Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-23
ECLI:NL:GHSHE:2026:817
Strafrecht
Hoger beroep
24,264 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:817 text/xml public 2026-05-18T12:45:18 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-23 20-001634-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2025:3301 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:817 text/html public 2026-05-18T12:44:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:817 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-02-2026 / 20-001634-25 Poging tot doodslag. Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Parketnummer : 20-001634-25 Uitspraak : 23 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-336707-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, thans verblijvende in P.I. [P.I] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard. Het onder 1 primair bewezenverklaarde is gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’ en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is kennelijk abusievelijk in het dictum van het vonnis blijven staan ‘ Fout! De documentvariabele ontbreekt ’. De verdachte is wegens voornoemde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is aan haar de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , alsmede voor wat betreft de in beslag genomen voorwerpen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een mes, althans scherp voorwerp, ter hand heeft genomen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden/gestoken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld heeft uitgeoefend op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten 5 gebroken ribben en/of bloed/vocht bij/achter de longen en/of een steekverwonding in de borstkas/hartstreek, heeft toegebracht door een mes, althans scherp voorwerp, ter hand te nemen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek te steken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam te snijden/steken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld uit te oefenen op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] ; 1. meer subsidiair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een mes, althans scherp voorwerp, ter hand heeft genomen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden/gestoken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld heeft uitgeoefend op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. zij op of omstreeks 18 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Maashorst, een ambtenaar [slachtoffer 1] , brigadier van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen de knie te trappen/schoppen. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. primair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een mes ter hand heeft genomen en daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. zij op 18 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Maashorst, een ambtenaar [slachtoffer 1] , brigadier van politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen de knie te trappen/schoppen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht. Bewijsoverwegingen Algemene overwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Ten aanzien van feit 1 Rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs De verdediging heeft naar voren gebracht dat de bevindingen die zijn gebaseerd op hetgeen te zien en te horen is op de bestanden van de SD-kaarten die op 19 december 2023 in beslag zijn genomen in de woning van [slachtoffer 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Ook de in de wasmachine aangetroffen T-shirts dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De betreffende SD-kaarten zijn namelijk onrechtmatig gevonden, onrechtmatig in beslag genomen en onrechtmatig onderzocht.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:817 text/xml public 2026-05-18T12:45:18 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-23 20-001634-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2025:3301 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:817 text/html public 2026-05-18T12:44:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:817 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-02-2026 / 20-001634-25 Poging tot doodslag. Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Parketnummer : 20-001634-25 Uitspraak : 23 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-336707-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, thans verblijvende in P.I. [P.I] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard. Het onder 1 primair bewezenverklaarde is gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’ en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is kennelijk abusievelijk in het dictum van het vonnis blijven staan ‘ Fout! De documentvariabele ontbreekt ’. De verdachte is wegens voornoemde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is aan haar de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , alsmede voor wat betreft de in beslag genomen voorwerpen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een mes, althans scherp voorwerp, ter hand heeft genomen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden/gestoken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld heeft uitgeoefend op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten 5 gebroken ribben en/of bloed/vocht bij/achter de longen en/of een steekverwonding in de borstkas/hartstreek, heeft toegebracht door een mes, althans scherp voorwerp, ter hand te nemen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek te steken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam te snijden/steken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld uit te oefenen op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] ; 1. meer subsidiair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een mes, althans scherp voorwerp, ter hand heeft genomen en/of daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en/of die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] meermalen in de handen en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden/gestoken en/of (met haar lichaamsgewicht) geweld heeft uitgeoefend op de borstkas en/of de ribben van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. zij op of omstreeks 18 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Maashorst, een ambtenaar [slachtoffer 1] , brigadier van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen de knie te trappen/schoppen. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. primair zij op of omstreeks 17 december 2023 te [plaats] , gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een mes ter hand heeft genomen en daarmee stekende en/of zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] zich in haar directe nabijheid bevond en die [slachtoffer 2] in de borstkas/hartstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. zij op 18 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Maashorst, een ambtenaar [slachtoffer 1] , brigadier van politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen de knie te trappen/schoppen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht. Bewijsoverwegingen Algemene overwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Ten aanzien van feit 1 Rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs De verdediging heeft naar voren gebracht dat de bevindingen die zijn gebaseerd op hetgeen te zien en te horen is op de bestanden van de SD-kaarten die op 19 december 2023 in beslag zijn genomen in de woning van [slachtoffer 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Ook de in de wasmachine aangetroffen T-shirts dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De betreffende SD-kaarten zijn namelijk onrechtmatig gevonden, onrechtmatig in beslag genomen en onrechtmatig onderzocht.
