04-16T14:07:20 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-01 24/1326 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:878 text/html public 2026-04-14T11:28:29 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:878 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 01-04-2026 / 24/1326 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Tussen partijen is in geschil of verschillende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht. De totale in rekening gebrachte kosten van naheffing worden echter al gedekt door niet in geschil zijnde kostenposten. Het hoger beroep is ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/1326 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2024, nummer SHE 22/3161, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. 2 Feiten 2.1. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op dinsdag 7 juni 2022 om 20.24 uur geparkeerd stond aan [adres] in [woonplaats] , terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald. 2.2. De naheffingsaanslag bestaat uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,80 en kosten naheffing van € 66,50. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11, lid 1, Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening) en is gelijk aan het voor het jaar 2022 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag als bedoeld in artikel 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, tekst 2022 (hierna: het Besluit). 2.3. In het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 staat dat de volgende onderbouwing voor de kosten die ten grondslag liggen aan het in artikel 11, lid 1, van de Verordening neergelegde bedrag: Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 De kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag worden geraamd op € 81,80 per aanslag. - Informatie verwerkingskosten € 352.279 - Kosten afschrijving + interest € 78.314 - Personeelskosten € 2.522.621 - Overheadkosten € 1.228.350 + Totale kosten € 4.181.564 Aantal inbare naheffingsaanslagen: 51.118 2.4. Aan de posten “informatie verwerkingskosten” en “Kosten afschrijving + interest” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag: 2.5. Aan de posten “Personeelskosten” en “Overheadkosten” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag: 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de volgende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht: - kosten voor invordering; - kosten voor parkeerautomaten; - kosten voor kleding; - kosten van politie. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. In artikel 234, lid 5, Gemeentewet staat, voor zover hier relevant, dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht. 4.2. In artikel 2, lid 1, van het Besluit staat dat de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, lid 5, Gemeentewet ten hoogste kunnen bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: vaste informatieverwerkingskosten; variabele informatieverwerkingskosten; kosten van afschrijving; kosten van interest; personeelskosten; overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. In lid 2 van dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. 4.3. Tussen partijen is in geschil of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht. In dit geval worden de in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 66,50 echter al gedekt door de geraamde kostenposten ‘personeelskosten’ en ‘overheadkosten’, die belanghebbende niet bestrijdt. Deze posten bedragen tezamen namelijk € 3.750.971 (de post ‘personeelskosten’ bedraagt € 2.522.621 en de toerekenbare post ‘overheadkosten’ bedraagt € 1.228.350). Bij een geraamd aantal op te leggen naheffingsaanslagen van 51.118 worden de totale in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 3.399.347 door de voornoemde posten al gedekt. Het hof hoeft in deze zaak dan ook niet beoordelen of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht: zelfs indien belanghebbende op deze vier punten volledig in het gelijk zou moeten worden gesteld, kan dit gelet op het voorgaande niet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag. Tussenconclusie 4.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.5. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, R. Camps L.B.M. Klein Tank Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.