Volledig
Uit de inhoud van het dossier blijkt namelijk dat de SD-kaarten – met daarop potentieel gezien camerabeelden die in een woning zijn gemaakt – niet alleen in beslag zijn genomen, maar ook dat de camera’s zijn geopend om daarin te kijken en te zoeken naar de SD-kaarten. Dit kan niet als zoekend rondkijken worden aangemerkt. Gelet op artikel 126nd en 126nf van het Wetboek van Strafvordering was een voorafgaande schriftelijke vordering van de officier van justitie en een machtiging van de rechter-commissaris vereist. De verkregen resultaten dienen gelet op de ernst van de schending te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van een schending van artikel 12 van de Grondwet, alsmede van artikel 6 en artikel 8 van het EVRM. De schendingen en inbreuken zijn fors en grijpen diep in op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en van [slachtoffer 2] . Deze schending en inbreuk zijn bovendien onherroepelijk en kunnen niet worden hersteld of gecompenseerd, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Bij een binnentreding hebben politieambtenaren de bevoegdheid om zoekend rond te kijken. Voor zover de betreden plaats een woning betreft, kan dit zoekend rondkijken zich uitstrekken tot alle vertrekken die deel uitmaken van de woning, voor zover zij niet zijn afgesloten. Het doorzoeken van een woning is een bevoegdheid die verder gaat dan alleen het zoekend rondkijken. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verbalisanten op 18 december 2023 aan [slachtoffer 2] hebben medegedeeld dat zij zijn woning, gelegen aan [adres] , wilden doorzoeken om te kijken of daar geen strafbare feiten waren gepleegd, dat [slachtoffer 2] verklaarde dat dit goed was, dat hij zijn huissleutel heeft overhandigd en dat hij heeft gezegd dat verbalisanten mochten kijken (dossierpagina’s 84-85). Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina’s 50-52) blijkt dat zij op 18 december 2023, omstreeks 22:35 uur, de woning van [slachtoffer 2] voor de eerste keer betraden. Zij zagen onder meer dat er een vleesmes op het aanrecht in de keuken lag. Voorts viel het de verbalisanten op dat in de woning meerdere camera’s stonden en/of hingen. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten de woning hebben verlaten en dat zij op 18 december 2023, omstreeks 23:15 uur, de woning nogmaals hebben betreden voor het maken van fotografische opnames. In de ‘waskamer’ in de woning van [slachtoffer 2] zagen verbalisanten dat er in een wasmachine twee shirts zaten en dat daar bloed op zat en voorts dat in beide shirts een gat/snee zat van ongeveer 1,5 centimeter. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren in het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2024 dat de deur van de wasmachine waarin de bebloede shirts lagen, openstond (dossierpagina’s 82-83). Uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] blijkt dat zij op 19 december 2023 met [slachtoffer 2] hebben gesproken om te kijken of hij een verklaring wilde afleggen en of hij aangifte wenste te doen. Bij die gelegenheid werd aan [slachtoffer 2] ook gevraagd of hij toestemming gaf voor doorzoeking van zijn woning. Hierop heeft [slachtoffer 2] geantwoord: ‘Ik zie er geen nut van in, nee’ (dossierpagina’s 90-91). Voorts stelt het hof vast dat op 19 december 2023 een machtiging tot het binnentreden van de woning van [slachtoffer 2] is afgegeven voor de inbeslagneming van gegevensdragers en camera’s (dossierpagina’s 100-101). Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] betraden vervolgens op 19 december 2023 de woning ter inslagneming (dossierpagina’s 98-99). Zij zagen dat er in de woning, in het zicht, op negen locaties camera’s stonden/hingen. Deze camera’s zijn vervolgens in beslag genomen en onderzocht. In drie van de negen camera’s zijn SD-kaartjes aangetroffen die in beslag zijn genomen ter waarheidsvinding. Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat verbalisanten op 18 december 2023 de woning van [slachtoffer 2] met diens toestemming hebben betreden. Daarbij hebben zij in de woning zoekend rondgekeken en is geen sprake geweest van een doorzoeking van de woning. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat de deur van de wasmachine waarin de twee bebloede shirts zijn aangetroffen openstond. Voorts stelt het hof vast dat de negen camera’s met daarin de drie SD-kaarten in het directe zicht van de verbalisanten stonden/hingen. Deze camera’s inclusief SD-kaarten zijn derhalve naar het oordeel van het hof eveneens bij zoekend rondkijken in de woning van [slachtoffer 2] door verbalisanten aangetroffen en vervolgens inbeslaggenomen, en niet als resultaat van een doorzoeking van [slachtoffer 2] woning. Uit het dossier blijkt niet dat de camera’s (ter plaatse) zijn geopend. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre dan ook verworpen. Ten aanzien van het onderzoek aan de in de woning van [slachtoffer 2] inbeslaggenomen SD-kaarten overweegt het hof als volgt. Indien een onderzoek van gegevens op een digitale gegevensdrager – zoals een SD-kaart – zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, vloeit uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of er wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden. Op basis van de inhoud van het dossier concludeert het hof dat [slachtoffer 2] kan worden aangemerkt als gebruiker van de in zijn woning aangetroffen gegevensdragers. Op basis van de inhoud van die gegevensdragers was te voorzien dat van hem een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van zijn persoonlijk leven kan worden verkregen. Dit impliceert dat de rechter-commissaris – volgens de Landeck-jurisprudentie – had moeten overwegen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek hadden dienen te worden verbonden, hetgeen niet is gebeurd. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte evenwel niet ook als gebruiker van de aangetroffen gegevensdragers worden aangemerkt. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat [slachtoffer 2] weliswaar heeft verklaard dat hij een relatie heeft met de verdachte, maar ook dat hij niet met de verdachte samenwoont, dat zij niet staat ingeschreven op zijn adres, alsmede dat de verdachte geen sleutel heeft van zijn woning in [plaats] . Ook de verdachte heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 2] niet samenwonen en dat zij beiden een eigen huis hebben. Gelet op het vorenstaande en de Landeck-jurisprudentie ziet het hof zich voor de vraag gesteld of met het onderzoek naar de gegevens op de SD-kaarten van [slachtoffer 2] in de zaak van de verdachte vormen onherstelbaar zijn verzuimd, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof stelt vast dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking heeft op vormverzuimen in het vooronderzoek tegen een verdachte, ter zake van het aan die verdachte tenlastegelegde feit. Het Schutznormbeginsel is hierbij van betekenis en houdt in dat als die verdachte niet zelf (maar een ander) is getroffen in een (verdedigings)belang dat door het geschonden vormvoorschrift wordt beschermd, er in de regel geen rechtsgevolg zal worden verbonden aan het verzuim. Het hof is van oordeel dat een onrechtmatigheid jegens [slachtoffer 2] – die als gebruiker van de desbetreffende gegevensdragers kan worden beschouwd – gelet op de Schutznorm niet relevant is in de zaak van de verdachte.
Volledig
Uit de inhoud van het dossier blijkt namelijk dat de SD-kaarten – met daarop potentieel gezien camerabeelden die in een woning zijn gemaakt – niet alleen in beslag zijn genomen, maar ook dat de camera’s zijn geopend om daarin te kijken en te zoeken naar de SD-kaarten. Dit kan niet als zoekend rondkijken worden aangemerkt. Gelet op artikel 126nd en 126nf van het Wetboek van Strafvordering was een voorafgaande schriftelijke vordering van de officier van justitie en een machtiging van de rechter-commissaris vereist. De verkregen resultaten dienen gelet op de ernst van de schending te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van een schending van artikel 12 van de Grondwet, alsmede van artikel 6 en artikel 8 van het EVRM. De schendingen en inbreuken zijn fors en grijpen diep in op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en van [slachtoffer 2] . Deze schending en inbreuk zijn bovendien onherroepelijk en kunnen niet worden hersteld of gecompenseerd, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Bij een binnentreding hebben politieambtenaren de bevoegdheid om zoekend rond te kijken. Voor zover de betreden plaats een woning betreft, kan dit zoekend rondkijken zich uitstrekken tot alle vertrekken die deel uitmaken van de woning, voor zover zij niet zijn afgesloten. Het doorzoeken van een woning is een bevoegdheid die verder gaat dan alleen het zoekend rondkijken. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat verbalisanten op 18 december 2023 aan [slachtoffer 2] hebben medegedeeld dat zij zijn woning, gelegen aan [adres] , wilden doorzoeken om te kijken of daar geen strafbare feiten waren gepleegd, dat [slachtoffer 2] verklaarde dat dit goed was, dat hij zijn huissleutel heeft overhandigd en dat hij heeft gezegd dat verbalisanten mochten kijken (dossierpagina’s 84-85). Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina’s 50-52) blijkt dat zij op 18 december 2023, omstreeks 22:35 uur, de woning van [slachtoffer 2] voor de eerste keer betraden. Zij zagen onder meer dat er een vleesmes op het aanrecht in de keuken lag. Voorts viel het de verbalisanten op dat in de woning meerdere camera’s stonden en/of hingen. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten de woning hebben verlaten en dat zij op 18 december 2023, omstreeks 23:15 uur, de woning nogmaals hebben betreden voor het maken van fotografische opnames. In de ‘waskamer’ in de woning van [slachtoffer 2] zagen verbalisanten dat er in een wasmachine twee shirts zaten en dat daar bloed op zat en voorts dat in beide shirts een gat/snee zat van ongeveer 1,5 centimeter. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren in het proces-verbaal van bevindingen van 31 januari 2024 dat de deur van de wasmachine waarin de bebloede shirts lagen, openstond (dossierpagina’s 82-83). Uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] blijkt dat zij op 19 december 2023 met [slachtoffer 2] hebben gesproken om te kijken of hij een verklaring wilde afleggen en of hij aangifte wenste te doen. Bij die gelegenheid werd aan [slachtoffer 2] ook gevraagd of hij toestemming gaf voor doorzoeking van zijn woning. Hierop heeft [slachtoffer 2] geantwoord: ‘Ik zie er geen nut van in, nee’ (dossierpagina’s 90-91). Voorts stelt het hof vast dat op 19 december 2023 een machtiging tot het binnentreden van de woning van [slachtoffer 2] is afgegeven voor de inbeslagneming van gegevensdragers en camera’s (dossierpagina’s 100-101). Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] betraden vervolgens op 19 december 2023 de woning ter inslagneming (dossierpagina’s 98-99). Zij zagen dat er in de woning, in het zicht, op negen locaties camera’s stonden/hingen. Deze camera’s zijn vervolgens in beslag genomen en onderzocht. In drie van de negen camera’s zijn SD-kaartjes aangetroffen die in beslag zijn genomen ter waarheidsvinding. Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat verbalisanten op 18 december 2023 de woning van [slachtoffer 2] met diens toestemming hebben betreden. Daarbij hebben zij in de woning zoekend rondgekeken en is geen sprake geweest van een doorzoeking van de woning. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat de deur van de wasmachine waarin de twee bebloede shirts zijn aangetroffen openstond. Voorts stelt het hof vast dat de negen camera’s met daarin de drie SD-kaarten in het directe zicht van de verbalisanten stonden/hingen. Deze camera’s inclusief SD-kaarten zijn derhalve naar het oordeel van het hof eveneens bij zoekend rondkijken in de woning van [slachtoffer 2] door verbalisanten aangetroffen en vervolgens inbeslaggenomen, en niet als resultaat van een doorzoeking van [slachtoffer 2] woning. Uit het dossier blijkt niet dat de camera’s (ter plaatse) zijn geopend. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre dan ook verworpen. Ten aanzien van het onderzoek aan de in de woning van [slachtoffer 2] inbeslaggenomen SD-kaarten overweegt het hof als volgt. Indien een onderzoek van gegevens op een digitale gegevensdrager – zoals een SD-kaart – zo verstrekkend is dat op voorhand is te voorzien dat een min of meer compleet beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van die gegevensdrager, vloeit uit de enkele beslissing tot inbeslagneming niet zonder meer voort dat gegevens op die digitale-gegevensdragers mogen worden onderzocht. Indien een dergelijke voorzienbaarheid zich voordoet, zal door de rechter-commissaris die de inbeslaggenomen gegevensdragers voor onderzoek overdraagt aan een opsporingsdienst, moeten worden overwogen of er wel of niet beperkingen aan dat onderzoek dienen te worden verbonden. Op basis van de inhoud van het dossier concludeert het hof dat [slachtoffer 2] kan worden aangemerkt als gebruiker van de in zijn woning aangetroffen gegevensdragers. Op basis van de inhoud van die gegevensdragers was te voorzien dat van hem een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van zijn persoonlijk leven kan worden verkregen. Dit impliceert dat de rechter-commissaris – volgens de Landeck-jurisprudentie – had moeten overwegen of wel of niet beperkingen aan dat onderzoek hadden dienen te worden verbonden, hetgeen niet is gebeurd. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte evenwel niet ook als gebruiker van de aangetroffen gegevensdragers worden aangemerkt. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat [slachtoffer 2] weliswaar heeft verklaard dat hij een relatie heeft met de verdachte, maar ook dat hij niet met de verdachte samenwoont, dat zij niet staat ingeschreven op zijn adres, alsmede dat de verdachte geen sleutel heeft van zijn woning in [plaats] . Ook de verdachte heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 2] niet samenwonen en dat zij beiden een eigen huis hebben. Gelet op het vorenstaande en de Landeck-jurisprudentie ziet het hof zich voor de vraag gesteld of met het onderzoek naar de gegevens op de SD-kaarten van [slachtoffer 2] in de zaak van de verdachte vormen onherstelbaar zijn verzuimd, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof stelt vast dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking heeft op vormverzuimen in het vooronderzoek tegen een verdachte, ter zake van het aan die verdachte tenlastegelegde feit. Het Schutznormbeginsel is hierbij van betekenis en houdt in dat als die verdachte niet zelf (maar een ander) is getroffen in een (verdedigings)belang dat door het geschonden vormvoorschrift wordt beschermd, er in de regel geen rechtsgevolg zal worden verbonden aan het verzuim. Het hof is van oordeel dat een onrechtmatigheid jegens [slachtoffer 2] – die als gebruiker van de desbetreffende gegevensdragers kan worden beschouwd – gelet op de Schutznorm niet relevant is in de zaak van de verdachte.
Volledig
Gelet op hetgeen [slachtoffer 2] en de verdachte hebben verklaard – zoals dat hiervoor is weergegeven – is de verdachte niet zelf getroffen in een (verdedigings)belang dat door het geschonden vormvoorschrift wordt beschermd. Anders dan de verdediging heeft bepleit zal dan ook geen rechtsgevolg worden verbonden aan het verzuim. De verweren van de verdediging met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs worden verworpen in al hun onderdelen. Vaststelling van feiten Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts bepleit dat onvoldoende is komen vast te staan wat het precieze letsel van [slachtoffer 2] was en hoe dat letsel precies is ontstaan. Er zijn bovendien geen omstandigheden op basis waarvan in voldoende mate kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. De kans dat als gevolg van eventueel door de verdachte toegepast geweld de dood van [slachtoffer 2] zou intreden kan ook niet als aanmerkelijk worden gekwalificeerd, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat [slachtoffer 2] en de verdachte zich in de avond en nacht van 17 op 18 december 2023 bevonden in [slachtoffer 2] woning in [plaats] . Op de camerabeelden die in de woning zijn gemaakt is een woordenwisseling te horen. Verder is daaruit op te maken dat de verdachte zich ten opzichte van [slachtoffer 2] (zeer) dominant gedroeg. Voorts is te zien dat de verdachte op enig moment bukte en dat zij een (keuken)mes pakte. Er ontstond een worsteling waarbij de verdachte een stekende beweging richting het been en/of de voet van [slachtoffer 2] heeft gemaakt. Vervolgens ging de worsteling verder bij/ter hoogte van de bank. De verdachte hield het mes nog steeds vast met de punt van het mes naar beneden gericht, richting de plek waar [slachtoffer 2] lag. Terwijl [slachtoffer 2] kermt van de pijn en zijn stem zwakker werd, zei de verdachte onder meer tegen hem: “Wil jij niet dood? (...) Je vraagt hierom (...) jij zal weten met wie je te maken hebt. (...) Jij wil toch dat ik vast kom te zitten, dan zal ik je een reden geven”. [slachtoffer 2] kreunde herhaaldelijk, hij praatte moeilijk en ademde zwaar. Wanneer [slachtoffer 2] opstond, liep hij onvast en zakte hij door zijn benen. Voorts depte de verdachte op enig moment met een doekje op zijn linkerborst. [slachtoffer 2] heeft op enig moment het alarmnummer 112 gebeld, waarna hij met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Volgens een verpleegkundige had [slachtoffer 2] onder andere een wond van 1,5 centimeter in de thorax. In de woning van [slachtoffer 2] is onder andere op de bank bloed aangetroffen, een mes met een lemmet van 18-20 centimeter en twee stuks kleding waarin een (steek)gat zichtbaar was. In het ziekenhuis heeft [slachtoffer 2] verklaard over een ruzie met de verdachte; de verdachte had een voorwerp vast dat leek op een keukenmes, waardoor hij mogelijk is geraakt. Het (ontstaan van het) letsel Gelet op het vorenstaande en de inhoud van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat bij [slachtoffer 2] een steekwond van 1,5 centimeter in de thorax is toegebracht. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verpleegkundige heeft verklaard over een wond van 1,5 centimeter in de thorax, in de woning van [slachtoffer 2] een keukenmes is aangetroffen en uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte tijdens de worsteling met [slachtoffer 2] een mes vasthield en daarmee een stekende beweging in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2] heeft gemaakt, alsmede het mes met de punt ook op een moment naar beneden heeft gericht, richting de plek waar [slachtoffer 2] lag. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] dat hij op de camerabeelden heeft gehoord dat de verdachte vermoedelijk een telefoongesprek heeft gevoerd en dat zij heeft gezegd ‘Ja, het is kassa. Ik heb hem gestoken’. Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op de stelling van de voorzitter, luidende: ‘stel dat het hof vindt dat u opzettelijk heeft gestoken’ gereageerd met: ‘het was niet opzettelijk’. Het hof concludeert dan ook dat de steekwond is ontstaan doordat de verdachte [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken. (Voorwaardelijk) opzet Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 2] . Het hof dient derhalve te beoordelen of de verdachte met haar handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood – aanwezig is indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat een verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij of zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op basis van de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden. De verdachte heeft met een (keuken)mes – dat een lemmet had van 18-20 centimeter – stekende beweging(en) gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] , terwijl er sprake was van een worsteling en zij beiden in beweging waren. De verdachte heeft het slachtoffer daarbij met het mes in de linkerborstkas/hartstreek geraakt. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat sprake is van een steekverwonding in de thorax van 1,5 centimeter. Het hof maakt hieruit op dat de stekende beweging(en) met kracht is/zijn gemaakt, zoals ook is te zien op de camerabeelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen, zoals het hart en de longen, en belangrijke (slag)aders bevinden. Ook kan als algemeen bekend worden verondersteld dat bij het (met kracht) steken in (de richting van) het bovenlichaam, tijdens een worsteling/gevecht, de aanmerkelijke kans bestaat dat letsel wordt veroorzaakt aan vitale structuren of organen dat tot de dood kan leiden. Dat is een algemene ervaringsregel, zodat eenieder – dus ook de verdachte – wetenschap heeft gehad van het bestaan van deze aanmerkelijke kans en zij die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging dus bewust heeft aanvaard. Conclusie Gelet de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. De verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt in alle onderdelen verworpen. Ten aanzien van feit 2 De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte betwist dat zij [slachtoffer 1] heeft geschopt. Het verweer van de verdediging vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het verweer geen nadere bespreking behoeft. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: poging tot doodslag. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Volledig
Gelet op hetgeen [slachtoffer 2] en de verdachte hebben verklaard – zoals dat hiervoor is weergegeven – is de verdachte niet zelf getroffen in een (verdedigings)belang dat door het geschonden vormvoorschrift wordt beschermd. Anders dan de verdediging heeft bepleit zal dan ook geen rechtsgevolg worden verbonden aan het verzuim. De verweren van de verdediging met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs worden verworpen in al hun onderdelen. Vaststelling van feiten Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging voorts bepleit dat onvoldoende is komen vast te staan wat het precieze letsel van [slachtoffer 2] was en hoe dat letsel precies is ontstaan. Er zijn bovendien geen omstandigheden op basis waarvan in voldoende mate kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. De kans dat als gevolg van eventueel door de verdachte toegepast geweld de dood van [slachtoffer 2] zou intreden kan ook niet als aanmerkelijk worden gekwalificeerd, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat [slachtoffer 2] en de verdachte zich in de avond en nacht van 17 op 18 december 2023 bevonden in [slachtoffer 2] woning in [plaats] . Op de camerabeelden die in de woning zijn gemaakt is een woordenwisseling te horen. Verder is daaruit op te maken dat de verdachte zich ten opzichte van [slachtoffer 2] (zeer) dominant gedroeg. Voorts is te zien dat de verdachte op enig moment bukte en dat zij een (keuken)mes pakte. Er ontstond een worsteling waarbij de verdachte een stekende beweging richting het been en/of de voet van [slachtoffer 2] heeft gemaakt. Vervolgens ging de worsteling verder bij/ter hoogte van de bank. De verdachte hield het mes nog steeds vast met de punt van het mes naar beneden gericht, richting de plek waar [slachtoffer 2] lag. Terwijl [slachtoffer 2] kermt van de pijn en zijn stem zwakker werd, zei de verdachte onder meer tegen hem: “Wil jij niet dood? (...) Je vraagt hierom (...) jij zal weten met wie je te maken hebt. (...) Jij wil toch dat ik vast kom te zitten, dan zal ik je een reden geven”. [slachtoffer 2] kreunde herhaaldelijk, hij praatte moeilijk en ademde zwaar. Wanneer [slachtoffer 2] opstond, liep hij onvast en zakte hij door zijn benen. Voorts depte de verdachte op enig moment met een doekje op zijn linkerborst. [slachtoffer 2] heeft op enig moment het alarmnummer 112 gebeld, waarna hij met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Volgens een verpleegkundige had [slachtoffer 2] onder andere een wond van 1,5 centimeter in de thorax. In de woning van [slachtoffer 2] is onder andere op de bank bloed aangetroffen, een mes met een lemmet van 18-20 centimeter en twee stuks kleding waarin een (steek)gat zichtbaar was. In het ziekenhuis heeft [slachtoffer 2] verklaard over een ruzie met de verdachte; de verdachte had een voorwerp vast dat leek op een keukenmes, waardoor hij mogelijk is geraakt. Het (ontstaan van het) letsel Gelet op het vorenstaande en de inhoud van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat bij [slachtoffer 2] een steekwond van 1,5 centimeter in de thorax is toegebracht. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verpleegkundige heeft verklaard over een wond van 1,5 centimeter in de thorax, in de woning van [slachtoffer 2] een keukenmes is aangetroffen en uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte tijdens de worsteling met [slachtoffer 2] een mes vasthield en daarmee een stekende beweging in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2] heeft gemaakt, alsmede het mes met de punt ook op een moment naar beneden heeft gericht, richting de plek waar [slachtoffer 2] lag. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] dat hij op de camerabeelden heeft gehoord dat de verdachte vermoedelijk een telefoongesprek heeft gevoerd en dat zij heeft gezegd ‘Ja, het is kassa. Ik heb hem gestoken’. Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op de stelling van de voorzitter, luidende: ‘stel dat het hof vindt dat u opzettelijk heeft gestoken’ gereageerd met: ‘het was niet opzettelijk’. Het hof concludeert dan ook dat de steekwond is ontstaan doordat de verdachte [slachtoffer 2] met een mes heeft gestoken. (Voorwaardelijk) opzet Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 2] . Het hof dient derhalve te beoordelen of de verdachte met haar handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in het onderhavige geval de dood – aanwezig is indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat een verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij of zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op basis van de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] . Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden. De verdachte heeft met een (keuken)mes – dat een lemmet had van 18-20 centimeter – stekende beweging(en) gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] , terwijl er sprake was van een worsteling en zij beiden in beweging waren. De verdachte heeft het slachtoffer daarbij met het mes in de linkerborstkas/hartstreek geraakt. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat sprake is van een steekverwonding in de thorax van 1,5 centimeter. Het hof maakt hieruit op dat de stekende beweging(en) met kracht is/zijn gemaakt, zoals ook is te zien op de camerabeelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen, zoals het hart en de longen, en belangrijke (slag)aders bevinden. Ook kan als algemeen bekend worden verondersteld dat bij het (met kracht) steken in (de richting van) het bovenlichaam, tijdens een worsteling/gevecht, de aanmerkelijke kans bestaat dat letsel wordt veroorzaakt aan vitale structuren of organen dat tot de dood kan leiden. Dat is een algemene ervaringsregel, zodat eenieder – dus ook de verdachte – wetenschap heeft gehad van het bestaan van deze aanmerkelijke kans en zij die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging dus bewust heeft aanvaard. Conclusie Gelet de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. De verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt in alle onderdelen verworpen. Ten aanzien van feit 2 De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte betwist dat zij [slachtoffer 1] heeft geschopt. Het verweer van de verdediging vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het verweer geen nadere bespreking behoeft. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: poging tot doodslag. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Volledig
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sancties Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De verdediging heeft bepleit dat het hof – indien en voor zover het tot een bewezenverklaring mocht komen – een straf zal opleggen die in overeenstemming is met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de strafoplegging in soortgelijke zaken. Bovendien heeft de verdediging gewezen op de omstandigheden dat [slachtoffer 2] binnen enkele dagen uit het ziekenhuis is ontslagen en geen letsel heeft overgehouden, alsmede op het feit dat [slachtoffer 2] nooit een strafrechtelijke vervolging en strafoplegging voor de verdachte heeft gewenst. [slachtoffer 2] bezoekt de verdachte nu al meer dan twee jaren iedere week in de penitentiaire inrichting en is tegenstander van oplegging van een straf of Tbs-maatregel aan de verdachte. Voorts heeft de verdediging bepleit dat niet tot oplegging van een Tbs-maatregel kan worden gekomen, nu aan de voorwaarden om die maatregel te kunnen opleggen niet is voldaan. Een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis waarvan bij de verdachte sprake zou zijn, is namelijk niet genoeg om tot de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen komen. Het moet ook gaan om een verworven stoornis die de ernst van het delict in de hand heeft gewerkt en de kans op herhaling vergroot. Het is niet, althans niet onomstotelijk vastgesteld dat daarvan sprake was. Ook hebben de deskundigen onvoldoende zicht gekregen op (de aard en de omvang van) het recidivegevaar en hebben zij evenmin een helder advies gegeven met betrekking tot het al dan niet opleggen van een behandeling binnen een gedwongen kader. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van de feiten Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , alsmede aan mishandeling van verbalisant [slachtoffer 1] . De verdachte heeft met haar handelen op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder zwaar aan dat zij in de relationele sfeer, in de eigen woning van [slachtoffer 2] gebruik heeft gemaakt van een steekwapen. De verdachte heeft met haar gedragingen welbewust levensbedreigend gevaar voor [slachtoffer 2] doen ontstaan. Tegelijkertijd houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat het hof er niet van uitgaat dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 2] . Persoon van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere wegens poging tot doodslag. Uit een aan het dossier toegevoegd afschrift van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 19 september 2011 blijkt dat die eerdere veroordeling wegens poging tot doodslag evenals de onderhavige zaak is begaan in de relationele sfeer. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een Pro Justitia Rapportage betreffende de verdachte, opgesteld door [psycholoog] , GZ-psycholoog en [psychiater] , psychiater d.d. 24 maart 2025. In dit rapport hebben de deskundigen onder andere het volgende beschreven: ‘Betrokkene heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. (...) Elk contact met onderzoekers heeft betrokkene resoluut afgewezen waardoor er geen onderzoeksgesprekken, geen psychologisch testonderzoek. psychomotorische observatie en neurologisch onderzoek hebben kunnen plaatsvinden. (...) Desondanks heeft betrokkene zich dagelijks laten observeren op de afdeling wat een grote bijdrage heeft geleverd naast de beschikbaar gekomen informatie om de diagnostiek in grote lijnen te kunnen omschrijven. De verdieping hierin ontbreekt echter. De weigering van betrokkene lijkt grotendeels samen te hangen met de bij haar aanwezige psychopathologie. Ondanks de beperkingen in het onderzoek is er op basis van het milieuonderzoek, de collaterale informatie en de groepsobservaties wel enig zicht op betrokkenes (dis)functioneren verkregen. Afgaande op de verzamelde informatie zijn er aanwijzingen dat er bij betrokkene sprake is van cognitief functioneren op een licht verstandelijk beperkt tot laag begaafd niveau, hetgeen de persoonlijkheidsontwikkeling vermoedelijk ongunstig heeft beïnvloed. Voorgenoemde informatie in combinatie met de observaties in detentie, laten blijken dat betrokkenes reflectieve-, empathische- en mentaliserende vermogen gering is. Daarbij komen (forse) emotie- en agressieregulatie problemen naar voren, waarmee voldoende grond is om te stellen dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De persoonlijkheidskenmerken zouden kunnen passen bij (trekken van) een paranoïde, borderline of narcistische persoonlijkheidsstoornis, echter is de precieze aard van de persoonlijkheidsstoornis niet met zekerheid vast te stellen vanwege onvoldoende zicht op de innerlijke belevingswereld van betrokkene. (...) Al met al stellen onderzoekers dat er bij betrokkene een langdurig patroon van disfunctioneren bestaat, zowel in het dagelijks leven als op het gebied van interpersoonlijk contact en binnen relaties. Om die reden wordt - zoals genoemd - een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, met daarnaast zeer sterke aanwijzingen voor een (forensisch relevante) beperking in het cognitief functioneren. Andere stoornissen (zoals middelengebruik, autismespectrumstoornis, stemming-, angst of traumaproblematiek) zijn niet met volledige zekerheid uit te sluiten. De chroniciteit en ernst van de bovenbeschreven psychopathologie, maakt dat gesteld kan worden dat dit ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezenverklaard, ook aan de orde was. (...) Onderzoekers adviseren - gelet op de doorwerking van de beschreven psychopathologie - de ten laste gelegde feiten in een ten minste enigszins verminderde mate toe te rekenen. (…) Vanwege de beperkingen van het onderzoek, is bovendien onvoldoende (betrouwbare) informatie verkregen om een valide inschatting te kunnen maken van het recidiverisico, ook niet op basis van de gestructureerde risicotaxatie-instrumenten (zoals de HCR-20V3 aangevuld met de FAM). Wel zijn er enkele zorgelijke factoren te noemen. Betrokkene en haar partner hebben de relatie voortgezet, waarbij het onderzoekers ontbreekt aan zicht op de onderlinge verhoudingen en in welke mate het conflict, dat heeft geleid tot het ten laste gelegde, nog aan de orde is. Daarnaast heeft betrokkene geen eigen woonruimte meer, waarmee denkbaar is dat zij bij vrijlating bij haar partner zal intrekken.
Volledig
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sancties Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De verdediging heeft bepleit dat het hof – indien en voor zover het tot een bewezenverklaring mocht komen – een straf zal opleggen die in overeenstemming is met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de strafoplegging in soortgelijke zaken. Bovendien heeft de verdediging gewezen op de omstandigheden dat [slachtoffer 2] binnen enkele dagen uit het ziekenhuis is ontslagen en geen letsel heeft overgehouden, alsmede op het feit dat [slachtoffer 2] nooit een strafrechtelijke vervolging en strafoplegging voor de verdachte heeft gewenst. [slachtoffer 2] bezoekt de verdachte nu al meer dan twee jaren iedere week in de penitentiaire inrichting en is tegenstander van oplegging van een straf of Tbs-maatregel aan de verdachte. Voorts heeft de verdediging bepleit dat niet tot oplegging van een Tbs-maatregel kan worden gekomen, nu aan de voorwaarden om die maatregel te kunnen opleggen niet is voldaan. Een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis waarvan bij de verdachte sprake zou zijn, is namelijk niet genoeg om tot de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen komen. Het moet ook gaan om een verworven stoornis die de ernst van het delict in de hand heeft gewerkt en de kans op herhaling vergroot. Het is niet, althans niet onomstotelijk vastgesteld dat daarvan sprake was. Ook hebben de deskundigen onvoldoende zicht gekregen op (de aard en de omvang van) het recidivegevaar en hebben zij evenmin een helder advies gegeven met betrekking tot het al dan niet opleggen van een behandeling binnen een gedwongen kader. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de op te leggen sancties heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van de feiten Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , alsmede aan mishandeling van verbalisant [slachtoffer 1] . De verdachte heeft met haar handelen op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder zwaar aan dat zij in de relationele sfeer, in de eigen woning van [slachtoffer 2] gebruik heeft gemaakt van een steekwapen. De verdachte heeft met haar gedragingen welbewust levensbedreigend gevaar voor [slachtoffer 2] doen ontstaan. Tegelijkertijd houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat het hof er niet van uitgaat dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 2] . Persoon van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere wegens poging tot doodslag. Uit een aan het dossier toegevoegd afschrift van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 19 september 2011 blijkt dat die eerdere veroordeling wegens poging tot doodslag evenals de onderhavige zaak is begaan in de relationele sfeer. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een Pro Justitia Rapportage betreffende de verdachte, opgesteld door [psycholoog] , GZ-psycholoog en [psychiater] , psychiater d.d. 24 maart 2025. In dit rapport hebben de deskundigen onder andere het volgende beschreven: ‘Betrokkene heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. (...) Elk contact met onderzoekers heeft betrokkene resoluut afgewezen waardoor er geen onderzoeksgesprekken, geen psychologisch testonderzoek. psychomotorische observatie en neurologisch onderzoek hebben kunnen plaatsvinden. (...) Desondanks heeft betrokkene zich dagelijks laten observeren op de afdeling wat een grote bijdrage heeft geleverd naast de beschikbaar gekomen informatie om de diagnostiek in grote lijnen te kunnen omschrijven. De verdieping hierin ontbreekt echter. De weigering van betrokkene lijkt grotendeels samen te hangen met de bij haar aanwezige psychopathologie. Ondanks de beperkingen in het onderzoek is er op basis van het milieuonderzoek, de collaterale informatie en de groepsobservaties wel enig zicht op betrokkenes (dis)functioneren verkregen. Afgaande op de verzamelde informatie zijn er aanwijzingen dat er bij betrokkene sprake is van cognitief functioneren op een licht verstandelijk beperkt tot laag begaafd niveau, hetgeen de persoonlijkheidsontwikkeling vermoedelijk ongunstig heeft beïnvloed. Voorgenoemde informatie in combinatie met de observaties in detentie, laten blijken dat betrokkenes reflectieve-, empathische- en mentaliserende vermogen gering is. Daarbij komen (forse) emotie- en agressieregulatie problemen naar voren, waarmee voldoende grond is om te stellen dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De persoonlijkheidskenmerken zouden kunnen passen bij (trekken van) een paranoïde, borderline of narcistische persoonlijkheidsstoornis, echter is de precieze aard van de persoonlijkheidsstoornis niet met zekerheid vast te stellen vanwege onvoldoende zicht op de innerlijke belevingswereld van betrokkene. (...) Al met al stellen onderzoekers dat er bij betrokkene een langdurig patroon van disfunctioneren bestaat, zowel in het dagelijks leven als op het gebied van interpersoonlijk contact en binnen relaties. Om die reden wordt - zoals genoemd - een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, met daarnaast zeer sterke aanwijzingen voor een (forensisch relevante) beperking in het cognitief functioneren. Andere stoornissen (zoals middelengebruik, autismespectrumstoornis, stemming-, angst of traumaproblematiek) zijn niet met volledige zekerheid uit te sluiten. De chroniciteit en ernst van de bovenbeschreven psychopathologie, maakt dat gesteld kan worden dat dit ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezenverklaard, ook aan de orde was. (...) Onderzoekers adviseren - gelet op de doorwerking van de beschreven psychopathologie - de ten laste gelegde feiten in een ten minste enigszins verminderde mate toe te rekenen. (…) Vanwege de beperkingen van het onderzoek, is bovendien onvoldoende (betrouwbare) informatie verkregen om een valide inschatting te kunnen maken van het recidiverisico, ook niet op basis van de gestructureerde risicotaxatie-instrumenten (zoals de HCR-20V3 aangevuld met de FAM). Wel zijn er enkele zorgelijke factoren te noemen. Betrokkene en haar partner hebben de relatie voortgezet, waarbij het onderzoekers ontbreekt aan zicht op de onderlinge verhoudingen en in welke mate het conflict, dat heeft geleid tot het ten laste gelegde, nog aan de orde is. Daarnaast heeft betrokkene geen eigen woonruimte meer, waarmee denkbaar is dat zij bij vrijlating bij haar partner zal intrekken.
Volledig
Ook de vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek met bijkomende problemen op het gebied van instabiliteit en het beperkte inzicht in de stoornis, worden door onderzoekers gezien als risicofactoren. De verwachting is dat betrokkene in samenhang daarmee gauw in conflict met anderen zal raken, wat tot ernstige gevolgen kan leiden (zoals bij de huidige ten laste gelegde feiten, indien bewezen). Betrokkene heeft aangegeven niet open te staan voor bemoeienis vanuit de hulpverlening en/of justitie. Passend bij de gestelde problematiek zou de responsiviteit vermoedelijk ook beperkt zijn.’ Ter terechtzitting in hoger beroep is met de verdachte besproken dat bij voornoemd vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 19 september 2011 onder andere bijzondere voorwaarden (een meldingsgebod, een behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang) aan haar zijn opgelegd. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij die voorwaarden is nagekomen en dat zij – indien en voor zover het hof daartoe zou besluiten – wederom bereid is om mee te werken aan en zich zal houden aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat zij niet bereid is om haar medewerking te verlenen aan een onderzoek ten behoeve van het opmaken van een maatregelenrapport. Op te leggen gevangenisstraf Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Rapporteurs [psychiater] en [psycholoog] hebben geadviseerd om het tenlastegelegde in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof neemt dit advies over en zal dit meewegen bij de bepaling van de (hoogte van) op te leggen gevangenisstraf. Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf heeft het hof zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, dient de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden te worden afgedaan om een termijnoverschrijding te voorkomen. De redelijke termijn is aangevangen op 19 december 2023, de dag waarop de verdachte voor de onderhavige zaak in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 11 juni 2025 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer twee maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt niet aan de verdachte te wijten. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren (72 maanden) met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is. Op te leggen maatregel De rechtbank heeft aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof die maatregel ook aan de verdachte zal opleggen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt voorop dat een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een (voor de verdachte) zeer ingrijpende maatregel betreft. Voor oplegging van een dergelijke maatregel is vereist dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, op het gepleegde misdrijf een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist. Op basis van de inhoud van het rapport van [psychiater] en [psycholoog] concludeert het hof dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en dat die ook – gelet op de chroniciteit en de ernst van de psychopathologie – ten tijde van het plegen van de feiten bestond. Voorts is aan het vereiste voldaan dat op het gepleegde misdrijf – de onder 1 primair bewezenverklaarde poging tot doodslag – een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voor wat betreft het gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen hebben de deskundigen beschreven dat er zorgelijke factoren bestaan. Het hof deelt die zorgen ook. Bij de beoordeling van het recidiverisico kan eveneens worden betrokken dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit, dat eveneens in de relationele sfeer heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de rapporteurs hebben beschreven dat zij geen valide inschatting van het risico op recidive hebben kunnen maken. Al met al concludeert het hof dat een gevaar op herhaling niet kan worden uitgesloten en nog aanwezig kan worden geacht, doch dat zulks de oplegging van een ingrijpende maatregel als de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in dit specifieke geval niet zonder meer rechtvaardigt. Het hof zal dan ook – anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal is gevorderd – aan de verdachte geen tbs-maatregel opleggen. Gelet op het vorenstaande acht het hof het wel noodzakelijk dat de verdachte na afloop van de op te leggen gevangenisstraf onder toezicht wordt gesteld en/of (ambulante) behandeling krijgt. Het hof is dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Op die manier wordt het mogelijk om de verdachte in aansluiting op de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dit op dat moment nog noodzakelijk wordt geacht. Omdat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en niet openstaat voor een (nader) persoonlijkheidsonderzoek, is niet duidelijk geworden wat haar drijfveren precies zijn geweest en hoe recidive in de toekomst moet worden voorkomen. Oplegging van deze maatregel acht het hof dan ook noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Beslag Op basis van de inhoud van de gedingstukken stelt het hof vast dat onder het slachtoffer [slachtoffer 2] verschillende goederen in beslag zijn genomen. Het hof zal de teruggave daarvan aan het slachtoffer gelasten, nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen (nog) verzet.
Volledig
Ook de vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek met bijkomende problemen op het gebied van instabiliteit en het beperkte inzicht in de stoornis, worden door onderzoekers gezien als risicofactoren. De verwachting is dat betrokkene in samenhang daarmee gauw in conflict met anderen zal raken, wat tot ernstige gevolgen kan leiden (zoals bij de huidige ten laste gelegde feiten, indien bewezen). Betrokkene heeft aangegeven niet open te staan voor bemoeienis vanuit de hulpverlening en/of justitie. Passend bij de gestelde problematiek zou de responsiviteit vermoedelijk ook beperkt zijn.’ Ter terechtzitting in hoger beroep is met de verdachte besproken dat bij voornoemd vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 19 september 2011 onder andere bijzondere voorwaarden (een meldingsgebod, een behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang) aan haar zijn opgelegd. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij die voorwaarden is nagekomen en dat zij – indien en voor zover het hof daartoe zou besluiten – wederom bereid is om mee te werken aan en zich zal houden aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat zij niet bereid is om haar medewerking te verlenen aan een onderzoek ten behoeve van het opmaken van een maatregelenrapport. Op te leggen gevangenisstraf Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Rapporteurs [psychiater] en [psycholoog] hebben geadviseerd om het tenlastegelegde in enigszins verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof neemt dit advies over en zal dit meewegen bij de bepaling van de (hoogte van) op te leggen gevangenisstraf. Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf heeft het hof zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, dient de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden te worden afgedaan om een termijnoverschrijding te voorkomen. De redelijke termijn is aangevangen op 19 december 2023, de dag waarop de verdachte voor de onderhavige zaak in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen haar door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 11 juni 2025 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer twee maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt niet aan de verdachte te wijten. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren (72 maanden) met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is. Op te leggen maatregel De rechtbank heeft aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof die maatregel ook aan de verdachte zal opleggen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt voorop dat een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een (voor de verdachte) zeer ingrijpende maatregel betreft. Voor oplegging van een dergelijke maatregel is vereist dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, op het gepleegde misdrijf een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist. Op basis van de inhoud van het rapport van [psychiater] en [psycholoog] concludeert het hof dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en dat die ook – gelet op de chroniciteit en de ernst van de psychopathologie – ten tijde van het plegen van de feiten bestond. Voorts is aan het vereiste voldaan dat op het gepleegde misdrijf – de onder 1 primair bewezenverklaarde poging tot doodslag – een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voor wat betreft het gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen hebben de deskundigen beschreven dat er zorgelijke factoren bestaan. Het hof deelt die zorgen ook. Bij de beoordeling van het recidiverisico kan eveneens worden betrokken dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit, dat eveneens in de relationele sfeer heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de rapporteurs hebben beschreven dat zij geen valide inschatting van het risico op recidive hebben kunnen maken. Al met al concludeert het hof dat een gevaar op herhaling niet kan worden uitgesloten en nog aanwezig kan worden geacht, doch dat zulks de oplegging van een ingrijpende maatregel als de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in dit specifieke geval niet zonder meer rechtvaardigt. Het hof zal dan ook – anders dan de rechtbank en door de advocaat-generaal is gevorderd – aan de verdachte geen tbs-maatregel opleggen. Gelet op het vorenstaande acht het hof het wel noodzakelijk dat de verdachte na afloop van de op te leggen gevangenisstraf onder toezicht wordt gesteld en/of (ambulante) behandeling krijgt. Het hof is dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Op die manier wordt het mogelijk om de verdachte in aansluiting op de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dit op dat moment nog noodzakelijk wordt geacht. Omdat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en niet openstaat voor een (nader) persoonlijkheidsonderzoek, is niet duidelijk geworden wat haar drijfveren precies zijn geweest en hoe recidive in de toekomst moet worden voorkomen. Oplegging van deze maatregel acht het hof dan ook noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Beslag Op basis van de inhoud van de gedingstukken stelt het hof vast dat onder het slachtoffer [slachtoffer 2] verschillende goederen in beslag zijn genomen. Het hof zal de teruggave daarvan aan het slachtoffer gelasten, nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen (nog) verzet.
Volledig
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 400,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag dat het gehele bedrag is voldaan. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Ter hoogte van voornoemd geldbedrag is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig de beslissing van de rechtbank voor toewijzing in aanmerking komt. De verdediging heeft – gelet op de bepleite vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde – zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat het causale verband tussen een eventuele bewezenverklaring en de gestelde schade niet, althans in onvoldoende mate is komen vast te staan. De immateriële schadepost is niet met medische stukken of anderszins onderbouwd. Ook om die reden dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Immateriële schade Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in: ‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’ Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de verdachte de benadeelde met kracht tegen zijn knie heeft getrapt/geschopt. De benadeelde heeft in het verzoek tot schadevergoeding naar voren gebracht dat hij op zijn linkerknieschijf werd geraakt en dat hij direct een stevige stekende pijn voelde. Voorts blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat hij ten gevolge van verdachtes handelen een week pijn heeft gehad aan zijn knie en hierdoor zeven dagen mank heeft gelopen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending brengen die naar het oordeel van het hof met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, zodat op die grond ruimte bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 150,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. Wettelijke rente Het hof zal voorts beslissen het toe te wijzen bedrag – zoals gevorderd – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023, zijde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 150,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38z, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 (achtenzestig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1 STK Mes (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149193, zwart); - 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149195, zwart); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149462, Kingston 23 Gb); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL100-2023276194-2149465, Kingston 32 GB); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149469, Sandick 32 Gb).
Volledig
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 400,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag dat het gehele bedrag is voldaan. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Ter hoogte van voornoemd geldbedrag is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig de beslissing van de rechtbank voor toewijzing in aanmerking komt. De verdediging heeft – gelet op de bepleite vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde – zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging naar voren gebracht dat het causale verband tussen een eventuele bewezenverklaring en de gestelde schade niet, althans in onvoldoende mate is komen vast te staan. De immateriële schadepost is niet met medische stukken of anderszins onderbouwd. Ook om die reden dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Immateriële schade Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in: ‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’ Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de verdachte de benadeelde met kracht tegen zijn knie heeft getrapt/geschopt. De benadeelde heeft in het verzoek tot schadevergoeding naar voren gebracht dat hij op zijn linkerknieschijf werd geraakt en dat hij direct een stevige stekende pijn voelde. Voorts blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat hij ten gevolge van verdachtes handelen een week pijn heeft gehad aan zijn knie en hierdoor zeven dagen mank heeft gelopen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending brengen die naar het oordeel van het hof met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, zodat op die grond ruimte bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 150,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. Wettelijke rente Het hof zal voorts beslissen het toe te wijzen bedrag – zoals gevorderd – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023, zijde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 150,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38z, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 (achtenzestig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1 STK Mes (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149193, zwart); - 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149195, zwart); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149462, Kingston 23 Gb); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL100-2023276194-2149465, Kingston 32 GB); - 1 STK Computer (Omschrijving: PL2100-2023276194-2149469, Sandick 32 Gb).